Het voorwaardelijk gedaan (getuigen)verzoek

Een strafrechter kan ambtshalve beslissen een getuige te horen, maar in de meeste gevallen gebeurt dat na een verzoek daartoe van de verdachte en diens advocaat. Daarbij heeft de verdediging maar één (zeer gerechtvaardigd) belang en dat is dat door het horen van een getuige de kaarten ten voordele van de verdachte worden geschud. Wanneer het gaat over de bewijsvraag dan wordt door de advocatuur vaak verwezen naar het belang van de waarheidsvinding, maar dat grote belang is natuurlijk een stuk minder relevant wanneer de rechter het horen van die getuige niet nodig acht om tot een vrijspraak te komen. Op dat moment zit niemand op het horen van een getuige te wachten: de verdediging niet omdat zijn vrijspraak dan langer op zich laat wachten, het openbaar ministerie niet omdat die op voorhand reeds geen aanleiding zag de getuige te horen en strafvorderlijk wordt het door de rechter ook niet nodig geacht. Daar kan nog een ander belang aan worden toegevoegd en dat is het belang van de getuige. Gelet op het belastende karakter van een getuigenverhoor, moet een dergelijk verhoor achterwege blijven wanneer dat door de rechter niet nodig wordt geacht.

Het hiervoor geschetste complex aan belangen wijst eenduidig dezelfde richting uit. Het ontbreken van enig belangenconflict mag een strafvorderlijk wonder heten en het is ook niet voor niets dat daaruit het ‘voorwaardelijk getuigenverzoek’ is geboren. De raadsman verzoekt dan het horen van de getuige indien de rechter de verdachte niet vrijspreekt. In verschillende arresten van de Hoge Raad is deze benadering terug te zien. De Hoge Raad overweegt daarover bijvoorbeeld (in HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8075) als volgt:

‘Nu het Hof de verdachte niet heeft vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, is de door de raadsman gestelde voorwaarde vervuld en diende het Hof een uitdrukkelijke beslissing op het getuigenverzoek te nemen. Indien een zodanige beslissing is verzuimd, heeft dat verzuim ingevolge art. 330 Sv in verbinding met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg.’

Kortom, de Hoge Raad lijkt niet aan deze benadering te willen tornen. Onlangs werd dit nog eens bevestigd (HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:902).

Tegenover de logica dat een getuigenverhoor achterwege zou moeten blijven wanneer niemand daarop zit te wachten, staat een andere logica. Die logica komt er op neer dat de rechter, door toewijzing van het voorwaardelijk verzoek, kenbaar maakt dat hij niet tot een vrijspraak heeft kunnen komen en dat hij daarmee impliciet, zonder dat de behandeling van de zaak is afgerond, een oordeel geeft over het bewijs. Die logica was voor het Amsterdamse hof reden om voorwaardelijke verzoeken niet te accepteren (Hof Amsterdam 19 september 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3898). Ik citeer:

‘Het hof overweegt dat het hier voorwaardelijke verzoeken betreft, hetgeen betekent dat de verzoeken pas geacht worden te zijn gedaan indien de daaraan verbonden voorwaarden zijn vervuld. Het hof is van oordeel dat het, voor zover het dergelijke verzoeken zou toewijzen, nadat bij beraad in raadkamer is gebleken dat de daaraan verbonden voorwaarden zijn vervuld, in voorkomende gevallen reeds – al dan niet gedeeltelijk – zijn oordeel zou geven over de door het hof nog te beantwoorden vragen als bedoeld in de artikelen 348 en/of 350 Sv. Daarmee wordt door de verdediging een situatie uitgelokt, waarin door de leden van de samenstelling van het hof die de verzoeken heeft toegewezen de schijn van partijdigheid zou kunnen worden gewekt, indien zij op een volgende terechtzitting in die zaak wederom deel uitmaken van de samenstelling van het hof. In dat geval hebben zij zich immers reeds impliciet uitgelaten over een van de vragen als bedoeld in een van voornoemde artikelen.
Gelet op het voorgaande heeft de voorzitter ter terechtzitting in hoger beroep van 5 september 2014 de raadsvrouw medegedeeld dat het hof de voorwaardelijke verzoeken niet als zodanig zal accepteren en uitsluitend zal beslissen op onvoorwaardelijke verzoeken. De raadsvrouw is vervolgens door het hof in de gelegenheid gesteld om haar voorwaardelijke verzoeken als hiervoor vermeld alsnog te doen in onvoorwaardelijke vorm. Gesteld noch gebleken is dat de verdediging daardoor in haar belangen zou zijn geschaad. Los van het feit dat een deel van die verzoeken in onvoorwaardelijke vorm reeds eerder op de regiezitting van 8 april 2014 in het kader van deze strafzaak zijn besproken en op 22 april 2014 door het hof daarop is beslist.
De raadsvrouw heeft van de mogelijkheid om haar verzoeken in onvoorwaardelijke vorm te doen echter geen gebruik willen maken, zodat het hof bovenstaande verzoeken als niet herhaald beschouwt en aldus niet gehouden is om daarop een beslissing te nemen.’

