Gijzelingsverzoeken en rechtsgelijkheid

Het was van dik hout zaagt men planken en kort door de bocht in de NRC vorige week. Dinsdag op de voorpagina de kop: “Wanbetalers hoeven niet meer de cel in”, gevolgd door een uitvoerig artikel over de gijzeling als laatste middel om mensen hun boete te laten betalen. Daarna op woensdag een hoofdredactioneel commentaar waarin sprake was een crisis in de rechtspleging. Ik dacht: crisis in de rechtspleging, waar gaat dit over? Over het alsmaar dalende aantal rechterlijke vonnissen in misdrijfzaken, bijna 30% minder dan in 2005; over de (bijna) verdubbeling van het aantal vrijspraken tot zowat 10% of over de gedurig oplopende duur van de procedures?

Nee, het ging erover dat de kantonrechters het zat waren om mensen, op verzoek van het OM, te gijzelen als niet duidelijk was of die mensen niet konden of niet wilden betalen. Zo máák je nieuws, kennelijk ook als kwaliteitskrant.

Daargelaten de vraag of er in de betreffende wet, waaraan ook rechters zich gelukkig moeten houden, ruimte is voor zo’n beoordeling (ik meen dat dit niet het geval is), bleef onduidelijk op grond waarvan de kantonrechters (in korte tijd) tot het oordeel waren gekomen dat het merendeel van de zaken betrekking had op mensen die niet konden betalen. In het artikel was sprake van eigen onderzoek van de rechtbank in Amsterdam, maar ik vraag me af hoe dat er heeft uitgezien. Je kunt immers niet aan de ene kant klagen dat dossiers te weinig informatie bevatten om tot een verantwoorde afweging te komen en tegelijkertijd beweren dat het vooral gaat om mensen die niet kunnen betalen. En dat kan natuurlijk al helemaal niet als je categorisch weigert om dit soort verzoeken van het OM überhaupt nog te behandelen. Is dat trouwens geen rechtsweigering?

Om meer inzicht te krijgen in deze materie heb ik mijn licht eens opgestoken bij het CJIB dat zeer nauwkeurig boek houdt van het hele traject dat in het kader van de Wet Administratieve Handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV), want over die wet gaat het hier, kan worden doorlopen. In het NRC-artikel wordt gesteld dat volgens de Raad voor de Rechtspraak de meeste rechters het Amsterdamse voorbeeld volgen: “naar schatting 95% van de gijzelingsverzoeken wordt afgewezen, blijkt uit een rondgang” heet het. Het Statistisch Jaarboek 2014 van het CJIB spreekt echter andere taal. Daaruit blijkt een stabiel beeld in de jaren 2011 en 2012 waarin de ZM tussen de 60.000 en 70.000 verzoeken om gijzeling binnenkreeg. Daarvan werd telkens zo’n 75% gehonoreerd. In 2013 steeg de instroom tot ruim 117.000, vermoedelijk als gevolg van het feit dat het onverzekerd rijden in 2012 onder de WAHV was gebracht. Maar ook van die verzoeken werd nog altijd 55% toegestaan. In 2014 kwamen er ruim 88.000 verzoeken binnen en daarvan werd in iets meer dan de helft van de gevallen de gijzeling toegewezen. Van een categorisch weigering tot behandeling is derhalve geen sprake.

Helaas is er wel sprake van een grote rechtsongelijkheid want naar “goed gebruik” zijn rechters niet erg geneigd zich te voegen naar algemene regels bij het nemen van hun beslissingen. En zo is er momenteel een bont palet van gedragspatronen, die niet alleen per rechtbank, maar zelfs per kantonrechter kunnen verschillen. Het artikel in de NRC is daarvan een mooie illustratie. Misschien zou de Raad voor de Rechtspraak zich daarover eens wat meer zorgen over moeten maken dan over dit, kennelijk in Amsterdam, “uitgevonden” probleem.

De WAHV betstaat inmiddels 25 jaar en werd ingevoerd omdat destijds de rechterlijke macht, zowel het OM als de ZM, dreigde te bezwijken onder de werklast van de verkeersovertredingen waar een full-swing strafprocesrecht botste met enorme aantallen zaken. Om die werklast te reduceren is toen besloten die overtredingen administratief af te doen en het initiatief voor het verkrijgen van maatwerk bij de betrokken overtreder, te leggen en voor het overige te streven naar maximale gelijkheid bij de afdoening van dit soort zaken. Als de rechters nu klagen over een OM, dat gewoon, binnen het kader van deze wet zijn plicht doet is het niet, zoals de NRC beweert, het OM dat het gezag ondergraaft, maar zijn ze dat zelf omdat ze hun weerzin tegen een gestandaardiseerde afdoening van standaardzaken, kennelijk nog niet hebben kunnen – of willen – overwinnen.

Natuurlijk zijn er altijd schrijnende gevallen, ook bij ogenschijnlijke standaardzaken, maar daar wordt inmiddels wat aan gedaan. Ook dat stond in de krant. Ik hoop alleen wel dat die oplossing niet het begin is van een sluipende introductie van uitgangspunten van strafprocesrecht in de WAHV, die destijds tot het vastlopen van het strafrechtelijk apparaat hebben geleid.

Daarmee wil overigens niet gezegd zijn dat er geen kritiek mogelijk is op de toepassing van die wet. Die moet zich echter niet richten op de fase van de executie maar op die van de constatering van de feiten, de hoogtes van de boete en het systeem van de verhogingen. Het Openbaar Ministerie heeft lang volgehouden dat de toepassing van de WAHV gekoppeld moest zijn aan de bijdrage die geleverd werd aan de verkeersveiligheid. Dat betekent voor de snelheidsovertredingen veel constateringen op gevaarlijke trajecten, zoals veel provinciale wegen en weinig op de, al zeer veilige, autosnelwegen. Geleidelijk aan echter, is onder druk van de uitvoerende macht dit uitgangspunt losgelaten en zijn de opbrengsten van de boetes steeds meer een doel op zich geworden. Het in mijn ogen volstrekt onredelijke verhogingenbeleid is daar ook een uitvloeisel van. Ter vergelijking: in het strafrecht, bij de misdrijven, was in 2013 meer dan de helft van de opgelegde geldboetes onder de 400 euro en kregen zegge en schrijve 2702 veroordeelden een boete van meer dan 1000 euro. Daar ben je in het huidige verhogingenbeleid bij de WAHV al snel aan toe.

Die ongelijkheid kan echter niet door de rechterlijke macht worden opgelost maar ligt op het bord van de wetgevende en de uitvoerende macht. Maar het zou wel mooi zijn als rechters en OM, kan het zijn gezamenlijk en langs de daarvoor geëigende kanalen, die eens aan de orde zouden stellen.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie