Passie binnen het recht, maar welke passie en met welk recht?

Rinus Otte
Meillo-lezing 8 oktober 2015

1. Inleiding

Aan mij is gevraagd te spreken over de wijze waarop de vrijheid van meningsuiting wordt uitgeoefend in het algemeen en jegens de rechtspraak in het bijzonder. De andere twee sprekers Wijnberg en Duursma menen dat dit recht vrijwel ongebreideld kan worden uitgeoefend respectievelijk dat er paal en perk aan de verbale vernielingen moet worden gesteld. Ik kies een andere invalshoek. Ik schaar passie gemakshalve gelijk aan vrijheid van meningsuiting, want de vrijheid van spreken wordt vaak benut als er boosheid of andersoortige emotie in het spel is. Gepassioneerd wordt iets bestreden of verdedigd. Ik ben voor deze bijdrage blijven hangen bij die passie. Daar hang ik mijn verhaal aan op en waarbij mijn invalshoek is dat de rechtspraak eerst het eigen huis op orde moet hebben voor men zich boos maakt over de houding van politici, burgers of journalisten die te schielijk en te vrijuit zouden spreken en oordelen over de (kwaliteit van de) rechtspraak.

2. De kracht en het gevaar van passie

Wat is passie? Een sterk gevoel van liefde, hartstocht, (aan)drift, een groot verlangen naar iets, gemoedsaandoening, vurigheid, ijver, overgave, grote inzet.

Elie Wiesel bracht ons de volgende overlevering, die hij op zijn beurt weer ontleende aan het Chassidische verhaal van de Baäl Shem. In tijden van nood ging een rabbi naar een geheime plaats in het bos, stak daar een vuur aan, bad een gebed en de ramp werd afgewend. In later tijden van nood ging opnieuw een rabbi naar het bos, maar hij wist de plaats niet meer te vinden, maar wist nog wel het vuur aan te steken, het gebed te bidden en de ramp werd opnieuw afgewend. In de daaropvolgende generaties verdween steeds een deel van de magische mogelijkheid. Na Auschwitz vroeg Elie Wiesel zich af of hij door het verhaal te vertellen nog voldoende zeggingskracht bezat om een eerstvolgende ramp af te wenden. Waar vinden we de woorden die de ziel uitdrukken en die spreker en de toehoorder verbinden en die effect resulteren?

Het gaat niet alleen om passie, maar het moet ook om waarachtige passie gaan. De oprechtheid, de authenticiteit, wordt kennelijk een voorwaarde geacht om als toehoorder begeesterd te raken. Een voorbeeld. Als vandaag tijdens een hoorzitting in de Tweede Kamer wordt gesproken over de zorgen van de rechtspraak dat enkele kantoorlocaties moeten sluiten en gepassioneerd wordt geschetst hoe veel verder de rechtzoekende straks moet reizen, gaat het dan om waarachtige passie of om het eigenbelang van rechters en medewerkers dat een deel (langer) moet forenzen?

In veel poëzie, literatuur, theologische en filosofische beschouwingen wordt de woordinflatie gevreesd. De taal is vol van passie, ook het werk is ervan doortrokken geraakt. Stond de ambachtsschool vroeger symbool voor te versmaden handwerk, tegenwoordig wil ook een magistraat ambachtelijk werk leveren. Authentiek, eerlijk, waarachtig handwerk, met het liefst de suggestie dat het vonnis met de kroontjespen is geschreven. De moderne mens zoekt passie en dat wordt hem voluit geboden in de reclame: er is geen koffie- of schoenmaker te vinden die niet op ambachtelijke wijze en met passie de koffie maalt of de schoenen lapt. Kom tegenwoordig nog eens een gewone personeelsmedewerker tegen. Het zijn HRM-ers geworden die de doorsnee sollicitant bijbrengt dat het gaat om ambachtelijkheid en passie die de werkgever zoekt, liefdevolle betrokkenheid, werkend vanuit zijn persoonlijke identiteit, iemand die passievol de schoenen lapt, het brood bakt en dus ook recht spreekt. De rechter moet tegenwoordig verbindend zijn, in nauwe samenwerking met zijn omgeving de rechterlijke uitspraak vormgeven, rechtsstatelijk zijn en zo verder.

