Geen lichtvaardigheid, wel een lichtend voorbeeld

Peter Plasman

In zijn blog van 8 september jl. stelt Ferdinandusse dat de rechter-commissaris in Alkmaar wel heel lichtvaardig op de stoel van de wetgever is gaan zitten toen hij besloot om op verzoek van een verdachte het verhoor als bedoeld in artikel 59a Wetboek van Strafvordering eerder dan voorzien te doen plaatsvinden.
Ervan uitgaande dat Ferdinandusse niet zal bedoelen dat de rechter wel op die stoel mag gaan zitten als hij dat maar niet heel lichtvaardig doet is zijn standpunt interessant in het licht van de “stoelendans” die thans gaande lijkt. De benadering zou ook kunnen zijn dat wanneer de rechter tijdens die stoelendans constateert dat zijn stoel bezet is door de wetgever hij dan maar even op de stoel van laatstgenoemde moet plaatsnemen.

De serie “Kijken in de ziel” van Coen Verbraak gaf een mooi inkijkje in de worsteling die rechters soms kunnen hebben met (wan)producten van de wetgever. Te zien was dat Ferdinandusse gelijk heeft in zijn vaststelling dat de feitenrechter met enige regelmaat keuzes van de wetgever terzijde stelt. Mij doet dat deugd. Goed om de praktijk bevestigd te zien dat voor veel rechters de wet het beginpunt is. Nog beter om te horen dat rechters bij het nemen van hun beslissingen willen voorkomen dat strikte toepassing van de wet tot een onrechtvaardige uitkomst leidt.
Wat kun je eigenlijk anders verwachten van feitenrechters die ook met enige regelmaat evident als oekaze bedoelde beslissingen van de hoogste rechter naast zich neerleggen. Denk maar aan de niet ontvankelijkheid wegens schending van de redelijke termijn die ook nog steeds wordt uitgesproken.
In Den Haag wordt het gereedschap gemaakt (zowel op het Binnenhof als in de Kazernestraat) en in het land wordt ermee gewerkt. En als het gereedschap niet geschikt is voor de klus dan moet het worden aangepast, zonodig zelfs ander gereedschap gepakt.
Het meest aansprekende voorbeeld van het opzij schuiven van de wet door rechters vind ik nog steeds de gevangenisstraf van 1 dag (met aftrek …) die steeds meer wordt opgelegd om het absurde voorschrift van artikel 22 b WvSr te omzeilen; strikt genomen houdt de rechter zich aan de wet maar wat hier werkelijk gebeurt is duidelijk. Bij de problematiek rond de totstandkoming van dit artikel is overigens van meet af aan de vraag geweest wie nu op wiens stoel is gaan zitten.
En wat te denken van de rechter die een verdachte veroordeelt tot 12 jaar gevangenisstraf en een torenhoge schadevergoeding maar daarbij bepaalt dat bij niet betalen – slechts – 1 dag moet worden gezeten, omdat er bij meer dan 1 dag sprake zou zijn van dubbele bestraffing. En dat met de expliciete instemmming van het openbaar ministerie ter zitting. De wetgever is toch uitdrukkelijk van oordeel dat de schadevergoedingsmaatregel géén straf is.

Het zal Ferdinandusse niet als muziek in de oren klinken maar ik weet dat de meeste van mijn collega’s met mij nog steeds energie en hoop putten uit het feit dat veel rechters laten zien dat zij geen vonnissenfabriek zijn en dat zij recht willen spreken met inachtneming van alle omstandigheden van de voorliggende casus. En dat zij de uitkomst van hun werk ook voor hun rekening willen nemen.
Toen de wetgever zich bezig ging houden met wetgeving – de nieuwe minimumstraffen – die bij invoering zou leiden tot het nemen van ontslag door ervaren en integere rechters werd het definitief tijd te onderkennen dat soms ook bescherming tegen de buien en grillen van de wetgever nodig is. Voortvarende rechtspraak is een noodzaak.

Artikel 59a WvSv is evident tot stand gekomen in het belang van de verdachte, namelijk om te waarborgen dat hij “prompt” een oordeel krijgt over de rechtmatigheid van het optreden van de overheid die bezig is met vrijheidsberoving. Wanneer Ferdinandusse gelijk heeft met zijn kritiek op de rechter-commissaris in Alkmaar kan de wrange vaststelling gedaan worden dat de invoering van artikel 59a WvSv tegelijkertijd de rechten van de verdachte heeft aangetast.
Vóór de invoering van het artikel had de verdachte vrijelijk toegang tot de kortgedingrechter wanneer hij zijn vordering baseerde op onrechtmatig overheidsoptreden. Advocaten hebben in die tijd verschillende kortgedingrechters bereid gevonden om binnen 24 uur de vordering tot onmiddellijke invrijheidsstelling te behandelen en direct uitspraak te doen. Dat was met de inwerkingtreding van het betreffende artikel afgelopen, nu was daar toch een met voldoende waarborgen omgeven rechtsgang; de minister merkt ook expliciet op dat de kortgedingrechter niet langer bevoegd is (kamerstuknummer 21225, nr. 12, p. 4). Wanneer de rechter-commissaris niet in beginsel bereid zou zijn om een verhoor op grond van artikel 59a WvSv op verzoek van de verdachte bijvoorbeeld al op de eerste dag van de inverzekeringstelling te doen plaatsvinden is de verdachte er dus qua promptheid op achteruit gegaan.

