Tien antwoorden van de officier van justitie (deel 8)

Hieronder vindt u het achtste interview in de serie “Tien antwoorden van …”. De opzet is analoog aan “De tien geboden” in Trouw en de tekst bevat een tiental vaste vragen. Deze keer zijn de vragen gericht aan mr. Caroline M.J. Krol, seniorofficier van justitie AP Oost-Nederland.

Kort curriculum

2014 – heden: seniorofficier van justitie AP Oost-Nederland
2010 – 2014: advocaat-generaal ressortsparket, locatie Arnhem
2003 – 2010: (senior)officier van justitie arrondissementsparket Zutphen waaronder de functies: Kwaliteitsovj, CIE-ovj, FO-ovj, TGO-ovj
2008 – 2009: plaatsvervangend rechter rechtbank ’s-Hertogenbosch
2000 – 2003: (plaatsvervangend) officier van justitie arrondissementsparket ‘s-Gravenhage
1995 – 2000: boetefraudecoördinator/contact-ambtenaar/inspecteur Douane & Accijnzen Belastingdienst/douanedistrict Rotterdam
1993 – 1995: inspecteur vennootschapsbelasting Belastingdienst/Grote Ondernemingen Groningen

Wie is uw leermeester?

Eén allesomvattende leermeester heb ik niet. Ik heb door de jaren heen erg veel geleerd van collega’s, rechters, raadsheren en ook van advocaten. Iedereen heeft zijn zwakkere en sterke kanten. En van beide kan je leren. Tot de dag van vandaag probeer ik me open te stellen voor de kennis en kunde van anderen en daar zelf van te groeien.

Hoe organiseert u uw eigen werk?

De afgelopen vier jaren ben ik als advocaat-generaal werkzaam geweest. In die functie was het plannen van eigen werk relatief eenvoudig. Ik bekeek zo vroeg mogelijk de omvang en zwaarte van de zittingen en schreef vervolgens in mijn agenda op welke dagen of dagdelen ik een bepaalde zitting ging voorbereiden.

Sinds 1 juni jl. ben ik weer als officier van justitie werkzaam en is het werk heel wat minder makkelijk te plannen en organiseren. Mijn werkzaamheden bestaan voornamelijk uit medische zaken, arbeidsongevallenzaken, tbs, opleiding, kwaliteit en het primaire proces waaronder weekdiensten (tegenwoordig centrale frontoffice geheten), piket, onderzoeken en zittingen.

Vrijwel alle hiervoor genoemde werkzaamheden kennen een flinke dosis ‘waan van de dag’ met ad hoc-vragen en –acties. In zo’n geval dringt de actie met de hoogste prioriteit zich simpelweg op. Toch heb ik wel een paar vaste handelingen om grip te houden op de werkzaamheden. Dit zijn:
– Drie maal per dag lees ik mijn mails en probeer deze zoveel mogelijk direct af te handelen;
– Het voorbereiden van zittingen ‘blok’ ik nog steeds in mijn agenda en ik houd zoveel mogelijk vast aan deze gereserveerde tijd;
– Alle actiepunten die ik in de loop van de dag verzamel schrijf ik op. Dagelijks controleer ik welke acties nog open staan en plan wanneer ik deze ga afhandelen.

Wat is uw belangrijkste doel bij het rekwireren in een strafzaak?

Het belangrijkste doel van een requisitoir, en dus ook van mijn requisitoir, is om met name de rechter, maar ook de verdachte met al dan niet zijn/haar raadsman -, de benadeelde partij en andere aanwezigen te informeren over het standpunt van het openbaar ministerie.

Een goed requisitoir beperkt zich tot de kern van de desbetreffende zaak en de daarin bestaande ‘discussiepunten’. Het heeft naast een gedegen juridisch gehalte ook oog voor de gevoelens van en het toegebrachte leed aan de benadeelde partij en de maatschappelijke relevantie, maar ook voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Een goede zittings-officier van justitie weet met zijn of haar requisitoir te boeien en de aandacht vast te houden.

Hoe ervaart u de opstelling van de zittende magistratuur?

