23 jaar advocatuur

Vrijdag 18 september 2015, om 15.45 uur, stond ik voor het laatst als raadsman een cliënt bij ter zitting van een rechter, in dit geval de openbare raadkamer van de rechtbank Amsterdam. Na ruim 23 jaar strafrechtadvocatuur stap ik over naar de rechterlijke macht. Dat geeft aanleiding tot enige overpeinzingen over de advocatuur en mijn ervaringen binnen die beroepsgroep. Die ervaringen beperken zich overigens tot één enkel advocatenkantoor. Ik ben in 1992 door Peter Plasman binnengehaald op zijn kantoor en ben daar al die tijd gebleven.

Op de dag van mijn beëdiging waren er ongeveer 1600 advocaten werkzaam in het arrondissement Amsterdam, landelijk ongeveer 7500. In 2011 werd in Amsterdam, mede als
gevolg van de concentratie van grote advocatenkantoren aan de Zuidas, het aantal van 5000 overschreden. Dat aantal is de laatste jaren min of meer gelijk gebleven, verdeeld over ongeveer 1000 kantoren. Landelijk zijn er thans ruim 17.000 advocaten. De strafrechtadvocaten, hoewel dominant in de beeldvorming van advocaten, vormen een bescheiden deel van de totale beroepsgroep. De Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten telt momenteel ongeveer 500 leden.

De concurrentie tussen de strafrechtadvocaten is in de jaren onmiskenbaar groter geworden. Dat heeft niet in de laatste plaats te maken met een verminderde opbrengst uit de piketdienst. Leverde een piketdienst in Amsterdam in de jaren 90 steevast minimaal 5 meldingen op van in verzekering gestelde verdachten, thans zijn piketdiensten met slechts een enkele (Salduz-)melding niet uitzonderlijk. Waar dat aan ligt is mij niet helemaal duidelijk. Mogelijk een combinatie van meer advocaten, minder aangehouden verdachten en afdoening via OM beschikkingen waarbij de verdachte afziet van rechtsbijstand op het politiebureau.

Waar vroeger de verdachten nogal eens pas aan het einde van de werkdag werden bezocht door de advocaat – Yusuf Salduz was in 1992 nog maar net geboren – dient de advocaat thans binnen 2 uur na de melding consultatiebijstand te verlenen. Dat komt uiteraard de rechtsbijstand aan de verdachte ten goede, maar heeft wel tot gevolg dat het werk van de piketadvocaat spoedeisender en moeilijker is geworden. Vaak zitten de aangehouden verdachten tijdens het consultatiebezoek nog vol adrenaline, al dan niet onder invloed van pillen of alcohol. Voorts valt op dat het lijkt alsof meer aangehouden verdachten dan vroeger lijden aan een geestelijke stoornis.

In 1992 had ik vanzelfsprekend niet de beschikking over een computer met internet. Jurisprudentie- en literatuuronderzoek deed ik in de bibliotheek van de rechtbank. Wie zit er nu nog, met de op de eigen werkplek ter beschikking staande zoekmachines, in de bibliotheek te bladeren in gebundelde uitgaven van de Nederlandse Jurisprudentie? Bellen deed ik vanachter mijn bureau, een advocaat met een mobiele telefoon was in 1992 een uitzondering. Wat niet is veranderd is het veelvuldig gebruik van de fax. Dat kan over 10 jaar waarschijnlijk ook niemand zich meer voorstellen, althans als de Rechtspraak inderdaad binnen afzienbare tijd op grote schaal digitaal toegankelijk wordt.

Duizenden gesprekken heb ik gevoerd met cliënten, van vuurwerk afstekende pubers tot huurmoordenaars. Hoewel ik in aanvang heb gemeend dat je in de ogen van iemand kan zien of hij (meestal een hij) een echte boef is moest ik toch al snel erkennen dat het uiterlijk van iemand niets maar dan ook niets zegt over zijn criminele inborst. Talloze keren heb ik iemand verdedigd waarbij ik zelf werkelijk niet wist of hij het tenlastegelegde had gepleegd. Het is een misverstand te denken dat de cliënt steevast zijn advocaat in vertrouwen neemt. Zo nu en dan bekende de cliënt echter wel aan mij dat hij het feit had gepleegd waarna soms een zodanig vlekkeloos en overtuigend ontkennend verhaal van de cliënt op de terechtzitting volgde dat ik bijna ging twijfelen aan die eerdere bekentenis. Vreemd genoeg heb ik ook meermalen meegemaakt dat zo’n perfect liegende cliënt juist begon te stamelen als hij bij dat gedeelte van zijn verklaring kwam dat nu juist wel de waarheid bevatte. Van sommige cliënten weet ik tot op de dag van vandaag niet of ze terecht zijn veroordeeld. Van een aantal weet ik evenwel dat ze zich in de handjes mogen knijpen dat ze niet langdurig achter slot en grendel zijn gegaan.

Mijn laatste cliënt heet Mohammed. Ik ken hem sinds het midden van de jaren 90. In 2000 is hij door het gerechtshof Amsterdam wegens poging tot doodslag op zijn moeder
veroordeeld tot tbs met dwangverpleging. De behandeling is nooit van de grond gekomen, ondanks pogingen in meerdere klinieken. Hij verblijft alweer enkele jaren op de longstayafdeling in de Pompekliniek in Zeeland. Hij krijgt daar geen bezoek en hoewel hij zich vrij kan bewegen op de afdeling en een gedeelte van het complex komt hij nauwelijks uit zijn kamer. Zijn dagen brengt hij door met roken en tv kijken. En met eenvoudige arbeid dat hij op zijn kamer verricht. Vrijdag was de negende verlenging van de tbs aan de orde. Mohammed is altijd vol blijven houden dat hij ten onrechte is veroordeeld en er bovendien niets mis is met zijn geestvermogens. Hij weet dat niemand dat met hem eens is. Maar dat belet hem niet om bij elke verlengingszitting de rechter te verzoeken hem vrij te laten. Of het verzoek enige kans van slagen heeft is voor Mohammed niet maatgevend. Als in elk geval maar één persoon, zijn advocaat, achter hem staat. En dat is wat een advocaat doet.

Marcel van der Voet
Strafpleiter (tot 1 oktober 2015)