Maar of de passievolle woorden authentiek zijn, wel of niet gedekt door bijpassend gedrag, de mens is immer op zoek naar betekenis, naar zingeving, naar datgene wat er daadwerkelijk toe doet. Passie is echter om te vrezen omdat met hartstocht volkeren zijn uitgemoord. Passie moet dus aan goede waarden worden opgehangen. Maar ook dan heb ik aarzelingen omdat de gepassioneerde spreker meestal met principes en beginselen komt die veelvuldig niet tot vervulling leiden, waarna de teleurstelling overheerst. De schuld wordt vervolgens gezocht in het ontbreken van de goede bezieling of betere bestuurders of in een containerbegrip als bureaucratie. Passie leidt dus vaak tot eisen van de gepassioneerde pleiter aan de omgeving, de organisatie, het systeem etc.

Passie is tegelijkertijd broodnodig, zonder bezieling komt het volk om. Passie is dus om te vrezen en om naar te verlangen. Maar omdat passie op zich een leeg begrip is, moeten we op zoek naar definities van passie die sporen met de oude zoektocht en tegelijkertijd recht doen aan de moderne behoeften. U kent de uitdrukking: als de vos de passie preekt, boer pas op je kippen. Het motto dat ik probeer uit te werken is dat de magistraat zich pas druk mag maken over de wijze waarop de burgerij de toebemeten vrijheid van meningsuiting benut, bijvoorbeeld zich gepassioneerd te buiten gaat met meningen over in hun ogen waardeloze rechtspraak, als de magistratuur de eigen passie in bedwang heeft. Kan de rechter zich druk maken over het geclaimde gelijk van de buitenwacht als hij het eigen gelijk niet relativeert en andere rechters de maat neemt?

3. Niet de passie maar wet en beperkingen staan centraal

Laat ik u vertellen van mijn eigen zoektocht waarbij ik zal proberen enkele gedachten te ontwikkelen over de relatie tussen de bestuurlijke en de individuele verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de vervolging respectievelijk het strafproces. Ik stel voorop dat, anders dan Wijnberg bepleit, de officier van justitie en de rechter niet individueel rechtspreekt of recht vordert, maar namens het gerecht respectievelijk het grotere openbare ministerie. Het lijkt een individuele verantwoordelijkheid voor de handtekening die de strafrechter onder het vonnis of arrest of de officier van justitie onder de tenlastelegging plaatst. Desondanks is er een collectief en een individueel bewustzijn nodig om tot een verantwoorde vonniswijzing of vervolging en requisitoir te komen.

Een eerste voorbeeld over verantwoorde kwaliteit. Als magistraten een gepassioneerd beroep doen op de particuliere kwaliteit van werken die hun juridische of persoonlijke geweten hen ingeeft is dat niet eenvoudig te beoordelen. Gewetensvorming is van het grootste belang, aan magistratelijke meelopers is geen behoefte, rechterlijke durf om in raadkamer, in de organisatie en ook publiekelijk, stelling te nemen, is onontbeerlijk voor de vorming van het recht en de organisatie van het recht, maar is er een generiek standpunt denkbaar dat die gewetensvorming fundeert in een algemeen magistratelijk gedachtegoed dat elke magistraat met passie kan uitdragen? Het antwoord laat zich raden.

Een tweede voorbeeld. Als een chirurg in oorlogsgebied de ene na de andere zwaargewonde binnengebracht ziet worden, en zijn morfine is op, en hij heeft geen steriele apparatuur meer tot zijn beschikking, is de naar vredesmaatstaven primitief uitgevoerde operatie dan geen topprestatie meer? Vanuit professioneel perspectief en vanuit het perspectief van de patiënt? Als hij anders in de loopgraven was doodgegaan, heeft de zwaargewonde zijn leven te danken aan deze oorlogsarts en maalt hij niet om dat grotere litteken. En als hij overleden was? Ook dan had hij gelet op de omstandigheden van dat moment de optimale zorg gehad. Zo is het ook met principes van organisatorische en vermeend magistratelijke aard. U en ik maken het recht naar de maatstaven van dit moment, waarbij er een voortdurende oorlog in onszelf woedt om als arts de klus te klaren met de per definitie beperkte materialen die de legerleiding ons aanreikt en waarbij we ons niet moeten gedragen als elke topkok die de beste ingrediënten ambieert voor hij zijn culinaire hoogstandje presenteert. We moeten het doen met de juridisch medewerkers die we krijgen, met de leiding die over ons is gesteld, met de schaarser wordende tijd om ons voor te bereiden voor we de zittingzaal of de ZSM-ruimte betreden. We moeten ons niet richten op het particuliere optimum in onze eigen hoofden, maar op de minimum rules waarmee rechters en officieren van justitie een fair proces genereren voor al die gewonden die in de juridische operatietent worden aangevoerd.