Zoveel rechters, zoveel verschillen in opstelling. Sommige rechters hebben een professionele distantie, anderen hebben een arrogante distantie. Sommige rechters zijn amicaal, anderen belerend, vriendelijk, ingetogen, korzelig, onderhoudend of veeleisend. Kortom één opstelling kan ik niet geven, het is sterk afhankelijk van de rechter of combinatie van rechters.

De gemeenschappelijke deler die ik wel zie bij de zittende magistratuur is dat de rechters zonder uitzondering proberen zo goed mogelijk vorm te geven aan hun rechtsprekende taak. Met alle aspecten die daar bij komen kijken. Ik denk dat ‘serieus en betrokken’ wel de meest gemeenschappelijke termen voor de zittende magistratuur mogen worden genoemd.

Hoe kan de raadsman tot een efficiëntere verdediging komen?

Een collega merkte het laatst mooi op: “choose your battle”, dát zou ik de verdediging graag meegeven. Ga niet op elk puntje uit het procesdossier kritisch in, maar kies één of een paar onderwerpen die daadwerkelijk van belang zijn voor de door de rechter te nemen beslissingen. Hierdoor wint naar voren gebrachte punt aan kracht en naar mijn volle overtuiging: ook aan succes.

Welk strafrechtelijk leerstuk intrigeert u het meest?

Er zijn meerdere leerstukken die mijn interesse hebben, maar één van de opmerkelijkste leerstukken vind ik toch wel het noodweer-leerstuk. In het verleden werd dit verweer weinig gevoerd en nog minder toegewezen. Sinds de Salduz-jurisprudentie verklaren de verdachten in het overgrote deel van de geweldszaken dat zij uit noodweer hebben gehandeld. Vrijwel hand in hand met deze ontwikkeling ontstond in de maatschappij een steeds luidere roep dat mensen wiens lijf of goed werd aangetast zich zeker met geweld, zelfs met grof geweld, mochten verdedigen. Als kers op de taart trad per 1 januari 2011 de ‘Aanwijzing handelwijze bij beroep op noodweer’ in werking waarin staat dat de aangevallen burger die zijn aanvaller weet te weerstaan, niet wordt gestraft en als verdachte met een ‘bijzondere positie’ moet worden beschouwd. Een en ander heeft ertoe geleid dat het aantal ‘ontslagen van alle rechtsgevolgen’ (OVAR) aanzienlijk zijn toegenomen.

Persoonlijk vind ik dat de rechtspraak tot en met de Hoge Raad doorslaat in het honoreren van noodweerverweren. Zo werd bijvoorbeeld nog vrij recent dit verweer gehonoreerd in een casus waar de verdachte met een doorgeladen pistool en met 2 vrienden (postuur Schwarzenegger in zijn filmjaren) op bezoek ging bij een persoon om een conflict over een henneplevering ‘uit te praten’. Natuurlijk werd hij warm ontvangen door deze persoon die óók 2 stevige vrienden bij zich had. In korte tijd escaleerde de situatie en bleken er in totaal 3 doorgeladen wapens achter de broeksbanden te zitten. Met – in mijn ogen – het bizarre resultaat dat een deel van de verdachten werd ontslagen van rechtsvervolging.

Hoe heeft u zich als magistraat ontwikkeld?

Eigenlijk is dit een vraag die beter door anderen kan worden beantwoord. Zoals ik al aan het begin heb aangegeven: ik probeer nog steeds elke dag te leren en te groeien in mijn rol als magistraat en in kennis en vaardigheden. Ik heb inmiddels al veel functies en taken gehad: gebiedsofficier, FO-officier, CIE-officier, kwaliteitsofficier, TGO-officier, advocaat-generaal en zelf plaatsvervangend rechter, dus ik mag mij inmiddels wel redelijk all round noemen. Maar nog steeds valt er genoeg te leren.

Voelt u zich als staande magistratuur meer magistraat of ambtenaar?

Dat is een behoorlijke gewetensvraag.

In mijn functioneren als officier van justitie in onderzoeken, in diensten en op zitting voel ik mij op en top magistraat. In die rol ben ik niet een individu met een eigen naam en leven, maar sta ik in dienst van het veel grotere algemeen belang met als doel een rechtvaardige opsporing, vervolging en rechtspleging.

