Forensische ondersteuning strafrechters is niet vanzelfsprekend

Sinds enige tijd zijn er forensisch medewerkers werkzaam bij de secties strafrecht van verschillende rechtbanken en gerechtshoven. Zonder veel ophef vanuit de praktijk en de wetenschap lijkt de forensisch medewerker zich te hebben genesteld als een vaste ondersteuner van de strafrechter. Op de in 2012 gestarte pilot met forensische ondersteuning voor strafrechters in drie gerechten volgde in mei 2014 een positieve evaluatie.[1] Hierna is de forensische ondersteuning uitgebreid tot tien gerechten: zes rechtbanken en de vier gerechtshoven. De hulp van een niet-juridische ondersteuner bij de voorbereiding van strafzaken is echter niet vanzelfsprekend. Het roept fundamentele vragen op met betrekking tot de verantwoordelijkheid van rechter en het wettelijke uitgangspunt dat de rechter zijn oordeel moet baseren op hetgeen op het onderzoek ter terechtzitting aan de orde is geweest.

Een forensisch medewerker is – volgens de evaluatie – geen deskundige, maar een forensische generalist die als taak heeft om de rechter en de juridische medewerkers van de rechtbank te ondersteunen in het verkrijgen en hanteren van basiskennis op het gebied van forensisch wetenschappelijke expertises. Die taak kan op verschillende manieren worden uitgeoefend. Gedacht kan worden aan het geven van een algemene voorlichting binnen de rechtbank, aan het beantwoorden van algemene vragen van rechters over forensisch-wetenschappelijke onderwerpen en aan het verlenen van bijstand bij het toepassen van de forensische kennis op een deskundigenverslag. In de evaluatie wordt benadrukt dat de forensische medewerker de deskundigeninbreng niet zelf interpreteert, maar slechts de rechter in staat stelt om de deskundigenverklaring op waarde te schatten. Daarom is het volgens de initiators van het project het niet nodig dat de forensische medewerker bij het strafproces wordt betrokken. Net zoals bij een griffier/juridisch medewerker kan zijn betrokkenheid buiten het strafdossier worden gehouden.

Op zichzelf is er weinig tegen het gebruik van forensische ondersteuning binnen de rechtspraak. Vooropgesteld kan worden dat de rechter niet in staat is – of hoeft te worden gesteld – om het deskundigenbewijs inhoudelijk goed te kunnen beoordelen (overigens lijkt de evaluatie van de pilot hier wel van uit te gaan). Dat is onmogelijk. Een inhoudelijke beoordeling van de deskundigenverklaring kan alleen worden verricht door een daadwerkelijk deskundige. Maar het is wel nodig dat de rechter voldoende basiskennis heeft om te kunnen beoordelen of is voldaan aan de randvoorwaarden voor betrouwbaar deskundigenbewijs. De rechter kan deze basiskennis onder meer tot zich nemen via de beschikbare, forensische cursussen. Maar een cursus is niet altijd voldoende. Forensische ondersteuning kan er voor zorgen dat de basiskennis van de rechter wordt opgefrist of bij de tijd wordt gebracht.

Toch kunnen er wel drie kanttekeningen worden gezet bij de manier waarop vorm is gegeven aan de forensische ondersteuning.

1. Een forensisch medewerker is wel een deskundige in de materiële zin van het woord. Recent is in RM Themis mijn artikel getiteld: ‘Wat is een deskundige? Over het deskundigenbegrip binnen en buiten het (strafproces)recht’ verschenen.[2] Daarin heb ik gepleit voor het hanteren van een materiële definitie van het begrip deskundige in het stafproces in plaats van een formele definitie. Materieel gezien is een deskundige een persoon die op een specifiek kennisgebied een bepaald niveau van kennis en vaardigheden heeft dat i) hoger is dan de kennis en vaardigheden van zijn publiek en ii) genoeg is om de taak van een deskundige, te weten het geven van informatie en advies aan het publiek, op adequate wijze te kunnen uitvoeren.

Bij toepassing van de criteria van de materiële definitie van deskundige op de forensisch medewerker volgt dat het niveau van de kennis en vaardigheden van de forensisch medewerker hoger is dan het niveau van de kennis en vaardigheden van zijn publiek: de rechter en juridische medewerkers. Dat de forensisch medewerker een generalist is op het gebied van de forensische wetenschap doet hier niet aan af. Ook als generalist weet de forensisch medewerker meer dan de rechter. Dat is juist zijn bestaansrecht. Daarnaast voert de forensisch medewerker met het geven van informatie en advies ook de taak uit van een deskundige.

2. Ongeacht de gehanteerde definitie van een deskundige moeten informatie en adviezen van de forensisch medewerker die betrekking hebben op een specifieke zaak altijd worden toegevoegd aan het strafdossier.[3] Alleen door de informatie en adviezen van de forensische medewerker toe te voegen aan het strafdossier kan door de andere betrokkenen (officier van justitie, verdediging en deskundigen) in het strafproces worden gecontroleerd of de forensisch medewerker de juiste informatie heeft gegeven en bovendien niet op de stoel van de rechter is gaan zitten.

Dat de informatie en adviezen van de forensisch medewerker moeten worden toegevoegd aan het strafdossier vloeit logisch voort uit de bepalingen ten aanzien van het bewijs in het Wetboek van Strafvordering en is in het belang van een eerlijk proces. Op dit moment heeft de rechter wel de mogelijkheid om ingewonnen adviezen openbaar te maken, maar is hij daartoe niet verplicht. Het lijkt me echter niet juist om het delen van relevant bewijsmateriaal afhankelijk te laten van de discretionaire bevoegdheid van de rechter.

