Interview mr. A.H. (Bert) van Delden deel 1

Ivoren toga zal deze en volgende week in twee delen een interview plaatsen met Bert van Delden. Hij was vanaf 1966 als Raio verbonden aan de rechtspraak en beëindigde na twee presidentschappen zijn actieve loopbaan als eerste voorzitter van de Raad voor de rechtspraak. Een toonaangevende rechter dus die gedurende langere tijd een stempel op (de organisatie van) de rechtspraak heeft gedrukt. Het interview is niet bedoeld om huidige inzichten op de bestaande rechtspraak te ontvouwen, maar beoogt een schets van de vroegere rechterlijke organisatie te geven. In deel 1 van het interview ligt het zwaartepunt op Van Deldens tijd als student, raio en rechter. In deel 2 komt in het bijzonder zijn presidentschap aan bod.

Van Delden werd in 1941 geboren in Indonesië. Zijn vader was een “totok”, zijn moeder een Indisch meisje. Vader was als landbouwkundig ingenieur werkzaam op een suikerfabriek op midden-Java. Na het uitbreken van de oorlog werd hij als krijgsgevangene tewerkgesteld aan de beruchte spoorweg in Birma, waar hij in 1943 is overleden. Zijn moeder was vanaf 1942 geïnterneerd. Van Delden is echter onder de hoede van zijn overgrootmoeder buiten het kamp gebleven. Toen zijn moeder in oktober 1945 vernam dat haar man was overleden, koos zij voor haar zoon voor een toekomst in Nederland. Zij heeft daar, werkzaam als secretaresse, voor het gezinsinkomen gezorgd. Vanaf 1947 ging Bert naar de lagere school in Den Haag. Vervolgens ging hij naar het gymnasium waar hij actief was als praeses van de leerlingenvereniging. In dat bestuur heeft hij ook zijn latere vrouw leren kennen. Na het eindexamen in 1959 is hij rechten gaan studeren in Leiden. Aan die keuze was geen specifieke afweging voorafgegaan. Zijn omgeving kende geen juristen. Ook de oorlog met alle persoonlijke leed en onrecht vormde geen voedingsbron om het recht te willen gaan beoefenen. De oorlog en het verleden in Indië werden thuis niet als een gesloten boek gezien, wel als een afgesloten hoofdstuk. In Leiden werd hij, “dat ging nu eenmaal zo”, lid van het Leidsch Studentencorps

Kunt u uw studententijd typeren? Wat was uw mens- en maatschappijbeeld?

‘Het was een gezapige tijd. Aan de groentijd (kaal geschoren) heb ik persoonlijk geen onaangename herinneringen overgehouden. Veel gleed van me af. Maar voor het verschijnsel ontgroening (“kennismaking op voet van ongelijkheid”) heb ik nooit begrip gehad en ben ik gaandeweg zelfs een afkeer gaan ontwikkelen. Ik heb altijd in een studentenhuis met zo’n 20 jongens gewoond, merendeels niet-corpsleden. Al gauw ben ik de beheerder van dat huis geworden. Ik denk dat ik voor iedereen acceptabel was omdat ik niet zo geprofileerd was, wat kleurloos wellicht. Dat hielp overigens wel bij het oplossen van de conflictjes die er van tijd tot tijd tussen de bewoners en met de Stichting Studentenhuisvesting rezen.
In mijn Leidse jaren heb ik vaak een baantje gehad bij een bureau dat fabrieksjubilea en wetenschappelijke congressen organiseerde. Zo’n jubileum, een uitje voor een paar honderd man fabriekspersoneel, met partners, in een reeks van bussen of met een speciale trein was voor de betrokkenen destijds een bijzondere gebeurtenis. Soms werd ook ik, als een soort reisleider, voor de mooie dag bedankt. Voor zo’n lange dag werken ontving ik overigens de somma van 10 gulden.’

Hoe zag de rechtenstudie er rond 1960 uit?