De toekomst zal moeten uitwijzen in hoeverre de benadering van het Amsterdamse hof in cassatie stand houdt. Ik vraag me namelijk af of een rechter bij het toewijzen van een voorwaardelijk verzoek inderdaad een schijn van partijdigheid wekt. Dat zou dan namelijk ook gelden voor een rechter die ambtshalve tot heropening beslist en nader onderzoek beveelt. Dat zou hij immers ook achterwege hebben gelaten indien hij op dat moment van oordeel was dat de verdachte zou kunnen worden vrijgesproken. Of wat te denken van afwijzing van een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis. Ook daaruit kan worden afgeleid dat de betreffende rechter op dat moment niet aan een vrijspraak denkt. In meer formeel opzicht geldt dat toewijzing van een (voorwaardelijk) verzoek ongemotiveerd kan geschieden en dus geen toelichting vergt waaruit de schijn van partijdigheid kan worden afgeleid. Uit toewijzing van het verzoek kan dan slechts worden afgeleid dat op dat moment geen aanleiding bestond om verdachte vrij te spreken maar dat kan als gezegd wel vaker worden afgeleid uit rechterlijke (tussen)beslissingen. De rechter acht de tijd nog niet rijp voor een eindbeslissing en daar lijkt weinig partijdigs aan. Ten slotte is er maar één voor wie de eventuele schijn van partijdigheid hier bezwaarlijk zou kunnen zijn en dat is de verdachte. Hij vraagt daar dan echter zelf om, dus mij lijkt dat de rechter dat dan ook niet kan worden tegengeworpen.

Afgezien van deze juridisch getinte tegenwerpingen zou het gelet op de geschetste eenduidige richting van de ter zake spelende belangen bovenal in praktisch opzicht jammer zijn wanneer voorwaardelijke verzoeken onmogelijk worden gemaakt. En jammer is misschien een understatement: mij lijkt het niet de bedoeling dat een getuige een belastend verhoor zou moeten ondergaan wanneer de rechter eigenlijk al heeft besloten de verdachte vrij te spreken. Het meest eenvoudige zou zijn wanneer een advocaat er op kon vertrouwen dat rechters het verzochte niet toewijzen wanneer ze een uitspraak doen die voordelig is voor de verdachte. Dat vertrouwen is, wanneer we de gang van zaken in de beschreven strafzaak bezien, kennelijk niet vanzelfsprekend. Een andere mogelijkheid is om het probleem gewoon te benoemen. Advocaten zouden de (feiten)rechters die zich bezwaard voelen bij een voorwaardelijk (getuigen)verzoek een handje kunnen helpen door uitdrukkelijk naar voren te brengen dat toewijzing in hun ogen geen enkele schijn van partijdigheid wekt. En de kou lijkt helemaal uit de lucht wanneer de advocatuur het verzoek iets anders formuleert. Bijvoorbeeld door daaraan toe te voegen dat toewijzing uiteraard achterwege mag blijven indien de rechter het verzochte niet nodig acht om tot vrijspraak te concluderen. Het is dan voor iedereen helder wat een rechter met een eventuele toewijzing wil zeggen: namelijk dat er nader onderzoek nodig is om de bewijsvraag te kunnen beantwoorden. En dat is dus niet meer of minder dan toewijzing van elk verzoek impliceert.

Rick Robroek
Stafjurist Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Limburg

Een gedachte over “Het voorwaardelijk gedaan (getuigen)verzoek

  1. Pingback: Voorwaardelijke verzoeken in het strafrecht ← BijzonderStrafrecht.nl

Reacties zijn gesloten.