In hoger beroep verwijzen naar pleitnota uit eerste aanleg: wel of niet doen?

Wanneer na het requisitoir de advocaat het woord wordt gegeven om de verdediging te voeren, wordt er in veel zittingszalen gezucht. Rechters krijgen de pleitnotities, bladeren naar het einde om te zien hoeveel pagina’s de advocaat nodig heeft voor zijn pleidooi en slaan dan met een blik op hun horloge een diepe zucht. Die zucht is erg invoelbaar wanneer voor een zaak een uur is uitgetrokken, maar het pleidooi pas na dat uur kan aanvangen en wanneer de rechters zien dat de advocaat voor dat pleidooi tien pagina’s nodig heeft. Tel daarbij op dat de zaak ook nog eens vertraagd kan zijn begonnen en er na die zaak nog verschillende zaken op de rol kunnen staan waarin zich mogelijk hetzelfde voordoet. Op dit blog is vaak de lans gebroken voor een kort en puntig pleidooi en misschien sorteert dat ook wel het meeste effect. De invoelbaarheid van de zucht en de ineffectiviteit van een lang pleidooi laten onverlet dat de zucht in eerste aanleg procedureel onterecht is. Rechters hebben namelijk niets te maken met inhoud en lengte van het pleidooi. Ze zouden zich daar dus ook niet (non-verbaal) over moeten uitlaten. Er bestaat weliswaar geen recht op een onbeperkt durend pleidooi (zoals recent voor het hoger beroep bleek uit het hierna nog te bespreken arrest van de Hoge Raad van 26 mei 2015), maar als het pleidooi langer duurt dan de planning toe laat, is dat in beginsel niet de schuld van de advocaat, maar van hun eigen planning. Dat hadden ze dan maar beter met OM en advocatuur moeten afstemmen.

In hoger beroep ligt dat iets anders. Advocaten herhalen daar dikwijls hun pleitnotities in eerste aanleg. Omdat de raadsheren daarvan al bij de voorbereiding kennis hebben kunnen nemen, lijkt een herhaling van zetten onnodig. Dat is ook de reden waarom de advocaten in die gevallen wordt gevraagd te verwijzen naar hun pleitnotities in eerste aanleg en hen wordt toegezegd dat de inhoud daarvan als voorgedragen zal worden beschouwd. Niet alle advocaten gaan daarmee akkoord. Dat doen ze met een beroep op de jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit zou volgen dat zij hun standpunten uitdrukkelijk ter terechtzitting moeten voordragen, willen ze recht hebben op een antwoord van het hof en het behoud van de mogelijkheid een voor hen negatieve beslissing in cassatie aan te kaarten.

Tot 7 april jl. begreep ik weinig van een dergelijke proceshouding, maar op die dag wees de Hoge Raad een arrest dat advocaten nog voorzichtiger zal maken te volstaan met een verwijzing naar hun in eerste aanleg overgelegde stukken.

In de zaak die leidde tot dat arrest vermeldde het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep dat de raadsman het woord had gevoerd overeenkomstig aan het hof overgelegde pleitnotities. In die pleitnoties was met de hand het volgende bijgeschreven:

Par. 29-33 inzake [medeverdachte] als hier ingelast (dient) te worden beschouwd. Zie bijlage: pleitnota [medeverdachte].

In de pleitnota van die medeverdachte, die dus in kopie aan het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep was gehecht, was voorwaardelijk verzocht tot het horen van een viertal getuigen. Het hof had daarover geen beslissing genomen en in cassatie werd daarover geklaagd. A-G Spronken kwam tot de conclusie dat er een verzoek was gedaan als bedoeld in art. 315 Sv in verbinding met art. 328 Sv tot het horen van getuigen, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Omdat het hof dat had nagelaten concludeerde ze tot vernietiging. De Hoge Raad koos echter voor een andere insteek. Ik citeer de Hoge Raad:

Het Hof heeft kennelijk in de handgeschreven verwijzing naar de pleitnota in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] geen aanleiding gezien het gestelde in die pleitnota van overeenkomstige toepassing te verklaren. (…) Geen rechtsregel verplicht de rechter te beslissen omtrent enig verzoek dat niet door of namens de verdachte uitdrukkelijk ter terechtzitting is gedaan. (….) De enkele mededeling van de raadsman tijdens zijn pleidooi dat “Par. 29-33 inzake [medeverdachte] als hier ingelast (dient) te worden beschouwd. Zie bijlage: pleitnota [medeverdachte]”, heeft het Hof niet als een uitdrukkelijk ter terechtzitting gedaan verzoek behoeven op te vatten.