‘Romeins recht en oud-vaderlands recht waren belangrijk in de prekandidaatsfase. Daarna de grote algemene vakken, weinig keus in bijvakken. Administratief recht (het bestuursrecht moest nog uitgevonden worden) was een keuzevak, evenals Europees recht. Tegen het eind van de studie, die ik in 5 jaar heb afgerond – wat toen ongeveer het gemiddelde was – moest gekozen worden tussen civiel- of staats- en strafrecht als afstudeerrichting. Net als voor het merendeel van mijn studiegenoten is het voor mij civiel geworden. Strafrecht was niet in. Terugkijkend valt op te merken hoe kleinschalig alles was, al met al maar een paar honderd studenten, en hoe wij overal rustig de tijd voor namen. Uitdagend was de studie niet en ik kan mij niet herinneren dat wij ooit ergens cijfers voor kregen.
Binding met de praktijk was er niet. De enige keer dat ik een zitting heb bijgewoond was een zitting van de Krijgsraad. Daar ging altijd wel een groepje naar toe als de commandant van de in Leiden gevestigde koksschool daarvan deel uitmaakte, vooral omdat je dan een lunch geserveerd kreeg in de officiersmess, die toen bij de sociëteit de Witte een ruimte had. Er waren wel pleitdisputen, steeds onder patronage van een hoogleraar. Ik ben lid geweest van zo’n dispuut dat onder de hoede stond van H. Drion. Van dat dispuut is mij overigens vooral bijgebleven de avond waarop Drion ons, zoals ieder jaar, bij hem thuis had uitgenodigd, bij welke gelegenheid de toen nog onbekende medestudent Maarten Biesheuvel opeens vroeg of hij “een verhaaltje” mocht voorlezen.
Daarnaast ben ik lid geweest van een economisch dispuut. De activiteit daar bestond uit wat lezingen en een enkel bedrijfsbezoek. De sterkste herinnering bewaar ik aan een management spel dat wij bij Shell (of Unilever) hebben gespeeld. Van het bij een advocatenkantoor, rechtbank of bedrijf stage lopen was geen sprake.’

Had u tijdens de studie een later beroep in beeld? Hoe kwam u tot uw beroepskeuze?

‘Eigenlijk niet. Rechten was, zeker in die tijd, de studie waarmee je alle kanten op kon. Ik heb wel even gedacht over de buitenlandse dienst. Het zogenaamde diplomatenklasje leek me wel wat. Ik heb eindexamen bèta gedaan, maar was wel goed in talen. Het steeds van standplaats wisselen zag ik niet als probleem, maar het leek niet zo aantrekkelijk voor de vrouw met wie ik het leven wilde delen. Verder had ik ook weinig beeld van het diplomatenvak. Tijdens een college was iets gezegd over opleidingsfuncties bij de rechterlijke macht. De vader van een vriendin bij wie ik in mijn gymnasiumtijd wel eens thuis was geweest, Dubbink, zat in de Hoge Raad. Omdat hij de enige was die ik kende die in de rechtspraktijk werkzaam was ben ik bij hem op bezoek gegaan. Hij attendeerde me op de mogelijkheid naar een plaats als Raio te solliciteren. Rechters moesten hard werken, zei hij, maar hadden veel vrijheid wat betreft hun tijdsindeling. Vooral dat laatste sprak mij aan en daarom besloot ik het in die richting te zoeken. In de tijd dat ik afstudeerde was overigens het krijgen van een baan geen probleem. De arbeidsmarkt was toen goed. Je ontving brieven van bedrijven als Shell en Unilever om je belangstelling voor een baan te peilen.
Op grond van mijn sterke bijziendheid was ik afgekeurd voor de militaire dienst die toen nog verplicht was. Enerzijds vond ik dat wel jammer, ik zou er op ingezet hebben bij degenen die Russisch leerden te komen, anderzijds beschouwde ik het als een extra jaar.
Ik ben er toen in geslaagd om een beurs te krijgen voor een studie aan Tulane School of Law in New Orleans en zo togen Nanny en ik – wij waren na mijn afstuderen getrouwd en zij had net haar doctoraal Frans behaald – in 1965 voor een jaar naar Louisiana in de Verenigde Staten. Ik heb op Tulane, dat als universiteit wel gedesegregeerd was, maar waar de law school nog helemaal wit was, een masters degree behaald. Nanny heeft een baan als lerares op een high school weten te verwerven.
Kort voor ons vertrek had ik gesolliciteerd naar een plek als raio. Aan de gesprekken die ik in dat kader heb gevoerd heb ik geen andere herinnering dan die aan de oer-ambtenaren Dilling en Van Zee, zetelende in het toenmalig Ministerie van Justitie aan het Plein, die het secretariaat vormden. Dat ik ook afgewezen had kunnen worden is niet bij mij opgekomen. Het enige punt was dat ik solliciteerde naar een baan die ik pas over een jaar zou kunnen vervullen. Het is echter allemaal probleemloos verlopen. In maart 1966 ontving ik in New Orleans het bericht dat ik in september bij de rechtbank Utrecht werd verwacht.’