Binnen de organisatie van het werk kan ik mij wel eens een enorme ambtenaar voelen. Bijvoorbeeld door de moeite die soms moet worden getroost om tijdig (en volledig) de stukken voor een zitting in mijn bezit te krijgen, of om de vraag bij wie ik voor wat en waar moet zijn beantwoord te krijgen, of door het veelvuldig verantwoording moeten afleggen alvorens een beslissing te kunnen nemen. En dan heb ik het nog niet eens over het ontbreken van prullenbakken, het verbod om achter het bureau te eten en het ontbreken van eigen kastruimte.

Ziet u uw inhoudelijke taak en de organisatie als gescheiden werelden?

Ik denk dat mijn vorige antwoord hierop veelzeggend is.

Welke ontwikkeling binnen de magistratuur betreurt u het meest en welke ontwikkeling juicht u het meest toe?

Ik zou hier liever ontwikkelingen binnen de organisatie willen noemen, omdat de magistraat niet alleen opereert maar een onderdeel is van een groter geheel. De ontwikkeling die ik en vele collega’s met mij, ten diepste betreur is de huidige ontwikkeling om het aantal medewerkers met ondersteunende taken te minimaliseren. Door bezuinigingen, nieuwe werkprocessen en inzichten verdwijnen parketsecretarissen, administratief juridisch medewerkers (ajm) en administratieve medewerkers of krijgen deze functies een andere inhoud. Dit alles in het kader van OM2020, de nieuwe visie waarin ‘het bouwen van een toekomstbestendige, betaalbare organisatie die flexibel inspeelt op wat de samenleving van ons mag verwachten’ centraal staat. Deze ontwikkelingen zorgen voor veel onzekerheid en onrust op de werkvloer en velen vrezen ook de gevolgen voor het werkproces. De toekomst zal het leren.

Een goede ontwikkeling is mijn inziens de digitalisering. Hoewel nog niet alle kinderziekten zijn overwonnen en de ontwikkeling nog lang niet ten einde is, hebben digitale dossiers en digitale afdoening wél de toekomst. Deze ontwikkeling gaat uiteindelijk bijdragen aan een goede en voortvarende rechtspleging.

Hieronder vindt u het achtste interview in de serie “Tien antwoorden van …”. De opzet is analoog aan “De tien geboden” in Trouw en de tekst bevat een tiental vaste vragen. Deze keer zijn de vragen gericht aan mr. Caroline M.J. Krol, seniorofficier van justitie AP Oost-Nederland.

Kort curriculum

2014 – heden: seniorofficier van justitie AP Oost-Nederland
2010 – 2014: advocaat-generaal ressortsparket, locatie Arnhem
2003 – 2010: (senior)officier van justitie arrondissementsparket Zutphen waaronder de functies: Kwaliteitsovj, CIE-ovj, FO-ovj, TGO-ovj
2008 – 2009: plaatsvervangend rechter rechtbank ’s-Hertogenbosch
2000 – 2003: (plaatsvervangend) officier van justitie arrondissementsparket ‘s-Gravenhage
1995 – 2000: boetefraudecoördinator/contact-ambtenaar/inspecteur Douane & Accijnzen Belastingdienst/douanedistrict Rotterdam
1993 – 1995: inspecteur vennootschapsbelasting Belastingdienst/Grote Ondernemingen Groningen

Wie is uw leermeester?

Eén allesomvattende leermeester heb ik niet. Ik heb door de jaren heen erg veel geleerd van collega’s, rechters, raadsheren en ook van advocaten. Iedereen heeft zijn zwakkere en sterke kanten. En van beide kan je leren. Tot de dag van vandaag probeer ik me open te stellen voor de kennis en kunde van anderen en daar zelf van te groeien.

Hoe organiseert u uw eigen werk?

De afgelopen vier jaren ben ik als advocaat-generaal werkzaam geweest. In die functie was het plannen van eigen werk relatief eenvoudig. Ik bekeek zo vroeg mogelijk de omvang en zwaarte van de zittingen en schreef vervolgens in mijn agenda op welke dagen of dagdelen ik een bepaalde zitting ging voorbereiden.

