De zegeningen van artikel 80a RO

Sinds jaar en dag klaagt de Hoge Raad over de kwaliteit van de ingezonden cassatieschrifturen in strafzaken en dan vooral over de schrifturen die namens de verdachte zijn ingediend. De voorgestelde cassatiemiddelen zijn nogal eens te feitelijk van aard, bevatten geen verwijzingen naar relevante literatuur, wetgeschiedenis of jurisprudentie, of berusten op een verkeerde lezing van het bestreden arrest.

De strafrechtadvocatuur heeft de handschoen opgenomen. In 2011 is de Vereniging van Cassatieadvocaten in Strafzaken opgericht, welke vereniging tamelijk strenge toelatingseisen kent en zich tot doel stelt de kwaliteit van de rechtsbijstand in strafrechtelijke procedures bij de Hoge Raad te verbeteren. Tot oprichting van een cassatiebalie in strafzaken is het anders dan in civiele zaken evenwel (nog) niet gekomen.

In strafzaken mag derhalve elke advocaat in cassatie optreden. Nog niet zo lang geleden werd overigens ook een door de verdachte zelf geschreven en ingediende klaagschrift als een geldig cassatieschriftuur aangemerkt. Andere tijden, die we ons nu bijna niet meer kunnen voorstellen. Destijds wilde de Hoge Raad overigens nog wel eens de helpende hand bieden door ambtshalve te casseren. Ook dat valt nu bijna niet meer voor te stellen. Als de advocaat in zijn cassatiemiddelen de vinger niet op de juiste plek legt zal de Hoge Raad hem -behoudens in verjaringsperikelen- niet snel helpen, ook niet als de advocaat-generaal in zijn conclusie een panklaar voorzetje daartoe geeft. Had de verdachte maar een deskundige advocaat in de arm moeten nemen. Waarbij de Hoge Raad nogal makkelijk voorbij gaat aan het gegeven dat ook de beste specialist wel eens een mindere dag heeft en iets over het hoofd kan zien.

Het schrijven van cassatieschrifturen is een ambacht, ver weg van de veronderstelde glitter en glamour van de strafrechtadvocatuur. De cassatieadvocaat dient nauwgezet het te bestrijden arrest en het cassatiedossier (processen-verbaal van alle terechtzittingen en het vonnis van de rechtbank) te doorploegen. Hij zit de hele dag te schakelen tussen jurisprudentie, wetsgeschiedenis en literatuur op zoek naar argumenten om de beslissingen van het hof aan te vallen. In voorkomende gevallen betreft het een zaak waarbij de cassatieadvocaat niet in feitelijke instanties betrokken was en hij zijn cliënt niet of nauwelijks kent. De Hoge Raad is daarbij de laatste strohalm waaraan de cliënt zich vastklampt om een in zijn ogen onjuiste beslissing (of in ieder geval onwelgevallige beslissing) ongedaan te maken. Dat de Hoge Raad niet over de feiten maar -kort gezegd- over de toepassing van het recht oordeelt laat zich door de cliënt maar moeilijk verstaan. Dat kan leiden tot verwarrende discussies met zijn advocaat. “Ja ik begrijp dat het niet over de feiten gaat maar ik ben onschuldig veroordeeld dus dan kan het recht toch niet goed zijn toegepast. Nou dan.” of “Het hof heeft mijn bekentenis als bewijs gebruikt terwijl ik die heb ingetrokken. Als dat geen schending van het recht is dan weet ik het niet meer.”

De cassatieadvocaat voelt een zekere druk van zijn cliënt om een cassatieschriftuur in te dienen. Als hij besluit geen schriftuur in te dienen is het cassatieberoep niet-ontvankelijk en is niet de Hoge Raad maar hij, de advocaat, degene die het eindoordeel heeft geveld. Bovendien zijn er nogal wat cliënten die zoveel mogelijk de executie van de door het hof opgelegde sanctie wensen uit te stellen. Kan het de advocaat worden kwalijk genomen dat hij onder het motto “niet geschoten is altijd mis” toch een cassatieschriftuur indient? Misschien wel en moet hij steviger in zijn advocatenschoenen staan. Maar ik zou de advocaten niet de kost willen geven die tegen beter weten in toch maar besluiten een schriftuur in te dienen. Dan is in ieder geval de cliënt tevreden gesteld en dat is wat telt voor de advocaat. En bovendien, misschien heeft de advocaat nu net die zaak te pakken waarin de Hoge Raad besluit om af te wijken van de geldende jurisprudentie en een nieuwe weg inslaat. Denk aan het tongzoenarrest.

Wat de beweegredenen van de advocaat ook moge zijn, de Hoge Raad is niet blij met kansloze cassatieschrifturen. Hij heeft geen zin de spaarzame mankracht in te zetten voor klachten over bewijs- en strafmotiveringen die er door de advocaat met de haren zijn bijgesleept. De rechtsvorming en de rechtseenheid, daarover moet het gaan. Niet het geneuzel over de begrijpelijkheid van een bewijsbeslissing. Ik kan me dan ook zo voorstellen dat er in de burelen van de Hoge Raad een zucht van verlichting werd geslaakt toen in 2012 met de invoering van artikel 80a RO de selectie aan de poort mogelijk werd gemaakt. In zaken waarin de Hoge Raad tot het oordeel komt dat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden of er klaarblijkelijk onvoldoende belang bestaat bij het cassatieberoep verklaart de Hoge Raad zonder nadere motivering het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Inmiddels wordt ongeveer 40% van de cassatiezaken met toepassing van art. 80a RO afgedaan. Dat ruimt lekker op. Althans voor de Hoge Raad. De advocaten-generaal moeten nog wel een schriftelijk standpunt innemen in deze zaken, al is het met frisse tegenzin en inmiddels steeds meer via een sjabloon. In december 2014 heeft procureur-generaal Fokkens in een conclusie aangekondigd dat in de nabije toekomst de conclusies in deze zaken achterwege zullen blijven. Aldus ontstaat de situatie dat op een substantieel deel van de cassatieschrifturen niets wordt vernomen behoudens de uiteindelijke mededeling dat het beroep op grond van art. 80a RO niet-ontvankelijk is.

Zal dit leiden tot kwalitatief betere schrifturen en/of een verminderde instroom van kansloze cassatieschrifturen? Ik vermoed van niet. Althans niet meteen. Wel zal ook bij advocaten steeds meer het besef moeten gaan leven dat de cliënt moet worden voorgehouden dat hij in cassatie slechts wat te zoeken heeft als zijn zaak ertoe kan dienen dat de Hoge Raad richting zal kunnen geven aan de rechtspraak en -behoudens als er aperte fouten zijn gemaakt door het hof- de Hoge Raad niet zo geïnteresseerd is in zijn individuele strafzaak. Of zoals Fokkens het zegt in een interview dat in januari in het Advocatenblad is gepubliceerd: “Rechtspraak gebeurt in twee instanties, en dan is het afgelopen.” Nou ja, niet helemaal natuurlijk. Maar de advocaat en zijn cliënt hoeven niet meer op de Hoge Raad en het parket bij de Hoge Raad te rekenen om nog eens duidelijk te krijgen waarom in weerwil van de ingediende klachten de beslissingen van het hof door de beugel kunnen.

Marcel van der Voet
Strafrechtadvocaat