Wat herinnert u zich van die eerste periode in de Utrechtse rechtbank?

‘Alles begon met een proeftijd van 4 maanden, de eerste twee op de griffie, het tweede deel op het parket. Je deed die maanden vooral administratief werk bij de ondersteuning. Registratie: nieuwe zaken inschrijven in folio’s. Ik leerde in die weken de administratieve procedures kennen, maar juridisch had het niets om het lijf. Wel een nuttige manier om de grote kloof tussen het rechtsgeleerd personeel en alle anderen te ervaren en trachten te overbruggen. Na de proeftijd begon de opleiding die zes jaar zou duren, waarbij je na twee jaar een vaste aanstelling kreeg. Ik heb twee jaar in Utrecht gewerkt, daarna twee jaar op het parket in Amsterdam en tot slot twee jaar in de advocatuur in Breda.’

Hoe zag de Raio-opleiding er uit?

‘Veel opleiding was er niet. Het werk werd vooral geleerd in de praktijk, en het meeste leerde je van oudere collega’s en van de gerechtssecretarissen. Voor het hele Utrechtse gerecht waren drie raio’s en vier secretarissen beschikbaar. De twee substituut-griffiers die er waren traden in afwachting van een benoeming tot rechter vooral op als rechter-plaatsvervanger. De “opleiding” verschilde sterk van rechtbank tot rechtbank. In mijn Utrechtse tijd heb ik nooit een concept in een gewone civiele zaak geschreven, maar trad ik wel veel op als griffier bij de kortgedingen, waarvoor ik dan ook de conceptvonnissen schreef. In de meervoudige strafkamer schreef je als griffier de meeste uitspraken (alles werd toen nog in 14 dagen uitgewerkt), maar de bijzitters namen ook wel concepten voor hun rekening. Aan op het vak gerichte cursussen heb ik amper herinnering. Wel aan de door het departement georganiseerde “gestichtsdagen”, waarbij een groep rechters, officieren en raio’s gevangenissen en tbs –inrichtingen bezocht. Het waren tweedaagse excursies waarbij iedereen rücksichtslos in tweepersoonskamers werd gehuisvest. Af en toe was er contact met de SSR, maar dat stelde vergeleken met de huidige opleiding niet veel voor. Voor het werk als griffier maakte je gebruik van door voorgangers nagelaten en door nieuwe lichtingen steeds aangevulde en verbeterde voorbeeldenmappen. Soms voorzien van de aantekening: dit niet bij mr. X, juist wel bij mr. Y. Je tikte alles zelf, verbeteringen werden zoveel mogelijk met renvooien aangebracht. Voor de buitenwereld gaf dat soms enig inzicht in de manier waarop de beslissing tot stand was gekomen. Als het geheel te onleesbaar werd moest je alles overtikken.
Mutatis mutandis gold dit ook voor de parketstage. Op het Amsterdamse arrondissementsparket waar ik op eigen verzoek geplaatst werd, zat ik de eerste vier maanden bij de afdeling dagvaarden waar ik het handwerk van het dagvaarden moest leren. Dat was nog niet zo gek, je leerde een zaak van de bodem af opbouwen. Wat het zittingenwerk betreft kwam je destijds in Amsterdam niet verder dan de kantonrechter en de politierechter. MK zittingen waren taboe. Er werd nog minder naar je omgekeken dan op de rechtbank het geval was geweest. Als je ergens mee zat moest je maar zien iemand te vinden die je verder kon helpen. Dat was natuurlijk wel bevorderlijk voor je zelfstandigheid. Ik had in de overtredingensfeer een paar bureaus onder mijn hoede en zeker in de nasleep van de provotijd kon dat met de verantwoordelijke politiechefs leiden tot discussies over het wel of niet opmaken van proces-verbaal en vervolgen van bepaalde overtredingen. Met goedvinden van de toenmalig hoofdoffcier Hartsuiker heb ik ze te kennen gegeven dat een vervolging voor landloperij bij de zogenaamde Damslapers mij wat te gortig leek. Om aan die praktijk toch een einde te maken is toen wel een aparte verordening gemaakt.
De laatste twee jaar heb ik, wederom op eigen verzoek, in de advocatuur in Breda gewerkt. Hoewel ik toen al vier jaar ervaring had, was ik natuurlijk gewoon stagiair. Gelukkig trof ik een patroon die mij, zich rekenschap gevend van mijn voorervaring, uitstekend begeleidde.’

