Wie zegt u? Het slachtoffer?

Ward Ferdinandusse

De Hoge Raad heeft, volgens rechter Ronny van de Water, “niets met kinderen”. Dat komt omdat de Hoge Raad een vordering tot cassatie in het belang der wet heeft afgewezen waarin gepleit werd voor de mogelijkheid in jeugdstrafzaken overschrijding van de redelijke termijn te sanctioneren met niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd, aldus Van de Water, gelet op het “veelvoud aan valide argumenten aangedragen door de AG”. Sterker nog, “de indruk wordt op deze wijze gewekt dat de Hoge Raad – om andere dan juridische redenen – er gewoon niet aan wil”, aldus nog steeds Van de Water.

Het gebeurt niet iedere dag dat een feitenrechter de Hoge Raad tot de orde roept over de motivering van zijn arresten en hem daarbij en passant oneigenlijke motieven toedicht. Het lijkt mij ook niet terecht, omdat de Hoge Raad in zijn arrest toch kort maar helder aangeeft waar hier de kneep zit (r.o. 3.3):

“Mede gelet op andere dan in het middel genoemde belangen, bijvoorbeeld die van mogelijke slachtoffers, al dan niet in de hoedanigheid van benadeelde partij, is er onvoldoende reden om in zulke gevallen het openbaar ministerie zijn vervolgingsrecht te ontzeggen…”

Met Van de Water had ik mij voor kunnen stellen dat de HR in dit geval wat meer woorden had gebruikt. Maar dan wel om uit te leggen dat rechterlijke ambtenaren in Nederland geacht worden de rechten en belangen van verdachten en slachtoffers gelijkelijk te behartigen. Zij worden daar door het EVRM ook toe verplicht. Ook in jeugdzaken, waar in veel gevallen naast de verdachten ook de slachtoffers minderjarig zijn. Het is met die verantwoordelijkheid niet verenigbaar om bij overschrijding van de redelijke termijn uitsluitend de belangen van de jeugdige verdachte mee te wegen, zoals (zorgwekkend) veel rechterlijke ambtenaren doen.

In de genoemde vordering tot cassatie in het belang der wet wordt – net als in de meeste gepubliceerde uitspraken waarin termijnoverschrijding wordt gesanctioneerd met niet-ontvankelijkheid – geen woord gewijd aan de rechten van slachtoffers. In het blog van Van de Water vinden we het woord slachtoffer één enkele keer: in de opmerking dat “de maatschappij, waaronder slachtoffers” belang heeft bij veelvuldige toepassing van art. 9a Sr [1] omdat dat er toe zal leiden dat “het ministerie van Veiligheid en Justitie de voortgang van jeugdzaken wel serieus gaat nemen”.

Slachtoffers zijn er in de zaken waar het om gaat echter wel degelijk. In de vordering tot cassatie in het belang der wet worden niet-ontvankelijkheidsoordelen opgesomd in zaken betreffende onder meer kinderporno met zeer jonge kinderen, diefstal met geweld dan wel dreiging met geweld, diefstal met braak, bedreiging, ontucht en openlijk geweld.

In meerdere van deze zaken hebben zich ook benadeelde partijen gevoegd die niet-ontvankelijk worden verklaard, vrijwel steeds zonder dat er ook maar één woord wordt gewijd aan de vraag of naast de verdachte ook zij rechten hebben. Hoogstens is er een woord van troost, zoals in de uitspraak van rechtbank Amsterdam waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van een jeugdige verdachte van een diefstal met geweld en twee mishandelingen. Over de rechten van die (logischerwijs eveneens niet-ontvankelijk verklaarde) benadeelde partij zegt de rechtbank niets, maar aan het einde van de uitspraak volgt nog wel een blijk van medeleven:

“De rechtbank realiseert zich dat deze uitkomst voor de benadeelde partij hoogst onbevredigend kan zijn. Ook zij heeft heel lang moeten wachten. Dat gegeven maakt het voorgaande echter niet anders.”

