The Eichmann-show en de verslaglegging van het Nederlandse strafproces

Onlangs zag ik een film over het door Leo Hurwitz verfilmde Eichmann proces dat begin jaren zestig in Jeruzalem plaatsvond en die mij trof vanwege de vergelijking met de openbaarheid van het strafproces. Begin jaren zestig werd met de Israëlische regering overeenstemming bereikt om het proces tegen de oorlogsmisdadiger Eichmann te filmen. De rechters vormden nog een obstakel omdat zij de camera’s niet zichtbaar in de zittingzaal wensten, maar uiteindelijk ging iedereen akkoord met verfilming. Tijdens het proces vond de eerste wandeling in de ruimte van de Rus Gagarin plaats. De kijkcijfers van het proces kelderden, aangejaagd door uitputtende beschouwingen van de officier van justitie over het recht Eichmann in Israël te vervolgen en te berechten. Achter de schermen ontstond paniek over de dalende kijkcijfers en de mogelijkheid dat deze vorm van verslaglegging zou moeten worden beëindigd. In die discussie zegt de regisseur tegen de producent dat de laatste maar moet wachten tot de getuigen aan bod komen. De regisseur krijgt gelijk: tijdens de getuigenverklaringen schieten de kijkcijfers omhoog en zien we de cameramensen en het publiek in de zaal geschoktheid tonen bij de vertelde gruwelen. Hoe vertellen we de lugubere verhalen uit de oorlog en alle malen zullen we wenen, om de dichtregels van Leo Vroman te parafraseren. Maar dan moet het verhaal kennelijk wel op een pakkende wijze verteld worden, met switchende camerastanden, met meewerkende magistraten, gruwelijke feitelijkheden en zonder alternatieve uitzendingen van de eerste man in de ruimte. En, zo bewijzen de dalende kijkcijfers tijdens de voordracht van de officier van justitie, bij voorkeur zo weinig mogelijk over het recht zelf. De film suggereert in de eerste plaats dat de gruwel van de gepleegde misdaden aan de wereld getoond moet worden vanwege de preventieve boodschap van de film en in de tweede plaats dat de vertoning, de verpakking, van de boodschap daarbij van levensbelang is.

Nu de Nederlandse verbeelding van het strafproces. Een en andermaal heb ik me gekant tegen de huidige medialisering van de rechtspraak, niet zozeer tegen de schrijvende maar wel tegen de filmende pers. Sinds tien jaren hebben we de beveiliging opgeschroefd waardoor het publiek wordt bemoeilijkt de openbare zittingen bij te wonen. De lege zittingzalen zijn in hoog tempo vervangen door een groeiend leger aan persrechters, communicatieafdelingen, media-adviseurs en mediatrainingen voor rechters in de zittingzaal en in de oproepstudio’s.
Hierna maak ik verschil tussen concrete strafzaken en overkoepelende of specialistische thema’s. Voor de tweede categorie zijn heuse woordvoerderpools ontstaan met rechters die zich voor de overkoepelende thema’s zo mogelijk houden aan woordvoeringsrichtlijnen.
De mediavertegenwoordigers waren aanvankelijk blij met de toegankelijker rechtspraak, maar voelen steeds vaker dat ze alleen bij de rechter komen via de communicatie-afdelingen van de rechtspraak. Inmiddels heb ik tientallen malen van journalisten gehoord dat ze ten onrechte dachten heuse toegang tot de rechtspraak te hebben gekregen, maar steeds vaker het gevoel hadden bespeeld te worden door de bestuurlijke gremia van de rechtspraak die hen voeren met informatie om een de rechtspraak welgevallige koers te etaleren.

Terug naar de verfilming van het strafproces. Er zijn weinig onderwerpen in de organisatie van de rechtspraak waarover ik zo ambivalent ben als dit onderwerp omdat ik enerzijds de gevaren van de verfilming van het strafproces zie maar anderzijds ook de onontkoombaarheid onderken. Laatst sprak ik uren met een gerenommeerde journalist. Aan het eind vroeg ik hem wat hij dacht wat ik van het journaille vond. Hij lachte en antwoordde: “tuig.” Ik repliceerde en zei dat hij mijn eerdere stukken over dit onderwerp volstrekt verkeerd begrepen had, dat ik journalisten uitermate begaafde charmeurs vind die op een begenadigde wijze rechters uitspraken ontlokken teneinde het verlangde infotainment te kunnen construeren.

