Tien antwoorden van de voormalig strafrechter (deel 10)

Hieronder vindt u het tiende interview in de serie “Tien antwoorden van …”. De opzet is analoog aan “De tien geboden” in Trouw en de tekst bevat een tiental vaste vragen. Deze keer zijn de vragen gericht aan voormalig strafrechter mr E.H.M. (Eric) Druijf, thans bestuursrechter in de rechtbank midden-Nederland te Utrecht

Kort curriculum

1985-1990 studie Nederlands recht RU leiden
1986-1991 studie Semitische talen en culturen RU Leiden
1991-1992 secretaris HDORR departement van justitie
1992-1997 RAIO (rechtbank Utrecht)
1997-2010 gerechtsauditeur, rechter, vice-president (coördinerend RC, later hoofd VK) in de rechtbank Den Bosch
2010-2015 senior-rechter inhoudelijk strafrecht in rechtbank Limburg te Roermond
Vanaf 2015 bestuursrechter Utrecht

Wie is uw leermeester?

Ik noem er twee. Uit elk van mijn studies een. Als eerste toenmalig universitair docent Marc Loth die bij een inleidingscollege de naam van een van de nummers uit Porgy and Bess op het bord schreef: “It ain’t necessarily so” en dit ging gebruiken als leidraad bij zijn inleiding. Ik vond die verwijzing naar een heel andere wereld prachtig en heb de uitspraak altijd in mijn achterhoofd als iemand met een bepaalde stelligheid een standpunt naar voren brengt.
De ander is de helaas inmiddels overleden Prof. Hoftijzer. Van hem kreeg ik privé-college Aramees op zijn werkkamer. Het feit dat hij toen al (in mijn ogen dan) heel oud was, verschrikkelijk veel parate kennis had over de klassieke talen van het nabije oosten en een woordenboek had geschreven met een Franse collega maakte hem nagenoeg onaantastbaar. Van hem heb ik geleerd grote voorzichtigheid te betrachten bij het doen van uitspraken. En nu ik het voorgaande lees zie ik dat ze alles met elkaar te maken hebben. Misschien moet ik er nog een derde persoon aan toevoegen: mijn Roermondse collega Marise Steeghs. Van haar heb ik praktische wijsheid in het strafrecht geleerd. Heel belangrijk. Ik doe haar te kort met deze omschrijving maar zij weet vast wel wat ik bedoel.

Hoe organiseerde u uw eigen werk in de strafafdeling en in hoeverre verschilt dat van de huidige organisatie van uw werk in het bestuursrecht?

Toen ik in Roermond als strafrechter aan de slag ging was ik de derde ‘kamervoorzitter’. Vanuit die positie was het mogelijk vroegtijdig in te grijpen in de voorbereiding van strafzaken door het toepassen van voorzittersbevoegdheden. Ook was het mogelijk mee te beslissen over de planning van zaken zodat kon worden voorkomen dat zaken die nog niet ‘zittingsrijp’ waren toch voor behandeling werden gepland. Deze werkwijze gaf veel voldoening en zorgde ervoor dat zaken als ze eenmaal werden aangebracht meestal inhoudelijk konden worden behandeld. Later werd deze werkwijze helaas teniet gedaan doordat bevoegdheden werden overgeheveld naar de ‘verkeerstoren’. In mijn ogen een verkeerde beslissing.
De doorgeschoten situatie tref ik nu weer in het bestuursrecht aan. Het rooster is hier leidend en elke betrokkenheid van rechters bij de behandeling van zaken (anders dan natuurlijk de inhoudelijke behandeling) is verdwenen achter een bureaucratisch scherm. Ik zal hier verder geen woorden aan vuil maken.

Wat was uw belangrijkste doel bij het behandelen van de strafzaak en in hoeverre verschilt dat van uw huidige doel bij het behandelen van een bestuurszaak?

Het belangrijkste doel blijft toch: recht doen in een individueel geval. Noch in een strafzaak noch in een bestuurszaak hoeft dat overigens te betekenen dat een verdachte respectievelijk een eiser voldaan over de uitkomst naar huis moet kunnen gaan. Naast de betrokken belangen spelen ook de hogere doelen: de maatschappij, rechtseenheid, de staat van het recht enzovoort. Een goed vonnis/goede uitspraak sluit een procedure af. Je kunt van mening verschillen over het woord “goed”, maar vonnissen/uitspraken die een soort van innerlijke schoonheid of elegantie hebben voldoen gewoonlijk wel aan dat criterium.

Hoe ervoer u destijds tijdens uw werk als strafrechter de opstelling van het openbaar ministerie?