Sinds 1 juni jl. ben ik weer als officier van justitie werkzaam en is het werk heel wat minder makkelijk te plannen en organiseren. Mijn werkzaamheden bestaan voornamelijk uit medische zaken, arbeidsongevallenzaken, tbs, opleiding, kwaliteit en het primaire proces waaronder weekdiensten (tegenwoordig centrale frontoffice geheten), piket, onderzoeken en zittingen.

Vrijwel alle hiervoor genoemde werkzaamheden kennen een flinke dosis ‘waan van de dag’ met ad hoc-vragen en –acties. In zo’n geval dringt de actie met de hoogste prioriteit zich simpelweg op. Toch heb ik wel een paar vaste handelingen om grip te houden op de werkzaamheden. Dit zijn:
– Drie maal per dag lees ik mijn mails en probeer deze zoveel mogelijk direct af te handelen;
– Het voorbereiden van zittingen ‘blok’ ik nog steeds in mijn agenda en ik houd zoveel mogelijk vast aan deze gereserveerde tijd;
– Alle actiepunten die ik in de loop van de dag verzamel schrijf ik op. Dagelijks controleer ik welke acties nog open staan en plan wanneer ik deze ga afhandelen.

Wat is uw belangrijkste doel bij het rekwireren in een strafzaak?

Het belangrijkste doel van een requisitoir, en dus ook van mijn requisitoir, is om met name de rechter, maar ook de verdachte met al dan niet zijn/haar raadsman -, de benadeelde partij en andere aanwezigen te informeren over het standpunt van het openbaar ministerie.

Een goed requisitoir beperkt zich tot de kern van de desbetreffende zaak en de daarin bestaande ‘discussiepunten’. Het heeft naast een gedegen juridisch gehalte ook oog voor de gevoelens van en het toegebrachte leed aan de benadeelde partij en de maatschappelijke relevantie, maar ook voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Een goede zittings-officier van justitie weet met zijn of haar requisitoir te boeien en de aandacht vast te houden.

Hoe ervaart u de opstelling van de zittende magistratuur?

Zoveel rechters, zoveel verschillen in opstelling. Sommige rechters hebben een professionele distantie, anderen hebben een arrogante distantie. Sommige rechters zijn amicaal, anderen belerend, vriendelijk, ingetogen, korzelig, onderhoudend of veeleisend. Kortom één opstelling kan ik niet geven, het is sterk afhankelijk van de rechter of combinatie van rechters.

De gemeenschappelijke deler die ik wel zie bij de zittende magistratuur is dat de rechters zonder uitzondering proberen zo goed mogelijk vorm te geven aan hun rechtsprekende taak. Met alle aspecten die daar bij komen kijken. Ik denk dat ‘serieus en betrokken’ wel de meest gemeenschappelijke termen voor de zittende magistratuur mogen worden genoemd.

Hoe kan de raadsman tot een efficiëntere verdediging komen?

Een collega merkte het laatst mooi op: “choose your battle”, dát zou ik de verdediging graag meegeven. Ga niet op elk puntje uit het procesdossier kritisch in, maar kies één of een paar onderwerpen die daadwerkelijk van belang zijn voor de door de rechter te nemen beslissingen. Hierdoor wint naar voren gebrachte punt aan kracht en naar mijn volle overtuiging: ook aan succes.

Welk strafrechtelijk leerstuk intrigeert u het meest?

Er zijn meerdere leerstukken die mijn interesse hebben, maar één van de opmerkelijkste leerstukken vind ik toch wel het noodweer-leerstuk. In het verleden werd dit verweer weinig gevoerd en nog minder toegewezen. Sinds de Salduz-jurisprudentie verklaren de verdachten in het overgrote deel van de geweldszaken dat zij uit noodweer hebben gehandeld. Vrijwel hand in hand met deze ontwikkeling ontstond in de maatschappij een steeds luidere roep dat mensen wiens lijf of goed werd aangetast zich zeker met geweld, zelfs met grof geweld, mochten verdedigen. Als kers op de taart trad per 1 januari 2011 de ‘Aanwijzing handelwijze bij beroep op noodweer’ in werking waarin staat dat de aangevallen burger die zijn aanvaller weet te weerstaan, niet wordt gestraft en als verdachte met een ‘bijzondere positie’ moet worden beschouwd. Een en ander heeft ertoe geleid dat het aantal ‘ontslagen van alle rechtsgevolgen’ (OVAR) aanzienlijk zijn toegenomen.