In Straatsburg maakt de aanwezigheid van een slachtoffer dat is mishandeld, bestolen met geweld of seksueel misbruikt de rechterlijke belangenafweging wél anders. Staten hebben op grond van het EVRM namelijk de positieve verplichting om strafrechtelijk op te treden tegen tal van inbreuken op fundamentele rechten, ook als die inbreuken worden gepleegd door andere burgers zonder betrokkenheid van de staat. Die verplichting vereist effectief onderzoek en bestraffing waar de feiten daarom vragen, binnen een redelijke termijn. Deze verplichting is al lang niet meer beperkt tot levensdelicten of geweld door overheidsdienaren, maar is door het EHRM in de afgelopen decennia sterk uitgebreid en bijvoorbeeld ook aangenomen voor zaken betreffende eenvoudige mishandeling van de ene burger door de andere, huiselijk geweld, ernstige bedreiging in de huiselijke sfeer, diverse zedendelicten en het buiten zijn medeweten plaatsen van een seksadvertentie op internet voor een minderjarige. Slachtoffers kunnen bovendien aanspraak maken op de bescherming van art. 6 EVRM in strafzaken die bepalend zijn voor hun burgerlijke rechten (zoals schadevergoeding). Overschrijding van de redelijke termijn raakt dus niet alleen de verdachte, maar ook de rechten van het slachtoffer. Het beëindigen van de vervolging in zulke gevallen komt wel tegemoet aan de belangen van de verdachte, maar verergert de schending van de rechten van de slachtoffers.

Ook andere internationale instrumenten die nogal eens worden ingeroepen om niet-ontvankelijkheid bij termijnoverschrijding te bepleiten bevatten naast bepalingen over de rechten van verdachten evenzeer bepalingen over de rechten van slachtoffers. Die laatste worden in de Nederlandse strafrechtspraak echter veelal genegeerd. Het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), bijvoorbeeld, bevat niet alleen het in de rechtspraak veelvuldig aangehaalde art. 40 met rechten van een verdacht kind, maar ook een plicht voor staten om kinderen te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik (art. 19) en specifiek tegen alle vormen van seksueel misbruik (art. 34).

Dat zijn relevante bepalingen voor bijvoorbeeld een strafzaak bij de rechtbank Midden-Nederland betreffende beschuldigingen van seksueel misbruik, inclusief penetratie, van verschillende kinderen onder de twaalf jaar door een minderjarige verdachte. Evenals art. 3 en art. 8 EVRM, waaraan slachtoffers in zulke zaken rechten ontlenen. In de betreffende uitspraak uit 2014 waarin het OM niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens termijnoverschrijding zoekt men er echter vergeefs naar. Het EVRM en het IVRK worden beide wel aangehaald, maar uitsluitend voor zover relevant voor de rechten van de verdachte. Over de rechten van de slachtoffers in die verdragen, en de plicht van de staat om hen effectief te beschermen met inzet van het strafrecht geen woord. Zo’n exclusieve focus op de rechten van de verdachte terwijl de rechten van de slachtoffers geheel genegeerd worden is in strijd met het EVRM en het IVRK. Het roept ook de vraag op waar de weegschaal van vrouwe Justitia is gebleven.

Ik begrijp heel goed de frustratie van kinderrechters over de veel te lange doorlooptijden in strafzaken, die zeker voor jeugdige verdachten en slachtoffers onaanvaardbaar zijn. En het feit dat de rechten van jeugdige verdachten en slachtoffers in zulke zaken conflicteren maakt de vraag wat er vervolgens in zulke zaken moet gebeuren er niet makkelijker op. Maar het negeren van slachtoffers en hun rechten is geen oplossing. Het stug doorgaan op deze weg, zoals bepleit door Van de Water, zal er slechts toe leiden dat ook in de toekomst de feitenrechter steeds opnieuw zal worden teruggefloten door de HR of, indien nodig, door het EHRM. Dat geldt voor de toepassing van art. 9a Sr zonder daadwerkelijke belangenafweging met aandacht voor het slachtoffer net zozeer als voor niet-ontvankelijkheid.

Let wel: ik betoog niet dat de positieve verplichting om bepaalde fundamentele rechten te beschermen met inzet van het strafrecht per definitie zwaarder weegt dan de rechten van de verdachte, en dat er dus altijd een straf opgelegd moet worden. Ik kan mij (zeker in jeugdzaken) gevallen voorstellen waar – alle relevante rechten en plichten afgewogen – art. 9a Sr gepast is. Maar om die conclusie met recht te trekken zullen wel eerst de rechten van slachtoffers en de daarmee corresponderende verplichtingen uit onder meer het EVRM en het IVRK moeten worden meegewogen. Dat lijkt mij de duidelijke strekking van het arrest van de Hoge Raad.