De informatie en adviezen van de forensisch medewerker zijn relevant voor de beoordeling van de waarde en de betrouwbaarheid een deskundigenverklaring door de rechter en daarmee – indirect – voor de beoordeling van de schuld van de verdachte. Onder meer op basis van de informatie van een forensisch medewerker komt de rechter tot de overtuiging dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan (art. 338 Sv). Daarmee is de informatie van de forensisch medewerker een processtuk (art. 149a lid 2 Sv) die moet worden gevoegd aan het dossier. Vanwege de invloed op de bewijsbeslissing verschilt de informatie van de forensisch medewerker van de informatie van de juridisch medewerker. Immers, het werk van de juridisch medewerker werpt geen nieuw licht op het bewijsmateriaal, terwijl de verklaringen van de forensisch medewerker dat wel kunnen doen.

Omdat de informatie en adviezen van een forensisch medewerker van belang zijn voor de bewijsbeslissing, moeten de officier van justitie en de verdediging toegang hebben tot deze informatie. Zowel officier van justitie als de verdediging moeten de gelegenheid krijgen om te reageren op hetgeen de forensisch medewerker zegt. Voor de verdediging valt dit onder het recht op tegenspraak, zoals dat is erkend door het EHRM. Het recht op tegenspraak ‘means in principle the opportunity for parties to a civil or criminal trial to have knowledge of and comment on all evidence adduced or observations filed with a view to influencing the Court’s decision’.[4]

3. De inzet van forensisch medewerkers mag geen inbreuk maken op de verantwoordelijkheden van de rechter ten aanzien van het beoordelen van het bewijsmateriaal. Dit gevaar kan zich op een tweetal manieren verwezenlijken.

In de eerste plaats bestaat het risico dat de basiskennis van de rechter met betrekking tot de beoordeling van de betrouwbaarheid en waarde van forensisch bewijsmateriaal achteruit gaat. Als er op dit gebied snel hulp kan worden ingeschakeld, wordt de prikkel voor de rechter om zijn kennis hierover te vergroten, weggenomen. Hiermee wordt de gewenste situatie waarin de rechter zonder interne hulp het deskundigenbewijs kan beoordelen niet bereikt. Terwijl het in de ideale situatie mijns inziens voor de rechter niet nodig hoeft te zijn om de hulp van een forensisch medewerker te vragen.

In de tweede plaats is de rechter uiteindelijk verantwoordelijk voor het beoordelen van al het bewijsmateriaal, inclusief de verklaringen van deskundigen. Door het inroepen van de hulp van forensisch medewerkers bestaat het risico dat de rechter de verantwoordelijkheid voor de beoordeling en waardering van het deskundigenbewijs uit handen geeft. Dit bezwaar wordt wel in de evaluatie benoemd, maar lijkt niet zwaar te wegen. Het idee is dat de forensisch medewerker en de rechter er zelf op moeten letten dat de adviezen van de forensisch medewerker niet in plaats van een rechterlijk oordeel komen. Zolang de adviezen niet openbaar worden gemaakt, valt echter niet te controleren of deze vooronderstelling wel klopt.

Geconcludeerd kan worden dat de forensisch medewerker een vaste plek heeft gekregen binnen de rechtspraak. Op zichzelf kan de inzet van forensisch medewerkers bijdragen aan een betere beoordeling van het deskundigenbewijs door de rechter. Daarvoor is het wel nodig dat de inzet van de forensisch medewerker op een andere manier wordt vormgegeven dan nu gebeurt. Het is vooral van belang dat wordt ingezien dat de forensisch medewerker een wezenlijk andere rol vervult dan de juridisch medewerker.

Een verzoek van de rechter om advies aan de forensisch medewerker is (materieel gezien) een verzoek tot een deskundigenonderzoek. Weliswaar is de forensisch medewerker een makkelijk te benaderen, interne deskundige die werkzaam is bij de rechtspraak, maar niettemin is het een deskundige. Elke verklaring van een forensisch medewerker is daarmee een verklaring van een deskundige, die ook als zodanig moet worden behandeld. Partijen moeten altijd op de hoogte moeten worden gesteld van de adviezen van de forensisch medewerker. Alleen als adviezen van de forensisch medewerker worden behandeld als verklaringen van een materiële deskundige, wordt recht gedaan aan de verantwoordelijkheden die de rechter heeft ten aanzien van de beoordeling van de schuld van de verdachte.

Rolf Hoving
Promovendus vakgroep Strafrecht en Criminologie RUG

Voetnoten:
[1] Raad voor de rechtspraak, Evaluatie Pilot forensische ondersteuning straf, Den Haag 2014.
[2] R.A. Hoving, ‘Wat is een deskundige? Over het deskundigenbegrip binnen en buiten het (strafproces)recht’, RM Themis 2015, 2, pp. 43-56.
[3] Zie vergelijkbaar R.H. De Bock, ‘Grip op kwaliteit’ in: Kwaliteit als keuze. Handelingen NJV 145e jaargang, Den Haag: Wolters Kluwer 2015, p. 64.
[4] Ruiz-Mateos t . Spanje, EHRM 23 juni 1993, appl.no. 129952/87, par. 63; Mantovanelli t. Frankrijk, EHRM, 18 maart 1997, NJ 1998, 278, m. nt. Snijders, par. 33.