De Hoge Raad heeft niets met kinderen (en het IVRK [1])

Ronny van de Water

Jeugdrechters kunnen het nog steeds niet goed uitleggen aan hun jeugdige clientèle: waarom, veel relatief eenvoudige, zaken vaak pas na 24 maanden of langer worden afgedaan. Bij een vonnis na zo een lange tijd na de pleegdatum ontbreekt vaak elk pedagogisch effect, hetgeen bij jeugdzaken voorop staat. Al tijdens een studiedag in 2012 van de (toen nog) sector Strafrecht van de rechtbank Amsterdam spraken de jeugdrechters de toenmalige president van de Hoge Raad, Corstens, tijdens een toespraak aan over de door de Hoge Raad gehanteerde redelijke termijn van zestien maanden in jeugdzaken en het verbod op niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Corstens gaf in een korte reactie te kennen dat de jeugdrechters wellicht een punt hebben en nodigde hen uit een poging te wagen de Hoge Raad op andere gedachten te brengen.

De Amsterdamse jeugdrechters pakten deze handschoen op. En al snel volgde een aantal uitgebreid gemotiveerde vonnissen waarbij wegens een ernstige overschrijding van de redelijke termijn het openbaar ministerie niet ontvankelijk werd verklaard [2]. Ook andere rechtbanken (o.a. Rotterdam en Roermond) oordeelden eerder al kritisch over onnodig forse overschrijdingen van de redelijke termijn in jeugdzaken en spraken een niet ontvankelijkheid uit. Vooral in haar vonnis van 7 oktober 2013 motiveert de rechtbank Amsterdam, met verwijzing naar diverse nationale en internationale (verdrags)bepalingen, uitgebreid waarom de oude leer van de Hoge Raad (dat er geen redenen zijn voor een andere benadering van jeugdzaken) niet meer houdbaar is [3].

De Gerechtshoven Den Haag en Amsterdam hielden echter vast aan de leer van de Hoge Raad. Het Hof Arnhem oordeelde wel dat er ruimte is voor een niet ontvankelijkheid. Gezien de verschillende opvattingen in de echtspraak is door mr. L.M.A. Schwartz, jeugdrechtadvocaat te Amsterdam aangedrongen op (sprong)cassatie in belang der wet teneinde zo spoedig mogelijk duidelijkheid te krijgen of de Hoge Raad bereid was wel rekening te houden met de bijzonder positie van het jeugdstrafrecht.

AG Spronken betoogt in een zeer uitgebreide conclusie dat er voldoende juridische en maatschappelijke aanleiding bestaat om zowel de mogelijkheid van niet ontvankelijkheid in jeugdzaken open te laten alsmede om bij jeugdzaken een kortere termijn te hanteren voor de redelijke termijn dan zestien maanden. Spronken verwijst daarbij naar een veelvoud aan internationale en nationale bepalingen die aan de overheid de verplichting opleggen om jeugdzaken met de nodige voortvarendheid te behandelen. Deze verplichting vloeit voort uit: Artikel 6, eerste lid EVRM; artikel 14, derde lid, IBPR; artikel 40, tweede lid IVRK; artikel 20 van de Beijing Rules 1985; General Comment no. 10 (2207) Children’s rights in juvenile justice; General comment no. 14 (2013) on the right of the child to have his or her best interests taken as a primary consideration; artikel 24, tweede lid van het handvest van de grondrechten van de EU; artikel 13 van het voorstel voor de Richtlijn betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure; de Kalsbeeknormen; de aanwijzing effectieve afdoening strafzaken jeugdigen, thans Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief stafmaten Halt. Spronken verwijst ook naar opvattingen in de literatuur van onder ander gezaghebbende deskundigen op het gebeid van jeugdrecht als Doek en Vlaardingenbroek. Dezen zijn van mening dat de Hoge Raad de bijzondere positie van jeugdigen niet voldoende onderkend in de eerdere arresten over de redelijke termijn in jeugdzaken.

In de kern komt het standpunt van AG Spronken er op neer dat jeugdzaken onverwijld snel voor de rechter dienen te worden gebracht en afgedaan. Nederland heeft zichzelf daarbij middels de Kalsbeeknormen en de Richtlijn strafvordering jeugd de inspanningsverplichting opgelegd om zaken in eerste aanleg binnen zes tot acht maanden af te ronden. Deze termijn is in overeenstemming met de termijn van zes maanden die wordt genoemd in het General comment van het comité van deskundigen van de VN. In de vele zaken waarbij in eerste aanleg de niet ontvankelijkheid is uitgesproken was deze termijn, maar ook de zestien maanden termijn van de Hoge Raad, steevast zeer fors overschreden zonder dat daarvoor een verschoonbare reden aanwezig was.