De rechter-commissaris in Alkmaar weet dat hij binnenkort over de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling te oordelen krijgt. Hij hoort kennelijk van de advocaat van de verdachte argumenten die hem op de gedachte brengen dat hier wel eens sprake kan zijn van onrechtmatige vrijheidsberoving. Op een gemiddeld politiebureau wordt bij een dergelijke serieuze melding toch wel binnen een uur uitgerukt. Maar de rechter moet hier in de visie van Ferdinandusse lijdelijk blijven omdat hij anders zeer lichtvaardig op de stoel van de wetgever gaat zitten.
De wetsgeschiedenis laat er volgens Ferdinandusse geen misverstand over bestaan, er is geen recht voor de verdachte om op eigen verzoek de inverzekeringstelling te laten toetsen. Dat recht heeft de rechter-commissaris echter niet aan de verdachte gegeven. De betreffende verdachte heeft van de rechter-commissaris het recht gekregen om te trachten de rechtmatigheid eerder te laten beoordelen, met een verzoek dat voldoende concreet en nauwkeurig is gesteld. Dat is iets anders.

Zelfs wanneer de rechter-commissaris een buitenwettelijke mogelijkheid heeft gezien om aan een onrechtmatige detentie – echt “prompt” – een einde te maken: chapeau!
Maar was het wel buitenwettelijk?
Ferdinandusse merkt het ook al op, volgens de minister kan de verdachte “bij monde van zijn raadsman, proberen de rechter-commissaris te overtuigen van de noodzaak hem eerder dan tegen het aflopen van de eerste termijn van inverzekeringstelling te horen” (kamerstuknummer 21225. nr. 12, p. 4)
Ferdinandusse ziet dit naar mijn mening ten onrechte als het naar voren halen van de voorgeleiding. Dit standpunt van de minister ziet echter wel degelijk op de toetsing van de rechtmatigheid als zelfstandige behandeling, los van de voorgeleiding. Dat blijkt uit de context maar ook uit de tekst zelf. De minister spreekt over het eerder horen dan tegen het aflopen van de eerste termijn van inverzekeringstelling. Het horen in het kader van de voorgeleiding vindt niet altijd plaats tegen het aflopen van de eerste termijn van inverzekeringstelling, het kan ook tegen het aflopen van de tweede termijn. Dat geldt niet voor de toetsing. Bovendien, als het hier om de voorgeleiding zou gaan ontstaat de merkwaardige figuur dat de verdachte van de minister mag proberen de voorgeleiding te vervroegen maar de officier van justitie die poging kan dwarsbomen door met de vordering inbewaringstelling te wachten.
De verdachte deed wat hij volgens de minister kan doen en de rechter-commissaris in Alkmaar zat gewoon op zijn eigen stoel.

Wettelijk of buitenwettelijk, een rechter die korte metten wil kunnen maken met onrechtmatige vrijheidsberoving zie ik liever dan een systeem waarin dat overmorgen ook nog kan, omdat overmorgen goedkoper is.

Peter Plasman
Strafpleiter

Naschrift
Dat Plasman met mij van mening verschilt over wat thans geldend recht is, verbaast mij. Zowel de tekst van art. 59a Sv als de wetsgeschiedenis is toch heel duidelijk. Wellicht komt dit door een misverstand: anders dan Plasman in zijn eerste zin schrijft, heeft de RC in de door mij beschreven zaak niet een verhoor als bedoeld in art. 59a Sv eerder dan voorzien doen plaatsvinden. De RC merkt in zijn beschikking expliciet op dat hij ‘vanwege de vereiste spoed’ heeft afgezien van het horen van de verdachte. De RC heeft in plaats daarvan voorafgaand aan (en geheel los van) het in art. 59a Sv bedoelde verhoor op verzoek van de verdachte een oordeel gegeven over de rechtmatigheid van diens vrijheidsbeneming. Dat is exact wat in de wetsgeschiedenis wordt aangeduid als de habeas corpus-procedure.[1] Die mogelijkheid is door de wetgever overwogen en vervolgens bewust en expliciet afgewezen ten faveure van het huidige systeem waarin een verdachte krachtens art. 59a lid 4 Sv pas bij verhoor door de RC om zijn invrijheidstelling kan verzoeken, welk verhoor ter waarborging van de rechten van de van zijn vrijheid beroofde verdachte binnen drie dagen en vijftien uur na de aanhouding moet plaatsvinden.

Met Plasman zie ik graag een rechter die recht spreekt ‘met inachtneming van alle omstandigheden van de voorliggende casus’ en die de uitkomst van zijn werk ook ‘voor zijn rekening wil nemen’. De vraag hier is of de rechter voldoende in acht heeft genomen dat hij zich een bevoegdheid toe-eigent die de wetgever weloverwogen heeft afgewezen en die evenmin op het EVRM gebaseerd kan worden.

Ward Ferdinandusse
Officier van justitie bij het Landelijk Parket en Bijzonder Hoogleraar Internationaal Strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen

Voetnoot
[1] Zie met name kamerstukken 21225 nr. 10, p. 2: “De verdachte die is aangehouden, of de raadsman namens hem, kan na aankomst op de plaats van verhoor bedoeld in artikel 53, tweede lid, of artikel 54, eerste lid, zolang hij niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 59c, eerste lid, voor de rechter-commissaris is geleid, deze éénmaal verzoeken hem in vrijheid te stellen.”