Het maatwerk van de rechter

De rechter levert maatwerk. Dat is althans de stelling, het uitgangspunt. Maatwerk staat voor zorgvuldigheid, niet alles over één kam scheren maar gelijke gevallen gelijk behandelen en ongelijke ongelijk naar de mate van hun ongelijkheid. Ik ga bij de discussie of de rechter dit uitgangspunt waarmaakt voorbij aan de fase van de schuldvaststelling en beperk me tot de strafmaat.

Bij de bepaling daarvan houdt de rechter, zo blijkt uit de formule voor de motivering, rekening met de ernst van het feit, de persoon van de dader en de omstandigheden waaronder het delict werd gepleegd. Bij de weging van deze drie factoren moet hij dus zo goed als mogelijk proberen te voldoen aan het eerder genoemde maatwerk uitgangspunt. Bij de ernst van het feit is dat, prima vista, het eenvoudigst. Soms steekt de wetgever zelfs de helpende hand toe, bijvoorbeeld door onderscheid te maken tussen de opzet en de schuld variant van een strafbaar feit. Maar ook als dat niet gebeurt, is deze variabele in het algemeen het makkelijkst te kwantificeren en daarmee op één noemer te brengen. Bij vermogensdelicten door de schade in geld uit te rekenen, bij geweldsdelicten door het letsel zo objectief mogelijk in kaart te brengen, bij dronken rijden door het bloedalcoholgehalte etc. etc.

Bij de persoon van de dader wordt het al een stuk ingewikkelder. Daar betreedt de rechter al snel een terrein waarop hij geen meester is en hij bijgevolg al snel in de aannames, gissingen en andere subjectieve oordelen terecht komt. Dat kan voor dezelfde verdachte, bij verschillende beslissers heel verschillend uitpakken, zoals onderzoek heeft laten zien. Zo werd een, na jaren recidiverende inbreker door de ene rechter beschouwd als iemand die zijn leven had gebeterd en incidenteel weer had gezondigd, terwijl een andere beslisser meende dat deze inbreker zijn werkmethoden had gemoderniseerd en zo, gedurende langere tijd, uit handen van de politie had kunnen blijven. Uiteraard had dit verschil in benadering grote gevolgen voor de strafmaat. Met andere woorden, geef twee beslissers een zelfde dossier of casus en de uitkomst is hoogstwaarschijnlijk verschillend. Niet alleen bij rechters, ook bij officieren, advocaten, artsen en andere soorten zogenaamde professionals. Dat kun je natuurlijk ook maatwerk noemen, maar dat is toch niet wat ik bedoelde.

Ook bij de omstandigheden van het delict doen zich dit soort verschillen in benadering/opvatting voor. Zo kregen, niet zo lang geleden, twee verdachten van een overval op een juwelier bij het Hof een aanzienlijk lagere straf dan bij de rechtbank, omdat het Hof van mening was dat het feit dat verdachten bij de overval gewond waren geraakt een straf verminderende omstandigheid was. Bij de rechtbank had die omstandigheid kennelijk geen, of in ieder geval een andere, rol gespeeld, hoewel ook dat niet zeker is, omdat de afwegingen van beide instanties niet zo helder zijn geformuleerd dat eenduidig kan worden vastgesteld waaruit het verschil in oordeel nu precies ontstaat. De genoemde voorbeelden zijn met talloze andere aan te vullen.

En dat is precies mijn grootste bezwaar tegen die maatwerk pretenties van de rechter en andere zogenaamde professionele beslissers. De vrijheid die ze hebben, krijgen of zich toe-eigenen leidt zelden tot het nagestreefde, althans gepretendeerde doel, maar is eerder professionele eigenmachtigheid die een zo groot mogelijke vrije ruimte moet verschaffen. De justitiabele krijgt in ieder geval niet wat hem wordt gesuggereerd en het moet, als zorgvuldigheid en rechtsgelijkheid serieus worden nagestreefd, zoveel als mogelijk vermeden worden dat de ene rechter factoren in het spel brengt die door een andere niet worden meegewogen.

Om echt maatwerk te kunnen leveren zal het beslissingsproces veel zorgvuldiger moeten worden geanalyseerd en gestructureerd dan thans het geval is. Een eerste stap zou moeten zijn dat binnen de ZM en ook binnen het OM, overeenstemming wordt bereikt over de factoren die een rol mogen/moeten spelen bij de weging die uiteindelijk tot de strafmaat leidt. Bij het OM was men daarbij een eind gevorderd door de invoering van het Polaris-systeem waarbij voor een groot aantal delicten lijsten met relevante beoordelingsfactoren waren opgesteld.

Een tweede, moeilijker stap, is hoe die factoren, in principe moeten worden gewogen. Is het feit dat een verdachte gewond raakt bij een overval inderdaad straf verminderend, of moet zo’n factor überhaupt niet in de lijst met af te vinken variabelen worden opgenomen, maar als een bedrijfsrisico voor overvallers en andere plegers van geweldsdelicten worden beschouwd?

Door zo, systematisch stap voor stap te werk te gaan kan de subjectiviteit en daarmee de rechtsongelijkheid zoveel mogelijk worden tegengegaan. Natuurlijk zullen er altijd factoren zijn die zo incidenteel zijn dat ze niet in een schema als door mij bepleit zijn te vangen. Dat moet ook niet worden geprobeerd. In zo’n geval kan de rechter eenvoudig aangeven in zijn motivering of en hoe zo’n variabele is meegewogen. Motiveren wordt in het door mij bepleite model namelijk een stuk eenvoudiger en kan in veel gevallen zelfs achterwege blijven als de rechter namelijk (ongeveer) doet wat hij in dat soort gevallen altijd doet. Pas als dat niet zo is, komt nadere motivering aan de orde.

Ik ben ervan overtuigd dat op deze manier zeker driekwart van alle zaken op een heldere en navolgbare wijze kan worden beoordeeld, dat de strafmaat voor de verdachte zelfs valt na te rekenen en dat het beoordelingsproces sterk aan de tegenwoordig zo bepleite transparantie zal winnen. Rechtspraak in het algemeen en straftoemeting in het bijzonder mag niet een soort roulette zijn, waarvan de uitkomst meer wordt bepaald door degene die de beslissing neemt dan door de kenmerken van de zaak. Aan de rechterlijke macht in den brede de opgave om langs deze weg echt maatwerk te leveren.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie