De geldboete

De vorige keer ging het over de taakstraf. Geconcludeerd werd toen dat die in toenemende mate de geldboete vervangt in plaats van de gevangenisstraf en dat ie de neiging heeft steeds korter te worden. Hoe staat het nu met de geldboete, die oer-Nederlandse sanctie waarmee je, door geld te betalen het verrichte kwaad als het ware kunt afkopen?

Schrijvend over de taakstraf heb ik al vastgesteld dat de geldboete kwantitatief op zijn retour is. In 1995 was de geldboete nog goed voor ruim 40% van de opgelegde enkelvoudige hoofdstraffen ( die door de jaren heen zo’n 85% van alle opgelegde straffen uitmaken); in 2013 was dat nog maar 27,5%. Met name de laatste paar jaar is het aandeel van de geldboete stevig ingezakt.

Voor praktisch alle misdrijven kunnen geldboetes worden opgelegd, zelfs voor moord. Het percentage geldboetes voor dit misdrijf is echter 0 net als voor de andere levensdelicten. Voor de misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht is de geldboete nergens een dominante sanctie. In totaal zijn die misdrijven in 2013 verantwoordelijk voor ruim 70% van de schuldigverklaringen, maar ze leveren samen maar 45% van alle opgelegde boetes. Alleen bij vernieling worden (iets) meer geldboetes opgelegd dan je zou mogen verwachten en mishandeling, levert, met 8% van alle schuldigverklaringen, ook 8% van de geldboetes. Bij alle andere misdrijven in deze sector domineert echter de gevangenisstraf en, in veel mindere mate, de taakstraf.

Nee dan de Wegenverkeerswet. Die is in 2013 nog maar goed voor bijna 18% van alle schuldigverklaringen maar levert wel ruim 45% van alle opgelegde geldboetes. Een soortgelijke verhouding, maar absoluut gezien veel minder belangrijk, geldt ook voor de z.g. overige wetten die met 2% van de schuldigverklaringen verantwoordelijk zijn voor ruim 2 maal zoveel geldboetes. En ook bij overtreding van de Vuurwapenwet worden meer geldboetes opgelegd dan zou mogen worden verwacht.

Geldboetes worden in overgrote meerderheid geheel onvoorwaardelijk opgelegd, zij het dat die tendens dalend is. In 2007 was het nog 84% in 2013 bijna 78%. Er is een onmiskenbare ontwikkeling naar meer geheel voorwaardelijke geldboetes van 8.2% in 2007 tot bijna 14% zes jaar later.

Er zijn 6 categorieën geldboetes. Voor de eerste categorie is het maximum 405 euro, voor de tweede is het10 keer zo hoog, 4050 euro derhalve; voor de derde geldt een maximum van 8100 euro. Voor de vierde is het maximum twee en half maal zo groot als voor de derde en voor de vijfde 10 keer: 81000 euro. In de zesde categorie kan nog eens 10 maal zoveel worden opgelegd te weten 810000 euro. Dat is dus ook de maximale boete überhaupt. Een merkwaardig systeem waarvan de logica mij geheel ontgaat en dat voor de praktijk in kwantitatieve zin, ook nauwelijks relevant is. Een systeem bovendien dat de rechter financieel minder armslag geeft dan het OM dat via de transactie, zoals we laatst nog zagen bij SBM-offshore, vele malen meer kan “opleggen”, in casu 240 miljoen.

Meer dan de helft van de boetes blijft overigens onder het maximum van de eerste categorie en naar schatting ruim 95% onder dat van de tweede. In Nederland werden in 2013 slechts 2702 boetes boven de 1000 euro opgelegd; dat is ruim 12% van het totaal. Dat is relatief gezien veel meer dan in 2007 toen dit percentage ruim 8% bedroeg, maar absoluut gezien gaat het om veel minder boetes (ruim 1000) en helaas zijn er geen gegevens beschikbaar over de exacte hoogte ervan. Over 1984 en 1986 zijn wel iets meer gedetailleerde gegevens beschikbaar. In beide jaren bedroeg het aandeel van de boetes boven het maximum van de tweede categorie, destijds 5000 gulden, 0.6%.

Ook bij de toepassing van de geldboete zien we dus, net als bij de taakstraf, een rechter die mijlenver verwijderd blijft van de strafmaxima die hij tot zijn beschikking heeft. Dat kan drie dingen betekenen. Of de situaties die de wetgever voor ogen had toen hij de genoemde maxima formuleerde, doen zich in onze samenleving niet voor. De tweede mogelijkheid is dat ze wel voorkomen maar niet worden opgespoord en dus ook niet bij de rechter op tafel kunnen komen. De politie houdt zich overwegend met de verkeerde dingen bezig, en laat het grote kwaad in belangrijke mate aan zich voorbij gaan; of dat kwaad komt wel aan het licht maar wordt niet aan de rechter voorgelegd. Ik noem nogmaals de transactie met SBM. De derde optie is dat de rechter in Nederland een diepgewortelde weerstand heeft tegen straffen van enige omvang. Alleen als de eerste mogelijkheid van toepassing zou zijn, quod non, is er geen reden tot grote zorg.

Ten slotte nog even over de omrekeningsfactoren tussen geldboete, taakstraf en detentie. 200 uur werken staat gelijk met 60 dagen zitten, zoals onlangs nog eens bleek uit een vonnis waarbij iemand door schuld de dood van een medeweggebruiker had veroorzaakt. Een dag hechtenis wordt vervangen door 50 euro boete. Dat betekent in combinatie dat je met 200 uur werken 1440 uur detentie kunt voorkomen en dat je dan per uur omgerekend 15 euro “verdient”, aanzienlijk meer dan het minimumloon. Begrijpt U het (nog)?

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie