Waarom komt het voortbouwend appel niet van de grond?

Rick Robroek

Sinds 2007 kennen we in Nederland het voortbouwend appel:

a. het ontbreken van grieven kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het beroep,
b. toewijzing van onderzoekswensen kan aan strengere eisen worden gebonden en
c. de feitelijke behandeling kan zich ter terechtzitting concentreren op de grieven en de onderzoekswensen van procespartijen.

Kortom er kan nog heel erg veel op het terrein van de behandeling. Daarin zou de reden gevonden kunnen worden voor het feit dat het voortbouwend appel niet de gewenste opbrengst heeft in kwaliteit (meer tegensprekelijk geding, meer nadruk op eerste aanleg) en tijd (capaciteitsbesparend). De appelrechter heeft in die redenering nog te veel ruimte.

Een tweede benadering van het onvoldoende bloeien van het voortbouwend appel ziet andere problemen:

a. de appelrechter moet de strafzaak opnieuw beoordelen op grondslag van de tenlastelegging,
b. hij moet opnieuw alle vragen van 348 en 350 beantwoorden en
c. hij moet die beantwoording opnieuw motiveren.

Deze problemen zijn in wezen terug te voeren op één probleem en dat is dat het arrest van het hof moet voldoen aan dezelfde eisen als het vonnis in eerste aanleg. De appelrechter moet in deze redenering in beslistechnische zin te veel. De mogelijkheden die de wet de appelbehandeling biedt (dat wat dus allemaal kan) stuit af op wat de wet ten aanzien van de beslissing allemaal eist (dat wat allemaal moet).

Daarmee zijn de meeste klassieke benaderingen gegeven van het probleem waarom het voortbouwend appel niet van de grond komt. Namelijk dat de appelrechter nog te veel vrijheid heeft op het vlak van de behandeling of dat de appelrechter te veel moet bij het opstellen van zijn beslissing. Het probleem is in die benaderingen de wetgeving en die zou dan moeten worden aangepast. Of de appelrechter moet minder discretionaire mogelijkheden krijgen óf de appelrechter moet een wat flexibeler beslismodel worden gegund. In ieder geval zouden de behandeling en het beslismodel beter op elkaar moeten worden afgestemd.

Staat de wet of de rechter aan succesvol voortbouwen in de weg?
De vraag is of de twee klassieke benaderingen die er op uitkomen dat de problematische wetgeving aan een succesvol voortbouwend appel in de weg staat het probleem compleet definiëren. Kan het niet zo zijn dat het ligt aan de verschillende invulling die door rechters aan die wetgeving gegeven wordt?

Laat ik vooropstellen dat daar weinig mis mee is, want de wet biedt nu eenmaal die mogelijkheid. Een gegeven is echter dat er appelrechters zijn die weinig moeite hebben met het onvoldoende op elkaar aansluiten van behandeling en beslismodel. Die rechters maken gebruik van wat bij de behandeling allemaal kan: bij het ontbreken van grieven volgt in beginsel een niet-ontvankelijkheid, verzoeken worden spaarzaam toegewezen en op de zitting wordt slechts gesproken over datgene waarover de procespartijen willen dat het hoger beroep gaat. In raadkamer en bij het uitwerken van de beslissingen hebben ze vervolgens ook niet zoveel moeite met wat er allemaal moet. Veel beslissingen monden uit in bevestigingen nadat de beslissing in eerste aanleg is gecontroleerd. Wanneer die beslissing gecontroleerd wordt, indachtig wat procespartijen daarvan vinden, hoeft dit niet veel tijd te kosten. Het is een kwestie van het bekijken van de verweren en de wijze waarop de rechter in eerste aanleg daarop heeft beslist, van het bezien of de bewezenverklaring wordt gedekt door de bewijsmiddelen en of de straf wettelijk mogelijk is en aansluit bij wat het hof wil. Als dat laatste niet het geval is, kan er eventueel nog bevestigd worden met uitzondering van de straf. Ook dat is niet erg tijdrovend. Omdat voornoemde aspecten ook bij een vernietiging moeten worden nagelopen, heb ik nooit de aversie tegen bevestigingen begrepen.

Kortom sommige rechters hebben geen probleem met wat er beslistechnisch allemaal moet en maken optimaal gebruik van wat er allemaal kan. Zij hebben, anders gezegd, geen probleem met de huidige wetgeving.