Ook ik vind dat het strafproces meer ontsloten moet worden dan thans mogelijk is, temeer omdat openbaarheid van rechtspraak daartoe noopt. Als dat helaas niet meer kan via fysiek publiek in de zittingzaal dat net zo makkelijk het openbare proces kan bijwonen als voorheen, dan moet het anders. De medialisering is onontkoombaar geworden en daarmee zijn we aangeland bij de vraag hoe die medialisering moet plaatsvinden. Ik was en ben tegenstander van het aan de filmende media overlaten van hoe de rechtspraak verslagen moet worden. We hebben aan het proces Wilders gezien hoe dat kan uitpakken. Niet omdat de filmende journalistiek niet deugt, maar omdat hun doelstellingen niet per se gelijk vallen met die van de rechtspraak. Verdachten vormen geen dierentuin waarin naar believen gegluurd kan worden. De kern van het strafproces ligt niet in een weggepinkte traan van het slachtoffer of in bozig uitvallende rechters ter zitting. In het Hebreeuws schijnt ‘kennen’ gelijk te vallen met ‘liefhebben’. Dat vind ik een prachtig beeld. Wie het recht liefheeft wil het recht kennen. Maar de kenbaarheid van de daadwerkelijke toedracht rond de dood van het slachtoffer is zowel in rechtstheoretische als in strafvorderlijke zin bijzonder moeilijk over het voetlicht te brengen. Daarom zijn kennen en liefhebben zulke moeilijke cognities en gevoelens. In het miskennen van die moeilijkheidsgraad zijn de mediatreinen binnen en buiten de rechtspraak broer en zus. De een wil de rechtspraak op een pakkende wijze verslaan, de ander wil de rechtspraak aan het journaille en indirect aan de burger verkopen op een wijze die mogelijk even eenzijdig is.

Zowel de communicatieafdelingen als de journalisten die ik ken zijn integer bezig met hun vak. Ik heb nooit anders meegemaakt. Het gaat mij dus niet om de integriteitsvraag op zich. Het is voor journalisten bijzonder moeilijk om hun vak uit te oefenen en om de rechtspraak inzichtelijk te maken op de wijze die zij verantwoord vinden. Evenzeer is het voor de rechtspraak ingewikkeld om het rechtspreken zo aan de man te brengen dat de rechtspraak geen afbreuk wordt gedaan. Dat geschreven hebbende, twee voorbeelden om een en ander te illustreren.

1. De genoemde film over Eichmann laat hem zien tijdens gruwelijke verhalen van getuigen. Hij vertoont geen emotie, tot grote verbijstering van de regisseur die laat inzoomen op zijn ogen om te zien wat de verhaalde horror met hem doet. Het is een menselijke misvatting dat het tonen van de mens inzichtelijk maakt wat er in hem omgaat. Een dure misvatting die we vaker zien rond de behoefte getuigen te horen omdat dan de waarheid aan het licht zal komen. Alsof een trillende stem of een geloken oog ook maar iets hoeft te zeggen over de waarachtigheid van de persoon in kwestie. Met die insteek maken we een gedramatiseerde film die minder van doen heeft of hoeft te hebben met het ware leed in een strafzaak dat we helaas vaak niet vangen en misschien ook niet moeten willen vangen.
2. Tijdens de kroning van de Engelse koningin Elizabeth was er tijdens de uitzending een grote gedragenheid in toon en setting die het grote gewicht van de plechtigheid goed uitdrukte. De uitzending in de VS vond met enige vertraging plaats, met ander commentaar, waardoor de geregisseerde toon en klank van de kroning devalueerden. Eenzelfde fenomeen voltrok zich tijdens de kroning van haar vader. Terwijl de radiozenders verslag deden zaten journalisten in de pub waar het lawaai van het aanwezige publiek overheerste.

