De vrijheidsstraf

Tot slot dan de vrijheidsstraf (na de werkstraf en de geldboete). Tot 1926 de enige hoofdstraf die kon worden opgelegd en tot 1915 alleen in onvoorwaardelijke vorm. Inmiddels komt deze sanctie getalsmatig net iets minder voor dan de geldboete en de taakstraf. In nog maar 28% van de (enkelvoudige) hoofdstraffen wordt een geheel of gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenis- of hechtenisstraf opgelegd. In 2005 was dat percentage nog 25.7%, maar met name in de laatste paar jaren is de gevangenisstraf weer aan een bescheiden opmars bezig. Weliswaar was het aantal opgelegde vrijheidsstraffen 6000 minder dan in 2005, maar omdat het totaal van de afdoeningen in die periode sterk(er) daalde nam het percentage toe. Omdat de taakstraf in de afgelopen jaren de geldboete als het ware heeft weggedrukt, worden alle drie hoofdstraffen nu – in 2013 – in vrijwel gelijke mate opgelegd, zo rond de 28%.

Bij de jeugddetentie, de gevangenisstraf voor minderjarigen is er een heel ander beeld. Daar daalt het aantal schuldigverklaringen nog veel sneller dan bij de volwassenen, van 11.233 in 2005 naar 5.697 in 2013, nog net de helft, maar hier daalt het aandeel van de jeugddetentie in het totaal van de opgelegde hoofdstraffen nog een stuk sneller. Van het aantal opgelegde jeugddetenties in 2005 is in 2013 minder dan een derde over (2298 – 763).

Wie zou denken dat deze, veel selectievere benutting van de jeugddetentie tot hogere gemiddelde straffen zou leiden, komt bedrogen uit. Het aandeel van de korte detenties, onder de 3 maanden neemt in de genoemde periode toe van 51.6% naar 57.5%, terwijl dat van de langere, van 3 tot 6 maanden, daalt van 36% naar 29%. Alleen de detenties van 6 maanden of langer vormen hierop een uitzondering. Die nemen licht toe van 12.2% naar 13.7%.

Hetzelfde beeld zien we ook bij de gevangenisstraf. Daar neemt het aandeel van de straffen onder de 3 maanden toe van 56.1% in 2005 tot 63.5% in 2013 en ook hier daalt, bijgevolg, het aandeel van de langere straffen. In 2005 was nog 13% van die straffen een jaar of langer; 8 jaar later was dat percentage gedaald tot 10.5%

Het afnemende aantal schuldigverklaringen gekoppeld aan een eveneens, maar minder sterk dalend aantal vrijheidsstraffen leidt haast automatisch tot een daling van het aantal opgelegde detentiejaren en dus tot leegstand in de strafinrichtingen. In 2013 leidden alle opgelegde vrijheidsstraffen nog tot in totaal 11.959 detentiejaren; in 2013 waren er daar nog maar 9.020 van over (-25%). Bij de detentiedagen, het gemiddeld aantal dagen per sanctie dat moet worden uitgezeten, is het beeld genuanceerder: daar daalt het aantal dagen vanaf 2005 eerst van 152 naar 142 om vervolgens geleidelijk aan op te lopen tot 163 in 2010 en daarna zakt het weer tot 145 in 2013. Al met al is de behoefte aan gevangeniscapaciteit door de ingezakte productie van de rechter en daar bovenop de gemiddeld kortere duur van de vrijheidsstraf sterk afgenomen.

Voor welke misdrijven wordt nu het vaakste een gevangenisstraf opgelegd? Die vraag wil ik beantwoorden door het aandeel van die misdrijven in het totaal van de schuldigverklaringen te vergelijken met het aandeel van die misdrijven in de genoemde straf. Hoe meer het percentage vrijheidsstraffen voor een delict groter is dan zijn deel in de schuldigverklaringen hoe meer het een typisch gevangenisstraf misdrijf is. Welke zijn dat dan?

Allereerst in zijn algemeenheid de misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht. Die waren in 2013 goed voor net 70% van het aantal schuldigverklaringen, maar leverden 81% van de vrijheidsstraffen. In 2005 was dat verschil nog aanzienlijk groter te weten bijna 63% tegen ruim 79%. De misdrijven uit het WvS zijn dus minder een gevangenisstrafdelict geworden dan 8 jaar geleden. Hun aandeel in het totaal van de schuldigverklaringen is toegenomen met ruim 7%, maar het aandeel van de gevangenisstraf blijft ongeveer stabiel. Deze ontwikkeling valt het sterkst waar te nemen bij de vermogensdelicten en dan vooral bij de eenvoudige en in mindere mate bij de diefstal met geweld waarbij dat verschil steeds kleiner wordt en taakstraffen worden opgelegd in plaats van vrijheidsstraffen.

Bij de gewelds- en seksuele misdrijven is een soortgelijke ontwikkeling te zien. Daar blijft het aandeel in de schuldigverklaringen vrijwel constant terwijl dat in de gevangenisstraf met 4.5% daalt. Die ontwikkeling komt vooral voor rekening van de mishandeling waar steeds vaker taakstraffen worden opgelegd. Voor het overige zijn er weinig verschillen te constateren of het moest al zijn dat bij bedreiging en stalking in bescheiden mate een omgekeerde beweging zichtbaar is. Bij levensdelicten is gevangenisstraf (uiteraard) de regel en dat blijft zo.

De vrijheidsstraf is dus kwantitatief op zijn retour, maar dat komt vooral omdat de productie van de rechter over de hele linie is gedaald. Gegeven die daling “doet deze straf het redelijk goed” en neemt procentueel zelfs licht toe. De duur ervan blijft echter bescheiden. In 2013 is net geen 80% korter dan 6 maanden. Een groot deel daarvan is, neem ik aan, gelijk aan de duur van de ondergane voorlopige hechtenis, maar zeker weten doe ik dat niet. Het aantal “echte” gevangenisstraffen van een jaar of langer beperkt zich tot 2135. Het aantal straffen van 3 jaar of meer tot 809.

Dalende productie en kortere straffen leiden samen tot minder detentiejaren en dus tot leegstand van cellen. Met een verantwoord veiligheidsbeleid heeft dit alles niets te maken.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie