Reactie op ‘The Eichmann-show en de verslaglegging van het Nederlandse strafproces’

In zijn blogtekst ‘The Eichmann-show en de verslaglegging van het Nederlandse strafproces’ is Rinus Otte kritisch en bezorgd over wat hij noemt de ‘medialisering van de rechtspraak’. In dit mediatijdperk met zijn voor het gemiddelde brein soms haast niet te bevatten technische en digitale mogelijkheden is dat opmerkelijk. Het nieuws is er altijd en overal. Het nieuws dat ons via de camera en hiermee televisierubrieken bereikt, is echter, evenals bij kranten het geval, steeds minder vaak vers van de pers en tóch maakt Otte er een punt van.

Er zijn weinig onderwerpen in de organisatie van de rechtspraak waarover hij zo ambivalent is als juist de huidige medialisering van de rechtspraak, schreef hij. In zijn beleving gaat het zeker niet om de schrijvende pers. Pen en blocnote immers horen nu eenmaal bij het interieur van de rechtszaal. Die benodigdheden zullen nooit verloren gaan, zeker zolang de aanwezigheid van WIFI in sommige gerechtsgebouwen minder biedt dan je als schrijvende rechtbankverslaggever zou wensen.

Nee, het gaat Otte om de filmende pers die de laatste jaren een onopvallend opvallende rol is gaan spelen in grote, en dan voornamelijk geruchtmakende strafprocessen. Laat ik voorop stellen dat ik mijn televisie-collega’s het ruime en tegelijkertijd ruimhartige aanbod vanuit de rechtspraak om met de camera de rechtszaal binnen te stappen van harte gun. Een statische camera met aan het roer een integere vakman, die alleen op aanwijzing van een persvoorlichter- en of rechter mag registreren en die deze grens nooit passeert, kan daarnaast natuurlijk in generlei opzicht kwaad.

De achilleshiel waarop Otte doelt, zijn de gevolgen van de aanwezigheid van filmende pers in de rechtszaal. Daar kan ik mij het een en ander bij voorstellen. Regelmatig tref ik in rechtszalen collega’s van lokale-, publieke- en of commerciële omroepen. Sommigen van hen ken ik al jaren, een enkeling zelfs decennia. Zij zijn vakmensen, gedreven, nieuwsgierig en geduldig. Zij volgen weken, maanden, of zelfs jaren achtereen de inhoudelijke behandeling van een bepaalde strafzaak, zoals in het grote liquidatieproces Passage bijvoorbeeld gebeurt. Dat vergt liefde voor het journalistieke vak, de portefeuille van justitie, een ijzeren zelfdiscipline en veel doorzettingsvermogen.

Dit laatste des te meer als je ziet wat er netto van hun, over een reeks van jaren opgebouwde en of vergaarde kennis, overblijft én hoe de verschillende nieuws- en actualiteitenrubrieken hardnekkig weigeren deze deskundigheid in positieve zin uit te buiten. Een item over een strafzaak in een van de Nederlandse televisiejournaals duurt niet langer dan enkele minuten. De nieuwslezer stelt de verslaggever ter plekke – hij of zij staat met zijn/haar cameraploeg op een novemberdag in het donker in de regen voor het gerechtsgebouw – de vraag: ‘Wat is jouw indruk van het verloop vandaag? Hoe is het gegaan’? En: ‘Hoe reageerde de verdachte op de strafeis? Schrok hij’?

Het antwoord van de verslaggever ter plekke is vaak voorspelbaar en inhoudelijk weinig- tot nietszeggend. Dat ligt niet aan de betrokken verslaggever en evenmin aan de nieuwslezer. Het ligt aan een schijn-betrokkenheid van zijn of haar superieuren, verantwoordelijke nieuwschefs. Zij moeten schipperen in tijd en ruimte. Zij kiezen onderwerpen met de verslaggevers als uitvoerders. Vaak ondankbaar werk. Het nieuws overspoelt de mens onophoudelijk en toch duren journaaluitzendingen van de publieken en de commerciëlen, exclusief het uitgebreide weerbericht, niet langer dan maximaal vijfentwintig minuten. Nieuws in een notendop voor de gehaaste mens.

Waar het in dit kader, in essentie bij de medialisering in de rechtspraak om gaat, is dat de massa makkelijk op het verkeerde been wordt gezet. Een verdachte van misschien wel meerdere moorden wordt in een fractie van seconden neergezet als een monster, een zieke geest, een griezel. Een meesteroplichter van een bank wordt neergezet als een financieel brein, een genie. Dit terwijl we in al deze zaken doorgaans weinig of niets weten van de persoonlijke achtergronden van de verdachten, de schuldvraag en hun eventuele motief. Kortom: wat komen we via de nieuws- en actualiteitenrubrieken feitelijk ooit te weten van de inhoud van het strafdossier?

Met de camera’s in de rechtszaal gaat het om spraakmakende zaken die, laat ik het zo zeggen, een hoge ‘amusementswaarde’ (kunnen) claimen. Dat voedt in elk geval bij mij de gedachte dat kijkcijfers ook hier heilig zijn. Zelfs in de paar minuten die voor het onderwerp zijn uitgetrokken, mag ‘het’ niet saai worden, of zo ingewikkeld dat de televisiekijker afhaakt. Ruimte om de inhoudelijke kant van een zaak te leren kennen wordt het publiek niet gegund. De beperkte zendtijd kan niet ter verontschuldiging dienen. In de afgelopen jaren heb ik geen omroepbaas horen smeken om extra minuten, teneinde de stortvloed aan nieuws in bijvoorbeeld het strafprocesrecht uitgebreider onder de aandacht van de kijker te brengen. Ik wil ermee zeggen dat het vandaag de dag een utopie is te veronderstellen dat een strafzaak, waarvan de inhoudelijke behandeling maanden heeft geduurd, in enkele minuten tijd genuanceerd in kaart en beeld kan worden gebracht.