Aan de hand van welke maatstaven werd bepaald of de raio aan de maat was en mocht blijven?

‘Jaarlijks werd er door de president of hoofdofficier wel iets van een beoordeling opgesteld, maar dat stuk, dat amper met je besproken werd, hield niet veel anders in dan een bericht aan het departement dat je door mocht. Van enigszins geobjectiveerde beoordelingsmaatstaven was geen sprake, ook al omdat het werk wat je te doen kreeg, of mocht doen, per standplaats verschilde. Pas in mijn tijd kwam er voor de raio’s een beoordelingsconsulente, de roemrucht geworden mr. Astrid Veltman, die alle gerechten en parketten afreisde en trachtte enige lijn in de beoordelingen te krijgen. Dat was ook het begin van de A-tjes, B-tjes en C-tjes. Volgens Astrid, met wie ik in de loop der tijden goed bevriend ben geraakt, is er ondanks haar bemoeiingen overigens altijd nogal wat verschil tussen de gehanteerde beoordelingsmaatstaven blijven bestaan.’

Hoe waren de overleg- en omgangsvormen binnen het gerecht?

‘Toen ik in 1966 raio werd had de Utrechtse rechtbank zo’n vijftien rechters. Men werkte veelal thuis, hetgeen leidde tot een cultuur van het schrijven van nota’s. In de strafkamer zag men elkaar natuurlijk wel, maar in civilibus hing het van de kamervoorzitter af of er mondeling overleg werd gevoerd. In de jaren zestig en ook nog wel in de jaren zeventig was er sprake van een formele en nogal hiërarchische sfeer. De kloof tussen het rechtsgeleerd en het overig personeel was groot.
Voor een benoeming was een aanbeveling van de rechtbankvergadering een vereiste. Degene die naar een plaats als rechter solliciteerde verscheen tot begin jaren ’70 vaak in jacquet en moest dan maar zien om met behulp van een bode alle rechters te spreken te krijgen. Als dat niet op één dag lukte, wat vaak het geval was, kon de betrokkene het op een andere dag opnieuw proberen. In zo’n gesprek kon men te horen krijgen: “U weet toch dat wij al een katholiek/protestant in het college hebben?”. De rechtbankvergadering werd, mirabile dictu maar conform de wettelijke regelingen, altijd bijgewoond door de hoofdofficier.
In 1974, toen ik als rechter in Utrecht terugkeerde, was wel een en ander veranderd. De omgangsvormen waren een stuk losser geworden en de afstand tussen de rechters en het overige personeel was geringer. De rechtbankvergaderingen, die ik toen dus voor het eerst bijwoonde, waren een moeizame vertoning. Veel was voorgekookt door de president die meestal de hoofdofficier als eerste om zijn mening vroeg, wetende dat die zijn instemming zou betuigen. Van lieverlee is dat toch behoorlijk gekanteld en ontstond er, in ieder geval in Utrecht, een reële inspraak.
Wat de aanwezigheid van hoofdofficier betreft: toen ik in 1985 tot president in Den Bosch was benoemd heb ik aan de hoofdofficier gevraagd of het bijwonen van de gerechtsvergadering wel tot zijn prioriteiten behoorde en dat ik mij goed kon voorstellen dat hij zijn tijd wel beter kon gebruiken. Als goed verstaander en in goede harmonie is hij nadien nooit meer op een vergadering verschenen.’

Hoe was in de tijd de positie van de president en wat waren zijn bevoegdheden?

