Het woord van een medemens

‘Is het moeilijk om iemand te verdedigen terwijl je weet wat hij…’ is dé grijsgedraaide plaat die elke strafpleiter kent van verjaardagen. (Terzijde: om iemand prettig te kunnen verdedigen maakt het mij niets uit wat hij heeft gedaan. Wel of met hem te praten valt, zijn verwachtingen realistisch zijn en hij niet overloopt van zelfbeklag).
Je moet mensen hun borrelpraat gunnen. Ook ik heb een vraag die me op de lippen brandt, en wel zodra ik op informele voet met een rechter beland: ‘hoe weet je nou écht zeker dat iemand schuldig is?’ Of liever nog: ‘Hoe weet je zeker dat je niet miskleunt?’

Een bevredigend antwoord heb ik nog niet gekregen. Het toverwoord lijkt overtuiging. Dat het Wetboek van Strafvordering de lat niet hoog legt geeft iedereen wel toe. Bijna alles kan bewijs zijn, als het maar overtuigt. Het adagium van bevestiging uit twee bronnen gaat in het strafrecht eigenlijk niet op. Het beetje extra dat nodig is om één enkele getuigenverklaring aan te vullen valt bijna altijd wel te vinden als, nogmaals, de overtuiging er maar is. In het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar wordt een nagenoeg volstrekt vertrouwen gesteld. Wanneer de sfeer toelaat om door te vragen loopt het er meestal op uit dat ‘elke zaak weer anders is’ en het ‘per geval verschilt’ wanneer het bewijs overtuigend is. De Overtuiging: mysterieus, allesbepalend en voor raadslieden verleidelijk, want daar valt te scoren.

In mijn praktijk reageren beginnende cliënten vaak verbaasd als ze te horen krijgen dat verklaringen een hoofdmoot van het bewijs uitmaken. In hun ogen zou echt bewijs ‘hard’ moeten zijn: filmbeelden, vingerafdrukken, DNA. Want “ze kunnen wel van alles zeggen,” en daar hebben zij natuurlijk gelijk in. Mijn eerste strafzaak (als rechtbankjournalist) ging om incest met inmiddels volwassen dochters, en ik herinner me mijn lichte ontreddering toen de inzet bleek te zijn: wie wordt door de rechter geloofd? En niet: voor welk standpunt bestaat ongekleurd, objectief bewijs? Ik denk dat bijna iedereen die in het strafrecht werkt ooit even heeft moeten slikken toen hij dit tot zich liet doordringen.
Antoine Mooij, voormalig directeur bij het Pieter Baan Centrum, filosoof, psychoanalyticus en psychiater heeft dit jaar een mooi filosofisch boek uitgebracht, In de greep van de taal. Het gaat niet over strafrecht, maar dat komt zijdelings wel ter sprake. Hij schrijft:
“Het vertrouwen in het recht en de rechtmatigheid van de praktijk ervan, is niet zonder grond, maar berust als vertrouwen mede op een fictie, een mythische fictie, die toch overeind gehouden moet worden. Het verklaart waarom juridische dwalingen zo’n schok geven. En rechters wijzen dan steeds op de zelfcontrolerende kracht van het systeem (wat evident onjuist is) in plaats dat zij uitleggen dat dwalingen structureel onvermijdelijk zijn. En zij zijn niet te vermijden omdat het recht een zelfstandig systeem van representatie is dat zijn eigen bewijsregels bepaalt, waarbij nu eenmaal de lat voor het bewijs niet al te hoog gelegd kan worden (hoe verschrikkelijk het ook is als het jou ten onrechte treft). Strengere eisen leiden tot nog veel meer vrijspraken, wat zeker tot maatschappelijk ongenoegen zal leiden (‘eigenrichting’)”.
Graag zou ik dit iedere rechter voorhouden, uit pure nieuwsgierigheid of het wordt onderschreven.

Geen zinnig mens zal staande houden dat aan beweringen absolute zekerheid toekomt. Maar als we daar al te moeilijk over gaan doen, kunnen we de tent van het strafrecht sluiten, daar komt het ongeveer op neer. ‘Educated guesses’ heeft één rechter zijn beslissingen getypeerd, op een gevorderd uur en na wat aandringen. Volgens mij kunnen we hier spreken van een ‘arcanum imperii’, een ‘Geheimnis der Herrschaft’. Gewoon omdat de meeste mensen zulke hoge verwachtingen hebben van iets dat zo absoluut klinkt als ‘bewijs’. Pas als ze met het strafrecht te maken krijgen merken ze dat bewijs vaak zo dun is als, tja, het papier waarop het woord van een medemens staat.
Als Mooij gelijk heeft moet het wel zo zijn, want anders zou het strafrecht zijn slagkracht verliezen. En waarom zou het ook anders moeten? In het dagelijks leven gaan we continu af op mededelingen zonder dat we om onderliggend bewijs vragen, ook bij heel belangrijke zaken. Waarom zou je aan het strafrecht veel strengere eisen moeten stellen? Eén antwoord is: omdat het over het lijden van mensen gaat. Maar dat geldt ook voor de praktijk van de dokter, en die wacht heus niet steeds op absolute zekerheid voor hij gaat behandelen. Belangrijker lijkt dát er beslissingen vallen dan dat die in honderd procent van de gevallen juist zijn.
Daarmee is gegeven dat een aandeel missers zit ingebakken. Misschien een geluk voor het systeem (niet voor de veroordeelden…) dat de meeste niet aan het licht komen, want daar zijn het tenslotte dwalingen voor. Daar moeten we dan maar vrede mee hebben. En blij toe zijn als we zelf buiten schot blijven. Zou dit het laatste woord zijn? Het maakt in elk geval dat ik de mensen achter de tafel bekijk met iets tussen huivering en respect in en mijn positie van raadsman me een stuk comfortabeler voorkomt.

Vasco Groeneveld
Strafpleiter bij Plasman cs advocaten