Ten slotte: het is treurig dat wij deze discussie überhaupt nog moeten voeren. De verantwoordelijkheid daarvoor kan echter niet exclusief op het bord van het ministerie van Veiligheid en Justitie worden geschoven, zoals Van de Water doet. Andere betrokkenen in de strafrechtketen moeten daarin evenzeer hun verantwoordelijkheid nemen, waaronder in ieder geval de wetgever, de politie, de zittende magistratuur en zeker ook het Openbaar Ministerie. Het veelvuldig afzien van vervolging of strafoplegging lijkt mij daarbij niet de haarlemmerolie te zijn die nu wordt voorgespiegeld. Mijn bezwaren daartegen – in ieder geval waar het gaat om zaken met slachtoffers [2] – zijn dan ook van juridische en praktische aard.

Welbeschouwd toont de Hoge Raad een scherper oog voor de belangen van kinderen en de inhoud van het IVRK (en het EVRM) dan rechters die uitsluitend de rechten van jeugdige verdachten meewegen en die van hun slachtoffers onbesproken laten.

Ward Ferdinandusse
Officier van justitie bij het Landelijk Parket en Bijzonder Hoogleraar Internationaal Strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen

Naschrift
Niet ontkend kan worden dat de positie van slachtoffers een steeds belangrijkere rol is gaan spelen in strafzaken. Dat is ook een prima ontwikkeling. Dit betekent echter niet dat het recht van een jeugdige verdachte op een snelle afdoening van zijn strafzaak dan maar nagenoeg volledig genegeerd moet worden.
Het recht op een snelle afdoening bij jeugdzaken blijft onverkort gelden, ondanks het belang van het slachtoffer. Anders dan Ferdinandusse betoogt, ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het nakomen van beide uit internationale verdragen voortvloeiende verplichtingen wel degelijk bij de minister van Veiligheid en Justitie. Zoals bijna altijd in het leven gaat het vooral om geld. Als de overheid de belangen van slachtoffers daadwerkelijk serieus zou nemen dan dient de overheid er voor te zorgen dat zowel de politie, het openbaar ministerie als de rechtbanken voldoende middelen krijgen om jeugdzaken conform de Kalsbeeknormen af te handelen. Als de minister het mogelijk gaat maken dat jeugdzaken in de toekomst sneller worden afgehandeld en daardoor ook slachtoffers sneller genoegdoening krijgen, al dan niet in de vorm van een schadevergoeding, dan zullen alle jeugdrechters in Nederland dat ten zeerste toejuichen. Ik maak samen met officier van justitie Ferdinandusse graag een afspraak met de minister van Veiligheid en Justitie om hem duidelijk te maken dat het anders moet en ook kan en dat beide belangen gezamenlijk kunnen worden gediend.

Ronny van de Water
jeugdrechter in Rotterdam en Amsterdam van 2003 t/m 2013
thans rechter-commissaris te Amsterdam.

Voetnoten:
[1] Ik neem in ieder geval aan dat met de verwijzingen naar “art. 9a Sv” in het blog van Van de Water art. 9a Sr wordt bedoeld.
[2] Voor slachtofferloze delicten zijn het toepasselijk internationaal recht en de vereiste belangenafweging vanzelfsprekend bepaald anders, en zie ik niet goed in waarom niet-ontvankelijkheid ook voor extreme gevallen van termijnoverschrijding in jeugdzaken uitgesloten zou moeten worden. Echter, noch in de besproken vordering tot cassatie noch in de daarin aangehaalde feitenrechtspraak wordt enige aandacht besteed aan dit onderscheid. De vordering tot cassatie is bovendien gericht tegen een vonnis betreffende diefstallen en in de context geplaatst van vele vonnissen betreffende tal van ernstiger delicten met slachtoffers. Bij die stand van zaken kan men moeilijk de Hoge Raad verwijten niet ambtshalve dieper in te zijn gegaan op het onderscheid tussen slachtofferloze delicten en andere strafbare feiten.