Het arrest van de Hoge Raad van 8 september 2015 is om meerdere redenen zeer teleurstellend. Allereerst omdat de Hoge Raad nauwelijks ingaat op de vele argumenten die door AG Spronken zijn aangedragen. De Hoge Raad handhaaft (weliswaar met iets meer woorden dan in het vorige arrest over dit onderwerp) de leer dat er geen redenen zijn bij de redelijke termijn om onderscheid te maken tussen het jeugdstrafrecht en het volwassenenstrafrecht. Dat is wel erg beperkt: bij zo een veelvoud aan valide argumenten aangedragen door de AG mag van de hoogste rechterlijke instantie op zijn minst worden verwacht dat deze argumenten met een gedegen motivering worden verworpen. De indruk wordt op deze wijze gewekt dat de Hoge Raad – om andere dan juridische redenen – er gewoon niet aan wil. Dat valt niet goed te begrijpen. Waarom wil de Hoge Raad de overheid niet houden aan de eigen norm zoals geformuleerd in de Kalsbeeknormen en de Richtlijn strafvordering Jeugd?

Het is niet voor het eerst dat de Hoge Raad er blijk van geeft weinig oog te hebben voor jeugdigen. Al eerder in 2008, in het arrest van de Hoge Raad [4] ten aanzien van de DNA afname bij veroordeelde minderjarigen motiveerde de Hoge Raad niet waarom minderjarigen (in weerwil van duidelijke rechtsnormen die anders stelen) wél gelijk aan volwassenen moeten worden behandeld. De Hoge raad overwoog uitsluitend: zodanige generieke uitzondering kan niet aan het IVRK worden ontleend. Waarom dat niet het geval is? Dat gaf de Hoge Raad toen net als nu simpelweg niet aan [5].

Zeker, de Hoge Raad heeft uitgesproken dat “een mogelijk voortvarender afdoening onmiskenbaar gewenst is”. Maar dat is veel te weinig. Door zo alleen maar een heel klein beetje te keffen (blaffen mag je het niet noemen) en zeker niet te bijten zal men op het ministerie van Veiligheid en Justitie als verantwoordelijke voor de naleving van de verdragsrechtelijke verplichting niet echt aangespoord worden om zich daadwerkelijk in te spannen de eigen normstelling van zes maanden te realiseren.

Ondanks de teleurstellende uitspraak van de Hoge Raad van 8 september 2015 is het de vraag of de praktijk zich ten aanzien van de redelijke termijn neer moet leggen bij dit niet gemotiveerde arrest van de Hoge Raad. Feitenrechters zullen de zaken die te lang op de plank zijn blijven liggen, in weerwil van de Hoge Raad immers moeten blijven beoordelen aan de norm van artikel 40, tweede lid van het IVRK. Dit artikel heeft immers rechtstreekse werking en in combinatie met de aanwijzing van artikel 3, eerste lid IVRK (dat het belang van het kind als eerste dient te worden meegenomen in ieder te nemen beslissing) zijn de feitenrechters verplicht om gevolgen te verbinden aan een behandelingstermijn waarbij het opleggen van een straf geen enkel pedagogisch doel meer dient. In dergelijke gevallen ligt (overigens ook geheel los van het IVRK) toepassing van artikel 9a Sv, uiteraard waar geboden, voor de hand. Anders gezegd: voor toepassing van artikel 9a Sv in jeugdzaken hoeft er geen termijn van zestien maanden te zijn verstreken. Uiteraard zal het oordeel van de feitenrechter afhangen van de concrete omstandigheden van de zaak, waaronder de ernst van het feit. Veelvuldige toepassing van artikel 9a Sv zal er hopelijk toe leiden dat het ministerie van Veiligheid en Justitie de voortgang van jeugdzaken wel serieus gaat nemen, waardoor minderjarigen tijdiger en adequater op pedagogische wijze zullen worden bestraft.

Dat is in het belang van de maatschappij, waaronder slachtoffers, en de minderjarigen zelf. Bij snelle pedagogische bestraffing zal de kans op recidive lager zijn dan bij het uitblijven van een straf doordat zaken te lang op de plank blijven liggen.

Ronny van de Water
jeugdrechter in Rotterdam en Amsterdam van 2003 t/m 2013
thans rechter-commissaris te Amsterdam.

Voetnoten
[1] Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind.
[2] Al eerder hadden de Amsterdamse jeugdrechters het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard bij overschrijding van de redelijke termijn, maar daarbij ontbrak een uitgebreide motivering.
[3] Zie ook RBAMS:2013:6632 en RBAMS:2013:6633
[4] HR 13 mei 2008, JIN 2008/430
[5] Daarbij valt het op dat andere hoogste rechtscolleges in Europa alsmede het EHRM wel betekenis toekennen aan het IVRK en de General Comments.

Een gedachte over “De Hoge Raad heeft niets met kinderen (en het IVRK [1])

  1. Pingback: Rechter: Hoge Raad houdt niet van kinderen – Mr. Online

Reacties zijn gesloten.