Leidt een ander beslismodel tot meer voortbouwende rechters?
Deze alternatieve probleemanalyse maakt het allerminst vanzelfsprekend dat een beslismodel waarin de grieven centraal staan in plaats van de beslissing van de rechtbank (een model waaraan de minister lijkt te denken) de appelrechter daadwerkelijk meer zal laten voortbouwen. Een blik op het verleden laat zien dat van een nieuw beslismodel ook niet teveel moet worden verwacht. Kijk maar eens naar de wijze waarop de inhoud van arresten zich heeft ontwikkeld, laten we zeggen tussen pakweg 2002 en nu. Dan valt op dat in 2002 de arresten zonder voortbouwend appel veel korter waren dan de arresten anno nu met voortbouwend appel. Zoek op rechtspraak.nl maar eens op moordzaken van gerechtshoven in 2002 en vergelijk die met moordzaken van gerechtshoven in 2015. Duidelijker valt mijn punt niet te maken. Het probleem is niet het beslismodel of wat er beslistechnisch allemaal moet. Datgene wat moet is immers al die jaren hetzelfde gebleven en kan tamelijk kort zo bewijst het verleden. Het probleem is de wijze waarop hoven thans hun uitspraken plegen te motiveren.

Het is ook nog maar de vraag of appelrechters hun voortbouwende ambities niet kunnen waarmaken vanwege een gevoelde verantwoordelijkheid voor de vragen van artikel 348/350 Sv of meer met abstracte noties van rechtsbescherming en waarheidsvinding? Als dat laatste het geval is, zal een ander beslismodel ook op dat vlak geen winst opleveren. Met een beroep op de bescherming van de rechten van verdachte of de waarheidsvinding zullen er altijd appelrechters blijven die de hen beschikbare ambtshalve ruimte met het oog op die belangen breed zullen blijven benutten.

Het is dus niet alleen de vraag of het wel aan de wetgeving ligt dat het voortbouwend appel onvoldoende handen en voeten krijgt, maar het is ook de vraag of een beslismodel dat de grieven centraal stelt veel winst zal opleveren. Tijdtechnisch niet omdat nu ook al de meeste tijd zit in de motivering ten aanzien van grieven, maar ook in kwalitatief opzicht valt het effect te betwijfelen. Het huidige beslismodel heeft als voordeel dat de appelrechter de beslissing van de rechter in eerste aanleg moet controleren. Dat verdwijnt als een appelrechter zich slechts hoeft te richten op de grieven. Door in voorkomende te zaken te bevestigen en de ambtshalve bevoegdheid tot vernietiging terughoudend te hanteren, wordt een volle toets van het vonnis behouden zonder dat dit veel tijd hoeft te kosten.

Een interessant alternatief voor een ander beslismodel is overigens het voorstel van Knigge dat hij deed in zijn pre-advies voor de NJV in 1994. Dat voorstel komt er op neer dat de appelrechter de niet-aangevochten beslissingen zonder nadere motivering kan bevestigen als hij het daarmee inhoudelijk eens is. Alleen de onderwerpen waarover geklaagd is of waaraan de appelrechter ambtshalve aandacht wil besteden, komen in het arrest uitdrukkelijk aan de orde en zijn aldus vatbaar voor cassatie. Het voorstel van Knigge komt tegemoet aan de angst die appelrechters hebben bij bevestigen. Nu wordt bij bevestiging van het vonnis de motivering van de rechtbank overgenomen. Als ware het de motivering van het hof, staat die vol ter beoordeling in cassatie. In het voorstel van Knigge is dat niet het geval voor delen van het vonnis die worden overgenomen terwijl daar niet over is geklaagd en waaraan ook ambtshalve geen aandacht is besteed. Het voorstel van Knigge sluit naadloos aan bij de tijdigheid en de activiteit die van procespartijen wordt verwacht. Wil de appellant een antwoord op zijn bezwaren en wil hij dat dat antwoord in cassatie toetsbaar is, dan moet hij zijn bezwaren tijdig opgeven anders kan de appelrechter daar ongemotiveerd aan voorbij gaan. Een noodrem is er voor rechters die ambtshalve vinden dat er iets schort aan het vonnis in eerste aanleg. De kwaliteitstoets blijft dus behouden – het hof moet namelijk nagaan of het vonnis inhoudelijk deugt – maar appelrechters hoeven niet meer uit angst voor cassatie ieder vonnis te vernietigen en opnieuw recht te doen. Het voorstel van Knigge komt tegemoet aan belangrijke bezwaren van het huidige beslismodel alsmede die van een model waarin de grieven tegen het vonnis centraal staan. De eerdere opmerkingen indachtig blijft het wel de vraag of zijn voorstel nu tot substantieel meer voortbouwende appelrechters leiden zal.