Hierna geef ik u drie begrenzingen waarbinnen passie binnen de rechtspraak zou kunnen opbloeien.

4. De eerste begrenzing : de magistraat wordt geacht de organisatorische wetten, regels en mores eigen te maken.

Velen van u kennen het indrukwekkende, korte verhaal van Franz Kafka “Voor de wet”.

Een man wil toegang tot de Wet en nadert de poort, waar de wachter hem keer op keer tegenhoudt en zegt dat hij niet nu maar mogelijk wel een volgende keer mag binnengaan. Gedurende de daaropvolgende jaren kijkt de man naar de wachter en verzucht vertwijfeld hoe hem de toegang geweigerd kan worden: de Wet moet toch altijd toegankelijk zijn voor iedereen? Naarmate hij het einde van zijn leven nadert neemt de glans van de Wet toe, onweerstaanbaar. In zijn stervensuur vraagt hij aan de wachter waarom niemand anders dan hij toegang tot de Wet heeft gevraagd. De wachter zegt hem: “Niemand kon hier toegelaten worden, want deze toegang was alleen voor jou bestemd. Ik ga nu weg en sluit de poort.”

De toename van de bevolking, de ontwikkelingsgraad van de samenleving en de groei van het aantal beschermenswaardige publieke rechtsgoederen hebben geleid tot een exorbitante wetten- en regelgroei. Wet- en regelgeving kunnen bloeien als de burger zich deze eigen maakt. De bekendste juridische fictie luidt dat de burger wordt geacht de wet te kennen. Deze fictie genereert het perspectief van de vrije burger die toegang tot de wet zoekt om het doel van de wet te helpen realiseren, de samenleving te helpen ontwikkelen en daardoor er ook zelf van te profiteren. In deze benadering is het dienen van de wet eveneens dienstig aan de persoonlijke ontwikkeling. De verantwoordelijkheid ligt bij de actieve burger als drager van rechten en plichten die gemeenschapsdoelen kan laten slagen. Deze participatie langs lijnen van de wet is niet vrijblijvend en wordt niet overgelaten aan de burger zelf. Was het niet Kennedy die de burger probeerde te verleiden met de opmerking dat de burger niet moet vragen wat het land voor hem kon doen, maar wat hij voor het land kan doen?

De magistraat kan zich spiegelen aan de wettelijke en jurisprudentiële kaders die hij in zijn werk aan de justitiabelen en andere rechtsgenoten voorhoudt. De burger wordt geacht de wet te kennen die op het specifieke maatschappelijke terrein betrekking heeft en zich op die vaak onbekende wetten te oriënteren voor hij de geambieerde handeling uitvoert. Deze fictie is de kern van elke magistratelijke instrumentenkist. In datzelfde verband dient de magistraat zich binnen de organisatie evenzeer te oriënteren op de organisatorische spelregels. Hij moet zich de regels eigen maken rond de administratie en de juridisch medewerkers. Het is aan hem om goed en opbouwend om te gaan met de beperkingen die elke organisatie per definitie kenmerken, of het nu om schaarse zittingen gaat of om andere meer organisatorische gegevenheden die voortvloeien uit de bestuurlijke kaders. Mijn eerste motto luidt: de goede magistraat zoekt de ruimte binnen de organisatorische wetten, regels en mores en in beginsel niet daarbuiten.

Het hiervoor samengevatte verhaal van Kafka is gedateerd in 1914. Weet u nog, als leidraad hanteerde ik de hypothese dat de norm uit wet, regel of afspraak de adressant van de norm, mens of organisatie, kan vrijmaken. De juridische en organisatorische vrijmaking vindt plaats via begrippen als afstand en beperkingen. Deze begrippen staan ogenschijnlijk op gespannen voet met het vrijheidsbegrip. De waarachtige magistraat wordt gekenmerkt door onbevangenheid en verdraagzaamheid naar andere magistraten en de leiding en door uithoudings- en relativeringsvermogen jegens de organisatorische en maatschappelijke condities die wijzigen per tijdsgewricht. Het ligt niet aan de organisatorische regels die ons worden gesteld en die ons of ons magistratelijkheidsbegrip knechten, maar het ligt aan onze eigen geest of dromen over ambachtelijkheid die ons beperken. Het is de (organisatorische) passiviteit van de rechter die lijkt op de passieve wetzoeker uit het verhaal van Kafka en die hem meer knecht dan de beperkingen die hij buiten zichzelf denkt aan te treffen.