Hoe vangen we de kern van het strafproces, zonder een glossy aanpak, ons realiserend dat er tijdens de uitzending kinderen het huis binnendruppelen, er een bezoek aan de wc moet plaatsvinden, gedoe is of juist verveling die de kijker, lezer en luisteraar doen afhaken. Die kern is dat er aan de regels voor een fair proces moet worden voldaan, waarbij soms ogenschijnlijk slaapverwekkende procesonderdelen de revue passeren, zelfs zo dat de rechters gapen of tijdens het geconcentreerd luisteren tekeningen van paardenhoofden maken. Het publiek wil zowel gedistingeerde rechtspraak als rechters die tekenen van menselijk leven vertonen. Dat proberen weg te masseren met mediatrainingen en geregisseerde rechters in rechtszalen en televisiestudio’s, zal het publiek vertrouwen niet vergroten. Bovendien is er vrijwel altijd sprake van een eenzijdige focus in de verslaglegging. Gaat het de beeldenmaker om de focus op het geclaimde leed van het slachtoffer, om het motief van de verdachte, om de vraag naar de aansprakelijkheidsgrenzen en de verantwoordelijkheidsvraag bij de verdachten? Om de kijkers niet te laten weglopen naar de wc is er drama nodig, maar een gedramatiseerde werkelijkheid is nog niet hetzelfde als het ware drama dat zich in en tussen verdachten en slachtoffers voltrekt. En opnieuw, maar even los van de kijkcijfers en van de publieke waardering van de rechtspraak, rechters, journalisten en burgers vergissen zich schromelijk door te denken dat het menselijke, het kwade en het goede in verdachte en slachtoffers zichtbaar gemaakt kan worden.

De Nederlandse rechtspraak staat nog maar aan het begin van een lange reis door de woestijn om bij een professionele mediatheek van de rechtspraak te komen die de burgerij de perpetuum mobile van integere rechtdoende rechters toont: het eigenzinnig en tastend, soms knullig en saai, maar bovenal integer, komen tot recht spreken over dat wat er rond het menselijk gedrag fout lijkt te zijn gegaan. Niet alleen in de grote zaken waarin bloed, seks en geweld aan de orde is, maar voor het overgrote leeuwendeel in de dagelijkse zaken van klein bedrog, leed en diefstal. Van het laatste hebben de meeste burgers last. Verslaglegging daarvan is voor het weergeven van de core business van de rechtspraak minstens zo belangrijk.

Mijn advies is eenvoudig: scherm de rechter niet af, hij is niet van marsepein, laat journalisten hem of haar rechtstreeks te bellen of mailen, laat het af en toe eens fout gaan, vermijd al die trainingen, zorg dat er geen angst voor het journaille ontstaat, en vermijd bovenal de pretentie dat het strafproces en de individuele waarheid in een zaak gekend kan worden. Die pretentie impliceert niet de liefde voor het recht en de rechtspraak die de rechterlijke organisatie per definitie aankleeft. En wat betreft de meer bestuurlijke onderwerpen in de rechtspraak zou ik evenmin proberen te regisseren, daarvoor is de verscheidenheid in de rechtspraak te groot.

Mijn moraal van het strafproces? In navolging van de regisseur van het Eichmann-proces en de grote Joodse schrijver Abel Herzberg: waak dat we niet als Eichmann worden, zorg dat we de Eichmann, die in elke mens schuilgaat, bestrijden en besef dat ieder van ons verdachte en slachtoffer kan worden. Dat was het op zich motief van de regisseur van het Eichmann-proces. Het strafproces is geen neutrale bezigheid, een neutrale verslaglegging is dan ook een misverstand. Het verslaan van het strafproces draagt per definitie een morele lading in zich mee. Die waakzaamheid, zorg en het besef van kwetsbare rechtsgoederen als het leven van een medemens en de risico’s die we allemaal lopen om mens- en strafwaardige grenzen te overschrijden, vormen de portee van elk proces en vonnis en zouden de leidraad van elk schrijvend of filmend verslag van het strafproces moeten zijn. De journalistiek vormt daarmee een onderdeel van de generaal-preventieve werking van het openbare strafproces. Als de media dát onder leiding van de rechtspraakleiding met respect weten vorm te geven, juich ik de verdergaande medialisering van het strafproces toe.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Een gedachte over “The Eichmann-show en de verslaglegging van het Nederlandse strafproces

  1. Pingback: Reactie op ‘The Eichmann-show en de verslaglegging van het Nederlandse strafproces’ | Ivoren Toga

Reacties zijn gesloten.