Voorzichtig met wraken

In de recent hier verschenen blogs van Otte, Abbink/Van der Waerden en Hendriks is de centrale boodschap “weg met de wraking”. Want het instrument van wraking wordt te vaak misbruikt en de huidige wrakingsprocedure leidt tot een groot verlies van zittingsruimte, in 95% van de gevallen achteraf bezien ten onrechte. Het kan ook allemaal meer eigentijds: het strafproces dient een eerlijk proces te zijn en een onbevangen rechter is dan één van de essentiële voorwaarden. Ook op tal van andere punten wordt – in hoger beroep en cassatie – het fair trial gehalte van de vorige instantie getoetst dus waarom daarbij dan ook niet de (on)partijdigheid van de rechter meenemen.
Exit wraking.

Eén van de twee wrakingen in mijn carrière betrof een voorzitter die in een moordzaak tegen de vermeende uitlokker aantrad nadat hij in een eerder vonnis over de moordenaars en hulpjes had geoordeeld. In dat eerdere vonnis was de rol van de uitlokker in detail beschreven en in de zaak van een hulpje was bij de straftoemeting in zijn voordeel meegewogen dat hij zo open over de uitlokker had verklaard. De uitlokker had dan ook niet zoveel vertrouwen in de onbevangenheid van deze voorzitter. Het wrakingsverzoek werd afgewezen en in hoger beroep werd het preliminair verweer dat zag op de oneerlijkheid van het proces in eerste aanleg verworpen met de overweging dat de gang van zaken in eerste aanleg – na de afwijzing van het wrakingsverzoek ! – geen blijk gaf van een bevooroordeelde voorzitter.

Het hof beoordeelde derhalve niet of het wrakingsverzoek terecht was voorgesteld, het hof beoordeelde in feite de eerlijkheid van het proces in eerste aanleg in zijn geheel, in de lijn van de
Europese rechtspraak.
Wanneer de vraag is of er sprake was van een “onpartijdig gerecht” is dat niet zo’n probleem, dat kan heel goed achteraf worden beoordeeld met de beschikbaarheid van alle relevante informatie.
Er zijn echter maar weinig wrakingsverzoeken waarbij gesteld wordt dat de rechter partijdig is.
Wrakingsprocedures gaan over de vraag of de verdachte de objectief gerechtvaardigde vrees kan hebben dát de rechter partijdig is. Dat is toch wezenlijk iets anders. Wanneer die vrees gesteld
wordt of zelfs aanwezig is en niet – geobjectiveerd – wordt weggenomen maar boven het proces blijft hangen dan is het vervolg van het proces vergiftigd.
Het doorschuiven van de beoordeling van deze vrees is dan ook geen goed idee.
Daar komt bij dat in een aantal gevallen een onjuist optreden van een rechter op deze manier zal worden “witgewassen” simpelweg omdat in de praktijk de verdachte het erbij laten zitten. De verdachte wil er vanaf zijn, de straf is reeds in voorlopige hechtenis ondergaan of de verdachte kent het adagium: “appèleren is riskeren”. De meeste advocaten kennen wel zaken waarin er dingen zijn voorgevallen die de rechter liever niet onder de ogen van een hogere rechter ziet komen; dan komt er wel eens een vonnis waarin het hoger beroep bepaaldelijk wordt ontmoedigd.

Het lijkt wel vast te staan dat de huidige wrakingsprocedure zal veranderen.
Naar mijn mening moet daarbij voorop staan dat een verdachte die terecht twijfelt aan de onbevangenheid niet met de betreffende rechter(s) verder hoeft; er is dan immers geen fair trial meer, in ieder geval niet tot aan de – eventuele (!) – toetsing in hoger beroep.
De hamvraag is dus: hoe zoveel mogelijk vertraging te voorkomen en hoe af te rekenen met misbruik, met behoud van de rechten van de verdachte die wel terecht wraakt.

Een belangrijk deel van de wrakingsverzoeken wordt gedaan door verdachten die zonder advocaat op zitting verschijnen. Van de Wilders-zaak hebben zij begrepen dat de rechter die een verzoek afwijst gewraakt moet worden. Die veronderstelling geeft aan dat men niet begrijpt wat wraking is en dat roept de vraag op of men dan wel van het middel gebruik/misbruik zou mogen maken
Een simpele aanpassing zou zijn om te bepalen dat alleen een advocaat het middel van wraking kan inzetten; de zittingsrechter die van oordeel is dat de verdachte die zonder advocaat verschijnt toch terecht een punt maakt kan dan nog steeds zelf beslissen om op te stappen of om toch de wrakingsprocedure te starten. Voor de verdachte is dit een betere optie dan het geheel verdwijnen van de mogelijkheid om te wraken.