5. De tweede begrenzing: actief burgerschap in de magistratuur is een plicht geworden

De vraag die mij steeds meer bezighoudt is of de publieke belangen van tijdige en accurate strafvordering afhankelijk mogen zijn van de vraag of de magistraat zich wel of niet committeert aan organisatorische wetten. De ontvankelijkheid voor de samenleving, de openheid voor grootse begrippen als recht en gerechtigheid liggen bij de toegang zoekende magistraat die wars van welk gevecht om schaarste zijn eigen magistratelijke – twijfelende, zoekende en reflecterende – houding scherpt. In deze optiek is de leiding van het parket of gerecht afhankelijk van de actieve officier van justitie en rechter. Maar onbevangen activisme komt meestal niet vanzelf. In dat licht heb ik een verband gelegd met de juridische fictie uit de rechtszaal dat de (verdachte) burger geacht mag worden de wet te kennen en naleving heeft te garanderen. In gelijke zin mag de rechterlijk ambtenaar gedrongen worden zich actief op te stellen, actief burgerschap te ontwikkelen, om niet alleen zichzelf maar ook de rechterlijke organisatie verder tot bloei te brengen. Anno 2015 wordt de ontwikkelingsgraad van de rechterlijke organisatie mogelijk te afhankelijk gemaakt van de keuze van de rechter en de officier van justitie om wel of niet actief te participeren in de bestuurlijke noden van de organisatie. Misschien moeten we het verhaal van Kafka wel een nieuwe vertaling geven en in hoger tempo toegroeien naar meer verleiding of drang ‘van bovenaf, vanuit de leiding’, en de magistraat de organisatorische wetten binnentrekken. De magistraat dient zich te schikken in de organisatorische ordening en deze tot bloei te brengen, in samenspraak met en afhankelijkheid van zijn (omgeving aan) ondersteuning en bestuurlijke randvoorwaarden. Mijn tweede motto luidt: actief burgerschap in de magistratuur is een plicht geworden. Deze plicht vergt een moderne vertaling zodat de in onze huidige tijd zo gepropageerde persoonlijke ontplooiing wordt gehonoreerd als deze dienstig is aan de verdere ontwikkeling van de organisatie. Nota bene: dit wordt geen lopende bandmentaliteit. Individueel maatwerk spoort met de individuele toegang tot de organisatorische wet, zoals de wetzoeker bij Kafka zijn eigen toegang tot de wet probeerde te vinden.

Er is leiderschap nieuwe stijl nodig die de magistraat noopt om met zijn talenten binnen de bestuurlijke kaders met oplossingen voor de dagelijkse problemen te komen en daarover bovendien verantwoording af te leggen. In mijn perspectief worden magistraten meer genoodzaakt vrijheid te nemen, te benutten en zelfoplossend vermogen te ontwikkelen binnen bestuurlijke verantwoordingsmodellen. Afgedwongen vrijheid en activisme door de leidinggevende poortwachter, hoe zou het verhaal van Kafka na 100 jaar herschreven kunnen worden? Herschreven op een wijze die een ander soort burgerschap voor de magistraat oplevert. Zoals gezegd, dit nieuwe magistratelijke burgerschap vertoont gelijkenis met het burgerschap dat wordt opgelegd aan de burger aan wie die (rechterlijke) overheidsdienaar via zijn vervolging en vonnis probeert leiding te geven.

Vervolgen en rekwireren komt vooral neer op tijdig beslissingen durven nemen en deze langs de juiste wijze van bejegening tot stand laten komen en volgens de minimum rules die nodig zijn voor een eerlijk proces. Indien dit wordt gerealiseerd dient de leiding van het openbaar ministerie en de rechtspraak terug te treden en minder eenheid van werken na te streven, maar juist beargumenteerde diversiteit toe te staan. Aanvaarding van diversiteit door de leiding genereert individualiteit van werken en voor sommigen verlaging van de werklast. Omgekeerd geldt: Aanvaarding van productienormen en protocollen rond elke fase van de gedingvoering, ook als deze zwaarder worden, en de zaken tijdig te doen, genereert een plicht voor de individuele magistraat om innovatief hoofd- en bijzaken te scheiden, langs hoofdlijnen te denken bij de beslissing, zich strafvorderlijk verplicht te voelen slimmer te lezen en de attitude van adeldom in het eigen hoofd te ontwikkelen.

