Tien antwoorden van de strafrechter (deel 9)

Hieronder vindt u het negende interview in de serie “Tien antwoorden van …”. De opzet is analoog aan “De tien geboden” in Trouw en de tekst bevat een tiental vaste vragen. Deze keer zijn de vragen gericht aan mr. R.M. (Robert) Maanicus, rechter rechtbank Gelderland.

Kort curriculum

1992: straf- en privaatrechtelijk afgestudeerd in het Nederlands recht aan de Universiteit van Utrecht;
1992-2011: advocaat, laatstelijk bij Ausma de Jong (strafrecht)advocaten in Utrecht;
2002-2011: rechter plaatsvervanger bij de rechtbank Zutphen;
2011-heden: rechter bij de rechtbank Gelderland, afdeling strafrecht (sinds 1 september 2014 rechter-commissaris).

Wie is uw leermeester?
Als onder leermeester wordt verstaan een persoon van wie ik dingen leer/heb geleerd en van invloed is/is geweest op de persoon die ik nu ben zijn het er velen. Ouders, een enkele docent op de middelbare school en meerdere tijdens de studie, (advocaten)stagebegeleider, patroon, oud en huidige collega’s. Ik leer overigens nog altijd dagelijks dingen bij. Binnen de rechtspraak is het elkaar geven van feed back gelukkig aan de orde van de dag. Veel meer bijvoorbeeld dan in de advocatuur. Hierdoor is het meer geaccepteerd om feed back te geven en te krijgen en ben je in staat jezelf te blijven ontwikkelen. Tenslotte leer ik veel door naar anderen te kijken. Bijvoorbeeld hoe ik dingen beter kan doen of andere dingen soms maar beter achterwege kan laten.

Hoe organiseert u uw eigen werk?
Ik probeer iedere dag minstens een uur te besteden aan ontwikkelingen binnen het strafrecht. Dat varieert dus van het lezen van jurisprudentie tot het lezen van artikelen en publicaties. Tot voor kort was ik zittingsrechter en had ik minimaal 1 dag per week zitting in de meervoudige kamer en een dagdeel per week als politierechter. De zaken voor de MK scan ik bij voorkeur een week of twee voor de zitting. Dan controleer ik of ik alle stukken heb en onderzoek ik of er mogelijk sprake is van onvoorziene ‘knooppunten’ zodat ik daar nog enige regie op kan voeren. De PR zittingen bereid ik vaak pas een paar dagen voor de zitting voor. Voor de rest zit er natuurlijk tijd in het schrijven/controleren van de vonnissen en pv’s. Tussendoor organiseer ik ‘inhouse’ cursussen, lezingen en de jaarlijkse bijeenkomst van de rechtbank met het OM en de balie. Tegenwoordig ben ik RC en dat is een wat meer hectisch bestaan. Je leeft meer bij de waan van de dag en het vergt wat meer flexibiliteit. Voorgeleidingen, huiszoekingen, het beoordelen van vorderingen van de OvJ en verzoeken van de verdediging. Het aardige daarvan is dat een dag heel anders kan lopen dan aanvankelijk gepland.

Wat is het belangrijkste doel bij het behandelen van een strafzaak?
Dat alle betrokken partijen na de behandeling van de zaak het gevoel hebben te zijn gehoord en dat er recht is gesproken. Hierbij realiseer ik mij overigens wel dat het geregeld voorkomt dat één (of zelfs meerdere) partij(en) het niet eens is(zijn) met de uitkomst van de zitting.

Hoe ervaart u de opstelling van het openbaar ministerie?
In een tijd van steeds verder gaande bezuinigingen kan ik mij enerzijds voorstellen dat het wel moeilijker wordt om optimaal te presteren. Ik kan dan ook niet anders dan groot respect hebben voor de officieren (en hun ondersteuning) die met nimmer aflatende energie hun schouders eronder blijven zetten. Anderzijds gebiedt de eerlijkheid mij wel te zeggen dat het op een aantal punten echt beter kan en moet. En dan heb ik het alleen nog maar over hele basale zaken als (op tijd) oproepen en betekenen, dossiers tijdig en compleet aanleveren, (inhoudelijk) reageren op verzoeken van de verdediging e.d..

Hoe kan de raadsman tot een efficiëntere verdediging komen?
Kort en krachtig durven zijn.