Op zitting tref je niet het openbaar ministerie maar de vertegenwoordiger daarvan en de ervaringen daarmee waren wisselend. Het is jammer om te zien hoe een onderdeel van de rechterlijke macht van magistratelijk korps afglijdt naar ‘politiemacht in toga’. Veel officieren zijn van goede wil maar kunnen in hun dagelijkse bestaan niet opboksen tegen de hiërarchie en – praktisch gezien nog funester – de krankzinnige werkdruk. De bezuinigingen bij het openbaar ministerie helpen niet. De politiek zou moeten inzien dat voor een goed functionerende rechtstaat een sterk en magistratelijk openbaar ministerie net zo belangrijk is als een onafhankelijke rechterlijke macht.

Hoe kon de raadsman in uw ogen destijds tot een efficiëntere verdediging komen en wat zouden zij kunnen leren van de bestuursrechtelijke advocatuur?

Wat ik geregeld mis is bondigheid. Een goed pleidooi zoekt de zwakke plekken op in de procedure en hakt daar omheen. Teveel woorden maskeren gebrek aan scherpte en misschien ook kennis. En daarnaast: de beste verdediging is de aanval. De advocaat die het alleen op de zitting laat aankomen staat dan al met 1-0 achter. Goede advocaten zoeken al vooraf contact met de officier en proberen op die manier al op voorhand de zaak te beïnvloeden.
Laat ik overigens de vraag omdraaien: wat kan de bestuursrechtelijke advocatuur leren van de strafrechtelijke? Zie hiervoor.

Welk strafrechtelijk leerstuk intrigeerde u het meest?

Dat is ongetwijfeld het staartstuk: de beslissing en dan met name de bestraffing. Ik heb het dan over de grote vragen die liggen achter de straffen: strafdoelen, maatschappelijke eisen, politieke eisen. Discussies over minimumstraffen, beperking taakstraffen. Eisen die gesteld kunnen worden aan motivering van straffen enzovoort. Ik ben gefascineerd door maatschappelijke en politieke opvattingen die hierover bestaan enerzijds en de beleving van de strafrechters anderzijds. Ik zeg niets nieuws als ik constateer dat zich daartussen een kloof bevindt waar we overheen naar elkaar aan het staren zijn en misschien wel over en weer onrealistische verwachtingen hebben.

Hoe heeft u zich als strafrechter en bestuursrechter ontwikkeld en houdt u sinds u werkzaam bent in het bestuursrecht de strafrechtelijke ontwikkelingen nog steeds bij?

Tja, ontwikkeling is een continu proces. Er is geen nulmeting waarvan je kunt zeggen: toen was ik daar en ik heb me sindsdien zo en zo ontwikkeld.
Ik denk wel dat ik in de loop der jaren vrijer ben geworden. Minder volgzaam t.o.v. jurisprudentie en recht. Meer zoekend naar mogelijkheden om in individuele gevallen net anders te beslissen.
Het is moeilijk om alle ontwikkelingen van het oude rechtsgebied bij te houden, dus dat gaat alleen nog maar op grote lijnen. Wel neem je natuurlijk je ervaring als strafrechter mee naar het bestuursrecht en ik geloof dat de hiervoor genoemde opvatting van vrijheid zich ook in bestuursrechtelijke zaken zal manifesteren.

Voelt u zich als rechterlijk ambtenaar meer rechter of ambtenaar?

Rechter! Al zullen mijn kinderen vast wel eens denken dat ik een verschrikkelijke ambtenaar ben…

Ziet u het spreken van recht en de organisatie daarvan als gescheiden werelden?

Ik heb jarenlang gedacht dat het twee grootheden waren die niet zonder elkaar konden. Een goede rechtspraak kan immers niet zonder een vorm van organisatie. De huidige organisatie is echter gebaseerd op algemene managementuitgangspunten en houdt te weinig rekening met de eigenaardigheden van de rechtspraak. Dat wringt naar mijn mening meer en meer naar mate de invloed van het gerechtsbestuur op de praktische organisatie van het werk toeneemt. Zie wat ik hiervoor over de organisatie van het eigen werk heb gezegd.

Welke ontwikkeling binnen de rechterlijke organisatie betreurt u het meest en welke ontwikkeling juicht u het meest toe?

Ik betreur het meest de afschaffing van de RAIO-opleiding en de opzet van de nieuwe RIO-opleiding. Bewezen ambachtelijkheid die wordt ingeruild voor competentiegericht opleiden. Om maar eens een actuele term te gebruiken: doorgeschoten rendementsdenken. Ik geloof niet dat de nieuwe opleiding betere rechters gaat opleveren.
Het meest juich ik de komt van jonge goed opgeleide en gedreven secretarissen toe. Daar zitten hele leuke mensen tussen waar het goed mee samenwerken is.