Afschaffing van ambtshalve bevoegdheid: een onwenselijk maar begrijpelijk alternatief
Het zou wel eens zo kunnen zijn dat alleen afschaffing van de ambtshalve bevoegdheid daadwerkelijk zal leiden tot een meer voortbouwende appelrechtspraak. De vraag is echter of we die kant uit moeten wanneer er appelrechters zijn die hun ambtshalve ruimte op dit moment moeiteloos matchen met een voortbouwende taakopvatting. Die ambtshalve bevoegdheid is een kwalitatieve zegen van het huidige systeem die niet te snel moet worden opgegeven.

Dat neemt niet weg dat ik me kan voorstellen dat de wetgever iets wenst te doen aan ongebreidelde toepassing van de ambtshalve bevoegdheid van de appelrechter. Maar wil de wetgever daar daadwerkelijk iets aan doen, dan zal dat in mijn ogen alleen kunnen als die discretionaire bevoegdheid volledig verdwijnt:

– Zonder verzoeken, geen nader onderzoek;
– Zonder grieven, geen behandeling in hoger beroep;
– En geen behandeling en beslissing in hoger beroep buiten de grieven.

Dat is iets waar over zijn geheel genomen weinig draagvlak voor lijkt te zijn, maar misschien is dat wel niet te vermijden als de minister echt wil bereiken wat hij wil. De noodzaak wordt minder wanneer de appelrechter ambtshalve bevoegdheden echt als een noodrem gaat toepassen. Kortom: de rechter is op dit punt aan zet, of het beslismodel nu wijzigt of niet. En als de (appel)rechter daar niets mee doet, zou het ook hier wel eens zo kunnen zijn dat de rechter op termijn door de wijze waarop hij van zijn bevoegdheden gebruik maakt de nodige speelruimte kwijt zal raken. Dan zal het dus niet blijven bij zaken die aan de rechter worden onttrokken, maar zal ook de toetsingsruimte van de rechter worden beperkt.

Afronding
Ik kom tot een afronding. Niet de wetgever, maar de rechter zou wel eens debet kunnen zijn aan het feit dat het voortbouwend appel onvoldoende effect sorteert. In de gegeven wetgeving zijn een op de twistpunten toegesneden behandeling én kortere arresten namelijk wel degelijk mogelijk. Voor zover wetgeving zou moeten veranderen, is het de vraag of een beslismodel dat gericht is op grieven veel winst zal opleveren. Tegen overvloedig motiveren en de angst voor bevestigingen valt wel wat te doen door een recht op responsie en toetsing in cassatie te koppelen aan tijdige indiening van bezwaren. In een dergelijk systeem kan een terughoudende ambtshalve toets van het vonnis in eerste aanleg behouden blijven. Niet onwaarschijnlijk is echter dat alleen het afschaffen van iedere ambtshalve bevoegdheid voor de appelrechter er toe zal leiden dat over een bredere linie een voortbouwend appel tot stand komt dat effect sorteert. Van dat vooruitzicht word ik niet vrolijk. Dat neemt niet weg dat een dergelijk keus door de wetgever op termijn te begrijpen zou zijn. Op enig moment houdt het geduld van de wetgever op.

Rick Robroek
Wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Amsterdam

Dit blog is een bewerking van een op 29 mei 2015 gehouden co-referaat op de Landelijke Strafrechtdag in Nijmegen naar aanleiding van het referaat van Geert Pesselse waarvan een bewerking zal verschijnen in Strafblad 2015, nr. 4 (onder de titel ‘Voortdurend voortbouwend appel’).

Een gedachte over “Waarom komt het voortbouwend appel niet van de grond?

  1. Pingback: ‘Waarom komt het voortbouwend appel niet van de grond?’ ← BijzonderStrafrecht.nl

Reacties zijn gesloten.