’De president was bovenal rechter. Hij werd ondersteund door de griffier die aanvankelijk vooral over de potloden en pennen ging. Voor de kleinste aangelegenheden was overleg met het departement geboden. Mijn voorganger in Den Bosch heeft een flinke discussie moeten voeren over de vervanging van een vloerkleed met een gat daarin. Intern ging de president over de roosters, de samenstelling van de kamers en de roulatie van rechters over de verschillende rechtsgebieden. De president was binnenshuis de onbetwiste baas van het gerecht. Tussen de presidenten waren daarbij wel stijlverschillen aan te wijzen op het vlak van de aansturing. Waar de ene president strak vasthield aan de hiërarchische en verstarde verhoudingen, gingen andere meer met de tijd mee. Ik teken daarbij wel aan dat meer ‘’ouderwetse’’ presidenten hun stijl na hun aftreden wel werd nagedragen, maar dat het betrokken college het zich zelf ook wel mocht aanrekenen zo weinig tegenwicht te hebben geboden. Er was zeker sprake van beduchtheid om zijn nek uit te steken.’

Hoe hield een president of hoe hielden vice-presidenten de interne doorlooptijd van zaken bij als ze hoofdzakelijk zittingen deden?

‘Lange tijd zijn de gerechten zo klein gebleven dat het makkelijk was om na te gaan waar de zaak stokte. Het werd bijgehouden in een schriftje en anders was een praatje met iemand van de roladministratie ook een mogelijkheid. Vervolgens hing het sterk van de president of kamervoorzitter af of men ook op zijn productie, of het gebrek daaraan, werd aangesproken. Doorlooptijden zijn pas in de jaren ’80 een issue geworden.’

Hadden de roerige jaren zestig en zeventig invloed op de binnenkant van het gerecht? Werd er veel gesproken, zoals over de bekende hashisharresten, het kraken of over abortus en de maatschappelijke beroering die juridische procedures daarover teweeg brachten?

‘Ik moet aantekenen dat ik pas in 1974 rechter ben geworden en dat ik, zoals de verhoudingen tot dan lagen, in de jaren daarvoor formeel buiten dit soort discussies werd gehouden. Natuurlijk is in die jaren de onrust in de samenleving niet aan de rechtspraak voorbijgegaan, maar of dat tot stevige interne discussies heeft geleid? Als griffier van een Utrechtse strafkamer heb ik wel op een MK-zitting over de Johnson “moordenaar/molenaar” zaak gezeten, waarbij de verdediging een drietal hoogleraren als getuige-deskundige had opgebracht om de problematiek van de Vietnam oorlog over het voetlicht te krijgen. Die zaak is toen ook uitgebreid in het nieuws geweest.
Het gerucht ging toen dat de hoofdofficier door het ministerie onder druk was gezet om de zaak te vervolgen. Opmerkelijk was in ieder geval dat hij zelf op de zitting optrad. Na een genuanceerd betoog concludeerde hij tot strafbaarheid, maar kwam niet verder dan een eis van enkele tientallen guldens. De rechtbank is hem daarin gevolgd. Anderzijds was er ook de Amsterdamse rechtbankpresident Stheeman die de publiciteit haalde met zijn uitspraak in een interview dat het gezag ongenuanceerd moest optreden. Een opvatting die hij altijd is blijven koesteren.’

Welke grote veranderingen ziet u in de rechterlijke organisatie in de jaren zestig en zeventig?

‘Bovenal de grote instroom van zaken. Er waren veel rechters nodig om de toevloed van zaken het hoofd te kunnen bieden en dat is gepaard gegaan met een behoorlijke verjonging. Een tweede grote verandering was dat het aantal thuiswerkende rechters drastisch verminderde. Aanvankelijk was sprake van huisvestingsnood en waren er weinig kamers voor rechters beschikbaar. Toen in die jaren het nieuwe Paleis van Justitie in Den Haag met werkplek voor alle rechters ter beschikking kwam zijn er bij mijn weten nog lang kamers onbezet gebleven. Het natuurlijke gevolg van het weinig op het werk verschijnen was dat er veel meer sprake was van los zand in de onderlinge verhoudingen. Dat het thuiswerken langs lijnen van geleidelijkheid verdween en rechters zich meer op het gerecht vertoonden is zeker ten goede gekomen van een meer open sfeer en de onderlinge discussie.’