Herziening van de wrakingsprocedure: een tegengeluid

Rinus Otte, Henk Abbink en Casper van der Waerden en Ben Hendriks zijn eensgezind: de wrakingsprocedure wordt te vaak misbruikt en moet om die reden op de schop. Tijd voor een tegengeluid.

Allereerst merk ik op dat het openbaar ministerie niet alleen last heeft van de mogelijkheid de rechter te wraken, maar daar onder omstandigheden ook baat bij kan hebben. De officier van justitie of de advocaat-generaal kan immers ook een verzoek tot wraking doen. Overigens een recht waar zeer spaarzaam gebruik van wordt gemaakt: de mij bekende wrakingsverzoeken van de zijde van het openbaar ministerie zijn op de vingers van één hand te tellen.

Interessant is overigens de vraag wat daarvan de oorzaak is. Als ik naar mijn eigen praktijk kijk, dan kan ik constateren dat ik zelf nog nooit een wrakingsverzoek heb gedaan, maar het wel enkele keren serieus heb overwogen. Eén van de redenen dat ik tot op heden nooit heb gekozen voor het aanwenden van het instrument van wraking is dat een eerdere ervaring van een collega heeft geleerd dat daarmee de verhoudingen op scherp worden gezet. Ik ben nog geen rechter tegen gekomen die het plezierig vindt om gewraakt te worden, en ik kan me dat heel goed voorstellen. Als tegen je wordt gezegd dat je (op zijn minst) de schijn van vooringenomenheid wekt , dan zal dat vaak voelen als een aantasting van de beroepseer. En als die “beschuldiging” wordt gedaan door een lid van het openbaar ministerie komt dat extra hard aan. Een professionele instelling zou met zich mee moeten brengen dat het doen van een wrakingsverzoek niet doorwerkt in de persoonlijke verhoudingen. Maar ook rechters is niets menselijks vreemd.

Dat brengt mij bij de vraag of de argumenten die naar voren worden gebracht ter onderbouwing van de noodzaak van herziening van de wrakingsprocedure eigenlijk niet een rationalisatie zijn van de pijn die wordt gevoeld bij de aantasting van de beroepseer. Want die argumenten overtuigen mij niet. Er zou sprake zijn van een grote groei van wrakingsverzoeken tot maar liefst 600 in 2013, waarvan maar een gering percentage, zo’n 5%, wordt toegewezen. Maar is dat nu zo’n opzienbarend aantal? Als we ons realiseren dat we in Nederland 10 rechtbanken hebben, 4 gerechtshoven en de Hoge Raad, dan komt dat neer op 40 wrakingen per gerecht per jaar. De vakanties daarvan afgetrokken betekent dat gemiddeld (minder dan) 1 wraking per week per gerecht. Niet bepaald een enorm aantal.

Daar komt bij dat de argumenten van vertraging in de afdoening van strafzaken en de verspilling van overheidsgeld weliswaar gelden, maar dat die door een betere organisatie binnen de rechtspraak sterk zijn terug te dringen. Het openbaar ministerie is sinds jaar en dag gewend aan piketdiensten. Waarom zou iets dergelijks niet binnen de gerechten kunnen worden ingevoerd? Werken met een rooster waarbij elke dag drie rechters piket hebben in het “wrakingskamerrooster” zou met zich meebrengen dat er elk moment van de dag een kamer achter de hand is om wrakingsverzoeken te behandelen. Daarmee wordt het ook minder aantrekkelijk om een wrakingsverzoek te doen, omdat binnen de advocatuur snel bekend zal worden dat de in sommige gevallen beoogde vertraging niet zal worden bereikt. Met als voordeel dat het verlies van kostbare zittingsruimte zich op veel beperktere schaal zal voordoen.

Ook het aspect van de met een wrakingsverzoek gepaard gaande kosten overtuigt mij niet. Weliswaar is het streven naar een efficiënte rechtspleging en de daarmee gepaard gaande kostenbeheersing in een tijd van financiële krapte een bittere noodzaak, maar – uitgaande van één wrakingsverzoek per week – valt hier maar een beperkte winst te behalen. Veel meer resultaat is te verwachten van het op grotere schaal dan thans het geval is enkelvoudig afdoen van relatief simpele appellen in kleinere zaken, om maar eens een voorbeeld te noemen.

Het cruciale argument om de wrakingsprocedure juist niet te wijzigen zit ‘m wat mij betreft in iets anders: het vertrouwen van de maatschappij in de rechter. Dat is sinds jaar en dag groot, en dat moet zo blijven. Als een verdachte of diens raadsman het gevoel bekruipt dat een rechter met een vooringenomen blik naar zijn zaak kijkt, dan moet dat gezegd kunnen worden. Het vervolgens door die rechter zelf laten beslissen op een wrakingsverzoek, welke beslissing dan in hoger beroep of in cassatie kan worden aangevallen is weliswaar juridisch verdedigbaar, maar zal naar ik inschat als weinig bevredigend worden ervaren: welke rechter zal een verzoek om wraking van hemzelf toewijzen, en daarmee dus zeggen dat hij bij nader inzien toch de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt? Ik denk dat het aantal rechters dat tot een dergelijke beslissing zal komen ongeveer gelijk in aantal zal zijn als dat van rechters die in een wraking berusten.

Dat 95% van de gedane wrakingsverzoeken wordt afgewezen heeft ook een andere kant, namelijk dat 5% wordt toegewezen. In 2013 is dus door wrakingskamers ten aanzien van 30 rechters of rechterlijke colleges geoordeeld dat zij wél de schijn van vooringenomenheid hebben gewekt. Geen enorm aantal, maar ook niet te verwaarlozen. Nu zal op een aantal van die beslissingen wel wat af te dingen zijn, daar staat tegenover dat er ongetwijfeld ook wrakingsverzoeken zijn afgewezen die voor hetzelfde geld hadden kunnen worden toegewezen. En juist het gegeven dat er ook wrakingsverzoeken worden toegewezen versterkt – hoe paradoxaal dat mogelijk ook klinkt – het vertrouwen in de rechtspraak. Als de schijn is gewekt krijgt de verdachte te maken met nieuwe rechters. Ik zou dan eerder willen spreken van het zelfreinigend vermogen van de rechtspraak dan van de slager die zijn eigen vlees keurt.

Kortom: de winst die wordt behaald met een herziening van de wrakingsprocedure weegt in mijn ogen niet op tegen de schade die daardoor kan worden berokkend: de afname van het vertrouwen in de rechter. Vertrouwen, zo wil het gezegde, komt te voet en gaat te paard. Alleen al daarom valt de korte termijnwinst die wordt behaald met een herziening in het niet tegen het – veel minder tastbare – verlies wat daarmee wordt geleden. Niet doen dus!

Jan-Willem Grimbergen
Senior advocaat-generaal bij het ressortsparket, vestiging Arnhem

Geschreven op persoonlijke titel