Maar ook advocaten maken in de ogen van rechters soms misbruik van het middel, bijvoorbeeld ingegeven door de wens om een uitstel van de behandeling te bereiken of door de wens een afgewezen getuige er alsnog door te krijgen. Ik ben wel eens gebeld door een collega die mij meedeelde dat de zitting de volgende dag aangehouden zou worden: hij had onderzoekswensen en als die werden afgewezen ging hij wraken.
Advocaten zouden zich meer bewust moeten zijn van het feit dat er nu inderdaad door de verdediging een prijs wordt betaald doordat rechters (te) voorzichtig zijn. Het is in het belang van de verdediging dat op een zitting zo vrijuit mogelijk wordt gesproken, zodat ook de werkelijke pijnpunten goed aan de orde kunnen komen. Wanneer de rechter een bepaalde visie op tafel legt kan daar discussie over ontstaan, wat vaak juist nuttig kan zijn, in het bijzonder wanneer die visie niet helemaal deugt. Wat – uit angst voor wraking – niet op tafel komt kan niet besproken worden, terwijl dat vaak wel de interessante punten betreft.

Het moet niet zo moeilijk zijn om uitgaande van de wil de mogelijkheid van wraken te behouden de procedure zodanig aan te passen dat aan de terechte bezwaren die nu bestaan tegemoet wordt gekomen.
De door Otte en Abbink/Van der Waerden aangehaalde Duitse optie van de niet-ontvankelijkheid zou kunnen worden aangescherpt door daar een kennelijk ongegrond optie van te maken. Alles wat geen hout snijdt wordt kennelijk ongegrond verklaard; dit oordeel zou in hoger beroep dan wel in cassatie toetsbaar moeten zijn. Deze beslissing hoeft ook helemaal niet door een college te
worden genomen, maar kan enkelvoudig. Het zal toch niet zo moeilijk zijn om te arrangeren dat elke dag een strafrechter van dienst beschikbaar is die vlot op wrakingsverzoeken dient te beslissen.
Oordeelt deze wrakingsrechter dat een verzoek niet kennelijk ongegrond is dan dient alsnog een wrakingskamer te beslissen. Mocht het inderdaad zo zijn dat het leeuwendeel van de verzoeken inderdaad kennelijk ongegrond is dan zijn we dat leeuwendeel hiermee snel kwijt.

Voor rechters is er ook werk aan de winkel.
Otte suggereert dat bij wrakingsbeslissingen soms (openstaande) rekeningen worden vereffend, dat rechters in de wrakingskamer zich soms laten leiden door de eigen juridische werkopvatting, dat zij grenzen jegens de reguliere rechtsmiddelen niet in acht nemen en op de stoel van de gewraakte zittingsrechter gaan zitten etc. Dat zijn serieuze zaken, die de betreffende rechters kunnen worden aangerekend. Maar zij kunnen niet de reden zijn om verdachten die terecht klagen over het optreden van een rechter van het enige effectieve wapen dat zij daartegen hebben te beroven.
Van de 600 wrakingsverzoeken in 2013 werd slechts 5% gehonoreerd kunnen we lezen.
Dat zijn 30 zaken. Dat is best veel.
Uit eigen ervaring merk ik ten slotte op dat rechters er ook meer oog voor zouden moeten hebben dat de advocaat mogelijk wel begrijpt dat een bepaalde uitlating alleen maar een onhandigheid is, maar dat die advocaat een cliënt heeft die dat mogelijk toch anders opvat. Onlangs merkte een voorzitter tegen mijn cliënte (die ten onrechte “Bonnie” van “Bonnie & Clyde” wordt genoemd) op dat zij het knap vond van de verbalisant dat deze haar op de camerabeelden van het (criminele) pinnen had herkend; mijn cliënte had op dat moment ter zitting nog niets bekend. Tegen haar partner werd door de jongste rechter gezegd dat hij zich bepaalde (gewelds)handelingen wel zou kunnen herinneren. Pas daarna werd aan hem gevraagd of hij bij zijn bekennende politieverklaringen bleef. Dit zou zo maar vier dagen zittingsruimte gekost kunnen hebben.

Peter Plasman
Strafpleiter