Op basis hiervan zou ik als advocaat ook twee keer nadenken voordat ik in zou gaan op het verzoek van de voorzitter van het hof te volstaan met een verwijzing naar andere gedingstukken, zoals in bovengenoemd voorbeeld de pleitnota in de zaak van de medeverdachte, maar hetzelfde geldt voor een verwijzing naar het pleidooi in eerste aanleg of (wanneer de verdediging zich helemaal van haar beste kant wil laten zien) eerder ingezonden pleitnotities. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat het in bovengenoemde zaak om getuigenverzoeken ging en dat de opstelling van de Hoge Raad verklaard zou kunnen worden door de strengere eisen die de Hoge Raad daarvoor sinds 1 juli 2014 hanteert. Tegelijkertijd valt niet in te zien waarom er een verschil zou worden gemaakt tussen het verwijzen naar een eerder gedaan verzoek en het verwijzen naar een eerder ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

Op deze plaats neem ik als uitgangspunt dat er in dat verband geen reden is om verschil te maken tussen verzoeken, verweren en standpunten en de vraag is of het recente arrest van de Hoge Raad van 26 mei jl. de angst om naar eerdere verzoeken, verweren of standpunten te verwijzen weer onterecht maakt.

Wanneer we dat arrest lezen lijkt dat in eerste instantie het geval te zijn. Het uitgangspunt dat verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten uitdrukkelijk ter zitting dienen te worden voorgedragen neemt, aldus de Hoge Raad, ‘niet weg dat de verdediging het initiatief kan nemen om het voordragen van verweren en onderbouwde standpunten ter terechtzitting te bekorten door middel van een duidelijke verwijzing naar de inhoud van de stukken van het geding, zoals de pleitnota die in eerste aanleg is voorgedragen, de pleitnota die door een raadsman van een tegelijkertijd terechtstaande medeverdachte is voorgedragen (en ook in het dossier van de verdachte is gevoegd) alsook een pleitnota die op voorhand aan de rechter en de andere procespartijen is toegezonden’.

Toch zou ik als advocaat door het vervolg weer ernstig gaan twijfelen. Voorop dient namelijk te staan, en dan citeer ik weer de Hoge Raad: ‘dat ter terechtzitting met voldoende duidelijkheid wordt aangegeven welke verweren worden gevoerd en welke onderbouwde standpunten worden ingenomen. (…). Het is de rechter die daarop dient toe te zien en die daarom zal moeten instemmen met vorenbedoelde bekorting van het pleidooi, waarvan moet blijken uit het proces-verbaal van de terechtzitting’.

Die afhankelijkheid van de rechter maakt dat de advocaat in zulk geval een risico neemt. Als de bekorting en de instemming namelijk niet uitdrukkelijk in het proces-verbaal staan vermeld – zoals in de casus van 7 april waarbij het natuurlijk evengoed kan zijn dat een en ander ook niet door de raadsman uitdrukkelijk ter sprake is gebracht, dat is in ieder geval de procedurele werkelijkheid die de Hoge Raad als uitgangspunt neemt – zijn de verweren, verzoeken en standpunten die de raadsman wenst in te lassen niet responsieplichtig. In cassatie kan daar dan ook niet over worden geklaagd. Gelet op die belangen maakt de jurisprudentie van de Hoge Raad het allerminst vanzelfsprekend dat een advocaat het risico zal willen nemen op een onbesproken verzoek, standpunt of verweer. En dat is dus niet geheel ten onrechte.

Wat ik zou doen als ik advocaat was? De voorzitter vragen of ik de griffier zou mogen mailen op zijn rechtspraak.nl-adres en dat ter zitting te doen. In die mail kunnen de ter zitting gemaakte afspraken worden vastgelegd en de verzoeken, de verweren en de standpunten kort en krachtig worden benoemd. Als bijlage kan dan het stuk worden gevoegd waarnaar voor de onderbouwing van die verzoeken, verweren en standpunten verwezen wordt. Volgens mij zijn we dan een efficiënte en veilige processtap rijker.

Rick Robroek
Stafjurist Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Limburg