Welk strafrechtelijk leerstuk intrigeert u het meest?
Ik heb geen uitgesproken voorkeur voor een bepaald leerstuk alhoewel de dunne lijn tussen voorwaardelijk opzet en bewuste schuld wel erg fascinerend kan zijn. Wat mij binnen de (straf)rechtspraak intrigeert is hoe verschillend rechters tegen een bepaalde zaak kunnen aankijken en hoe de chemie vervolgens werkt in raadkamer. Er moet per slot van rekening wel een vonnis komen.

Hoe heeft u zich als strafrechter ontwikkeld?
Als strafrechter ben ik nog steeds in ontwikkeling en eerlijk gezegd hoop ik dat ook altijd te blijven. Bovendien ben ik nog niet zo lang strafrechter en valt er nog een hoop te leren. Uit mijn vorige leven als advocaat neem ik vooral mee hoe belangrijk cliënten het vonden om door de rechter op een correcte wijze bejegend te worden. Ik heb ooit een cliënt gehad die hoger beroep had ingesteld omdat hij vond ‘schofterig’ behandeld te zijn geweest door de (politie)rechter. In hoger beroep werd zijn zaak secuur behandeld en werd hij uiterst correct te woord gestaan door de voorzitter van het hof die hem in rustige maar niet mis te verstane bewoordingen aansprak op zijn verantwoordelijkheden. Hij kreeg een hogere straf opgelegd dan in eerste aanleg maar kon daar, vanwege de wijze waarop hij bejegend was, beter mee leven. Een wijze les waar ik vaak aan terug moet denken wanneer ik met verdachten praat.

Voelt u zich als rechterlijk ambtenaar meer rechter of ambtenaar?
Het antwoord op deze vraag is zo voor de hand liggend dat ik er eigenlijk nooit echt bij stil heb gestaan. Ik voel mij zeker meer rechter dan ambtenaar. Met name het feit onafhankelijk te zijn is het fundament van dit gevoel. Daar waar de politiek zich tegenwoordig toch steeds meer dreigt te bemoeien met rechtspraak (bijvoorbeeld door het invoeren van de wet beperking taakstraffen en de voortdurende roep om het invoeren van minimumstraffen) is het belangrijk de rug recht te houden, onafhankelijk te blijven en te waken voor een te vergaande inmenging door de overheid op de rechtspraak.

Ziet u het spreken van recht en de organisatie daarvan als gescheiden werelden?
Nee. Goede rechtspraak kan niet zonder een goede (ondersteunende) organisatie. En we moeten er in dat verband vooral ook niet te huiverig voor zijn elkaar op onze verantwoordelijkheden te wijzen. Zo houden we elkaar scherp en zo kan de rechtspraak optimaal (blijven) functioneren. Zo mag men natuurlijk vanuit de organisatie rechters aanspreken op bijvoorbeeld kwantiteit, als er van de andere kant ook maar geluisterd wordt naar suggesties waarop rechters (en ondersteuning) beter gefaciliteerd kunnen worden.

Welke ontwikkeling binnen de rechterlijke organisatie betreurt u het meest en welke ontwikkeling juicht u het meest toe?
De voortdurende bezuinigingen zijn mij een doorn in het oog. Steeds meer met/door minder. Het kan niet anders dan dat dat een keer fout gaat. Ik heb niets tegen meer efficiency op de werkvloer maar ook efficiënt werken kent grenzen. Een andere hartenkreet is dat wij vooral niet moeten denken dat we met het strafrecht ieder maatschappelijk probleem op kunnen lossen. Het strafrecht wordt soms gepresenteerd als wondermiddel en dan raakt men teleurgesteld als het onverhoopt niet het gewenste resultaat oplevert. Dat kan en mag niet de bedoeling zijn van een instrument dat zo voorzichtig gehanteerd moet worden.
Alhoewel de steeds verder gaande digitalisering binnen de rechtspraak ongetwijfeld ook een gevolg is van bezuinigingsdrang, is dat een ontwikkeling die ik toejuich. De digitaliseringsmolen draait, evenals de ambtelijke molen zelf, traag maar gestaag. En dat zou wat mij betreft wel wat sneller kunnen.

Laat ik afsluiten met een laatste cri de coeur om het maar eens op zijn plat Hollands te zeggen: laten we met zijn allen wat minder piepen en genieten van het prachtige ambt dat wij uitoefenen. Want dat is het.