Versluierend taalgebruik en onwaarheden van de strafrechter

“Doe mij vanavond even een cd’tje door de brievenbus”. Inmiddels zodanig bekend dat alleen de daders nog denken dat zij iets versluieren. Zij kunnen dan uit die droom geholpen worden omdat het dossier ook sms’jes bevat waarin om een half cd’tje wordt gevraagd. Maar er is meer versluierend taalgebruik.
Enige tijd geleden zat ik erbij toen een rechter-commissaris op een advocaat reageerde met “ik hoor het u zeggen”, standaard versluierend taalgebruik voor “u liegt dat u barst”. Zo standaard dat de advocaat in woede ontstak en de rechter-commissaris toesiste dat deze heel goed wist wat zijn opmerking betekende, om vervolgens tot wraking over te gaan. Het lijkt netjes geformuleerd maar het is niet netjes en ook zeker niet leuk als de rechter tegen de verdachte versluierd zegt dat hij liegt en de verdachte de enige is die de
boodschap niet begrijpt. En als het echt gezegd moet worden, zeg het dan, op straffe van. Er zijn ook rechters die in klip en klare taal de verdachte voorhouden wat het probleem is, dus het kan wel.
Een rechter zou geen versluierend taalgebruik moeten hanteren. En als de rechter dat wel doet, waarom de rechter daar dan niet aan houden, zoals ook de verdachte – bij de bewijsmiddelen – aan zijn versluierend taalgebruik gehouden wordt.

Een andere rechter-commissaris was even in het nieuws omdat hij, zoals dat al sinds mensenheugenis gebeurt, aan de griffier dicteerde dat de getuige, in dit geval Nico Meijering, verklaard had dat hij de rechter-commissaris iets had horen zeggen, dat zal zoiets geweest zijn als: “ik hoor u zeggen dat mij een verschoningsrecht toekomt”.
Natuurlijk had Meijering dat niet verklaard maar ja, zo gaat dat hier altijd en het is nog nooit een probleem geweest zei de rechter-commissaris, toen Meijering er over viel. Wat hiervan zij, vastgesteld kan worden dat de rechter-commissaris dan altijd in die dagelijkse praktijk niet de waarheid spreekt wanneer hij aan de griffier dicteert.

“We gaan eerst eens kijken wie hier aanwezig is”. De verdachte geeft zijn personalia op en de rechter bericht aan de verdachte dat hij hier aanwezig is als verdachte, dat hij niet hoeft te antwoorden op vragen die hem worden gesteld en dat hij goed moet opletten bij wat hier gebeurt. De rechter denkt hier te doen wat aan hem in artikel 273 WvSr. is opgedragen. Maar is dat ook zo? Het afgelopen jaar heb ik op zittingen een staatje bijgehouden van de manier waarop rechters invulling geven aan de voorschriften van artikel 273 WvSr. De teksten die gebruikt worden variëren:
“Het is in uw eigen belang dat u goed oplet”
“Ik adviseer u om goed op te letten”
“Het gaat om uw zaak en uw belang, dus let u goed op”
en andere varianten.
Maar in meer dan 70% van de gevallen wordt de verdachte concreet voorgehouden dat hij “goed moet opletten”. De rechter zegt tegen de verdachte dat hij mág zwijgen en móet opletten. Ook hier spreekt de rechter niet de waarheid. De verdachte hoeft immers helemaal niet op te letten, laat staan goed. De verdachte mag zelfs opstaan, goedemorgen zeggen en verdwijnen. Manen tot opletten is echt iets anders dan een rechter(!) die zegt dat dat moet. Vastgesteld kan worden dat rechters zeer regelmatig aan het begin van een strafzitting niet de waarheid spreken.

Het bovenstaande lijkt een hoog gehalte aan folklore te hebben alhoewel voor sommigen van dat moeten opletten iets intimiderends uit kan gaan. Er is echter ook een ander moment waarop rechters niet de waarheid spreken en waar het wel om serieuze zaken kan gaan.
Onlangs stond ik in Leeuwarden, het ging om het hoger beroep in een volgens de media “groepsverkrachtingzaak” in Zwolle, waarbij een kwetsbaar 15-jarig meisje door 7 of 8 jongens verkracht zou zijn. De advocaat-generaal had er belang bij dat de verdachten over elkaar gingen verklaren maar als getuigen riepen zij het verschoningsrecht in. Daarop vorderde de advocaat-generaal met succes de voeging in het dossier van verklaringen van medeverdachten in eerste aanleg in hun eigen zaak afgelegd. Iets wat sinds het goedkeurend stempel van de Hoge Raad in 2010 regelmatig gebeurt, ook tijdens de procedure in eerste aanleg: verdachte legt verklaring af, proces-verbaal opmaken en
proces-verbaal voegen in het dossier van de medeverdachte.
Maar wat wordt er aan het begin van een strafzitting waar verschillende verdachten terecht staan door de rechter tegen de verdachten gezegd?
“Uw zaken worden gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld, dat betekent dat wat u hier verklaart alleen geldt in uw eigen zaak”. De rechter die meent dat de verdachte het niet helemaal goed begrijpt is soms zo welwillend om nader uit te leggen dat de medeverdachten dus geen last hebben van wat de verdachte gaat zeggen. Soms waarschuwt de rechter zelfs dat dat anders kan worden wanneer de verdachte eventueel als getuige in die zaken van de medeverdachten gehoord gaat worden. Strikt genomen hoeft dat niet want als getuige verklaart de verdachte niet langer in zijn eigen zaak; bovendien kan hij dan opnieuw beslissen over zijn verklaringsbereidheid.
Nog nooit echter heb ik een rechter horen waarschuwen dat de verklaring die de verdachte gaat afleggen in zijn eigen zaak wél gebruikt kan gaan worden in de zaak van de medeverdachte, namelijk via de hiervoor beschreven procedure. Sterker, gezegd wordt dat dat niet kan, zo ook in de Zwolse zaak hierboven.
Het is een hele simpele vaststelling: de verklaring die de verdachte aflegt in zijn eigen zaak kan wel degelijk gebruikt worden in de zaak van een medeverdachte en de rechter die daar niet voor waarschuwt houdt informatie achter. De rechter die tegen de verdachte zegt dat zijn verklaring niet gebruikt kan worden tegen de medeverdachte spreekt niet de waarheid.
Hier moet verandering in komen en dat kan op eenvoudige wijze: de rechter legt aan de verdachte uit hoe het zou kunnen gaan.

Folklore kan blijven bestaan maar bij zaken die belangrijk kunnen zijn heeft de rechter de verplichting om, als hij spreekt, de waarheid te spreken.

Peter Plasman
Strafpleiter