6. De derde begrenzing: Vrijheid ontstaat in de beperking

Niemand, dus ook een magistraat niet, wil vrijblijvend sterven. We willen er toe gedaan hebben, enig verschil hebben gemaakt in wat we aan werk hebben geschapen. De meeste aanwezigen zullen dat beamen, ook voor zichzelf. Dat er toe doen ontstaat niet langs landelijke en daarmee eveneens vrijblijvende standaarden, resulteert ook niet in een ruimere tijdsbesteding, maar wordt geboren in de uniciteit van onze buffelende en niet klagende houding. Elke slager, voetballer, vertegenwoordiger, ambtenaar, wij als magistraat, wil vrij zijn, eigenlijk net als elk mens die zijn leven het liefst wil vormgeven naar eigen inzicht. Bij de toenemende schaarste aan geld en menskracht lijkt onze vrijheid te verminderen. Ik geef u mijn derde motto mee: De vrijheid van strafvorderlijk werken ontstaat in de beperking. De beperking dwingt ons als magistraat om verstandig met schaarse tijd om te gaan, processtukken slim te lezen, beter gebruik te maken van de medewerkers die ons zijn toebedeeld. Een groeiende vakervaring kan ons boven de materie plaatsen en – met de jaren komende – know how kan ons leren hoe we adequater en beter kunnen werken.

Pas als we de beperkende juridische, wettelijke en organisatorische kaders aanvaarden zoals ze zijn, niet omdat de scheppers zo verheven zijn, maar omdat er nu eenmaal altijd regels en grenzen zullen zijn, pas dan en niet eerder, zullen we ons een vrije magistraat kunnen noemen die relatief onthecht van enig organisatorisch of maatschappelijk kader onafhankelijk en onpartijdig een ambt uitoefent. Daarmee worden we van ambtenaar ambtsdrager. Dat magistratendom zullen we dag na dag moeten bevechten, wordt vaak niet bereikt, maar dat op weg zijn is ook magistratelijk van aard. Het gaat om het gevecht in ons eigen hoofd om onbevangen te zijn en te blijven, zodat we de poort van de wet uit het verhaal van Kafka binnengaan en ons waarlijk vrij kunnen voelen.

7. De motto’s van het verhaal

Ik werk toe naar het eind van mijn verhaal. Verbeter de wereld en begin bij jezelf, zo luidt de oude uitdrukking. Ik gun iedereen passie en gepassioneerd leven en werken, maar vaak wordt die passie afhankelijk gemaakt van omstandigheden, van anderen, en minder van onze eigen inzet. De goede passie ontstaat uit de behoefte dienend te zijn aan de omgeving en ontspruit aan de wens om anderen en de omgeving tot hun recht te laten komen. Jegens individuele slachtoffers, verdachten, collega’s, van stagiaires tot de leiding kan het gevoel (verder) worden ontwikkeld dat ons eigen gelijk ondergeschikt kan en vaak moet zijn. Niet uit onderdanigheid maar uit overtuiging om het grotere geheel belangrijker te achten dan onze eigen projecties hoe die wereld en organisatie om ons heen er uit moeten zien. De goede passie komt bovenal tot stand in zelfbeheersing en in het onszelf disciplineren in bijvoorbeeld het nakomen van onze (wettelijke) taken en verplichtingen.

De ware passie zit in het kleine dagelijkse gevecht om een goede bejegening van collega’s en procespartijen na te streven, om buffelend ons werk tijdig af te hebben, ons niet te verontwaardigen maar te verwaardigen om naar eigen eer en geweten de wettelijke, jurisprudentiële, beleidsmatige en organisatorische kaders te internaliseren. Het dagelijks leven van de magistraat lijkt niet groots of meeslepend. De dagen verglijden met de kleine worstelingen om het werk van alledag voor elkaar te krijgen, wat vaak niet lukt, in de avond nog doorgaat en wat het leven van de goede rechter en officier van justitie consequent doordesemt. Pas als we die kleine passie worstelend eigen maken kunnen we de grote gepassioneerde woorden over recht en gerechtigheid eigen en waar maken en kunnen we ons mogelijk met gepassioneerde woorden uitlaten over de kritiek van de buitenwacht. Wie de kleine passie eert is de grote meer dan weert!

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Deze bijdrage is een vrije bewerking van de door Rinus Otte uitgesproken Meillo-lezing op 8 oktober 2015 in de Amsterdamse Rode hoed.