Persoonlijk vind ik dat de rechtspraak tot en met de Hoge Raad doorslaat in het honoreren van noodweerverweren. Zo werd bijvoorbeeld nog vrij recent dit verweer gehonoreerd in een casus waar de verdachte met een doorgeladen pistool en met 2 vrienden (postuur Schwarzenegger in zijn filmjaren) op bezoek ging bij een persoon om een conflict over een henneplevering ‘uit te praten’. Natuurlijk werd hij warm ontvangen door deze persoon die óók 2 stevige vrienden bij zich had. In korte tijd escaleerde de situatie en bleken er in totaal 3 doorgeladen wapens achter de broeksbanden te zitten. Met – in mijn ogen – het bizarre resultaat dat een deel van de verdachten werd ontslagen van rechtsvervolging.

Hoe heeft u zich als magistraat ontwikkeld?

Eigenlijk is dit een vraag die beter door anderen kan worden beantwoord. Zoals ik al aan het begin heb aangegeven: ik probeer nog steeds elke dag te leren en te groeien in mijn rol als magistraat en in kennis en vaardigheden. Ik heb inmiddels al veel functies en taken gehad: gebiedsofficier, FO-officier, CIE-officier, kwaliteitsofficier, TGO-officier, advocaat-generaal en zelf plaatsvervangend rechter, dus ik mag mij inmiddels wel redelijk all round noemen. Maar nog steeds valt er genoeg te leren.

Voelt u zich als staande magistratuur meer magistraat of ambtenaar?

Dat is een behoorlijke gewetensvraag.

In mijn functioneren als officier van justitie in onderzoeken, in diensten en op zitting voel ik mij op en top magistraat. In die rol ben ik niet een individu met een eigen naam en leven, maar sta ik in dienst van het veel grotere algemeen belang met als doel een rechtvaardige opsporing, vervolging en rechtspleging.

Binnen de organisatie van het werk kan ik mij wel eens een enorme ambtenaar voelen. Bijvoorbeeld door de moeite die soms moet worden getroost om tijdig (en volledig) de stukken voor een zitting in mijn bezit te krijgen, of om de vraag bij wie ik voor wat en waar moet zijn beantwoord te krijgen, of door het veelvuldig verantwoording moeten afleggen alvorens een beslissing te kunnen nemen. En dan heb ik het nog niet eens over het ontbreken van prullenbakken, het verbod om achter het bureau te eten en het ontbreken van eigen kastruimte.

Ziet u uw inhoudelijke taak en de organisatie als gescheiden werelden?

Ik denk dat mijn vorige antwoord hierop veelzeggend is.

Welke ontwikkeling binnen de magistratuur betreurt u het meest en welke ontwikkeling juicht u het meest toe?

Ik zou hier liever ontwikkelingen binnen de organisatie willen noemen, omdat de magistraat niet alleen opereert maar een onderdeel is van een groter geheel. De ontwikkeling die ik en vele collega’s met mij, ten diepste betreur is de huidige ontwikkeling om het aantal medewerkers met ondersteunende taken te minimaliseren. Door bezuinigingen, nieuwe werkprocessen en inzichten verdwijnen parketsecretarissen, administratief juridisch medewerkers (ajm) en administratieve medewerkers of krijgen deze functies een andere inhoud. Dit alles in het kader van OM2020, de nieuwe visie waarin ‘het bouwen van een toekomstbestendige, betaalbare organisatie die flexibel inspeelt op wat de samenleving van ons mag verwachten’ centraal staat. Deze ontwikkelingen zorgen voor veel onzekerheid en onrust op de werkvloer en velen vrezen ook de gevolgen voor het werkproces. De toekomst zal het leren.

Een goede ontwikkeling is mijn inziens de digitalisering. Hoewel nog niet alle kinderziekten zijn overwonnen en de ontwikkeling nog lang niet ten einde is, hebben digitale dossiers en digitale afdoening wél de toekomst. Deze ontwikkeling gaat uiteindelijk bijdragen aan een goede en voortvarende rechtspleging.