Het liquidatieproces Passage mag in toon, vorm en inhoud niet als graadmeter voor de Nederlandse rechtspraak dienen. Hiervoor is deze strafzaak domweg te uitzonderlijk, te groot, te omvangrijk. Maar juist hierdoor komt de vraag naar boven waarom in de meer dan zes jaar dat dit proces nu al duurt, nooit een omroep met een avondvullende uitzending is gekomen over dit in alle opzichten fascinerende, on-Nederlands strafproces. Belicht in al zijn facetten zou dit een waardevol, want informatief document voor een breed publiek kunnen zijn. Het zou bovendien een aangename, herkenbare aanvulling zijn op de enkele cameraflits die in de journaals van de laatste jaren over dit onderwerp werd gepresenteerd. En hoe gek het misschien klinkt: ook dit onderwerp zou je van enige lucht kunnen voorzien. Het hoeft niet droog, dor en slaapverwekkend te zijn. In de rechtszaal is dat immers ook zelden het geval. Stuur maar een cameraploeg naar de politierechter en zie eens wat daar, als afspiegeling van onze samenleving, gebeurt!

‘Wie het recht liefheeft wil het recht kennen’, schrijft Rinus Otte in zijn blogtekst. Het zijn ware woorden. Maar degene die het recht niet of minder liefheeft, en dit dus evenmin uitputtend wil kennen, begrijpt de betekenis van deze woorden niet altijd even goed. De justitieverslaggever van een willekeurige nieuws- en actualiteitenrubriek of van de journaals loopt hier hand-in-hand met zijn schrijvende collega. Als een willekeurige zitting van een strafzaak zes uur duurt en de journalist mag hierover zeshonderd woorden voor zijn krant optikken, betekent dit gemiddeld honderd woorden per uur zitting. Ook dat is natuurlijk aanzienlijk te weinig om een lezer optimaal bij te praten. Zeker wanneer in aanmerking wordt genomen dat in die tekst eerst de zaak naar de lezer toe moet worden ‘neergezet’, uitgelegd.

Feiten, feiten, feiten. Daar gaat het om in de rechtbankverslaggeving. Ik denk dat alle verslaggevers die de rechtbank voor hun medium bezoeken hiervan zijn doordrongen. Alleen: het gaat om de presentatie. Een eenduidige verslaglegging van rechtszaken bestaat gelukkig niet. Kwaliteitskranten kennen een zekere terughoudendheid waar het moord en doodslag betreft. Populaire bladen gaan daar soepeler mee om. Zij bellen aan bij de buren van een verdachte, of ze sporen een al dan niet rancuneuze ex op die best het een en ander, uiteraard negatief, kwijt wil.

Waartoe leidt dit alles nu? Verandert de medialisering van de rechtspraak het beeld dat hierover in de samenleving bestaat? Dit laatste vast en zeker als de camera’s kunnen inzoomen op de ogen van een verdachte, zoals in de film over Eichmann gebeurde. Ik noem een voorbeeld. Voor Trouw volgde ik niet lang geleden de strafzaak tegen een man die van meerdere moorden op willekeurige slachtoffers werd verdacht. Vanaf zijn eerste politieverhoor tot en met de uitspraak in eerste aanleg in zijn strafzaak beriep hij zich op zijn zwijgrecht. Mede aangemoedigd door zijn lugubere daden, in combinatie met zijn zwijgen en onverschillige houding, maakte hij op mij een kille, gewetenloze indruk. De rechtbank legde hem levenslang op.

Toen zijn zaak vervolgens in hoger beroep werd behandeld en hij, op aandringen van zijn nieuwe advocaat, zijn stilzwijgen doorbrak, zag ik een andere man. Eerder een sneue dan een kille man. Iemand die jarenlang in een sociaal isolement had geleefd, die in zijn jeugd compleet was verwaarloosd, nog steeds geen gewetensfunctie (meer) had en die toch besefte dat hij een ‘verliezer’ was. Zo iemand moet je niet voor de camera willen slepen, ook al zou hij er zelf toestemming voor geven. Je moet mensen in bescherming kunnen nemen, juist en vooral in het strafrecht.

Op dat punt gekomen weet ik dat er veel journalisten in hart en nieren zijn die deze bescherming vanuit hun eigen gevoel respecteren. Een minderheid zal het een zorg zijn om een moordenaar in beeld te brengen als die kans zich voordoet. Dat risico is overigens klein. Zoals Otte aangeeft is de rechtszaal tegenwoordig gevuld met een groeiend leger aan persrechters, communicatiemanagers, media-adviseurs en ordehandhavers. Zo bezien is de medialisering in de rechtspraak verbetering, noch verslechtering.

Bij nader inzien is het hierom niet eens opmerkelijk dat Rinus Otte in de organisatie van zijn geliefde rechtspraak geen onderwerp kent waarover hij zo ambivalent is als juist deze verfilming.

Adri Vermaat
Redacteur Justitie en Politie
Dagblad Trouw