Het strafproces. 5. Het verhoor van verdachten en getuigen

Inleiding
De zingende zanger, de prekende predikant, de rechtsprekende rechter, allen worden beoordeeld op authenticiteit. Wie tijdens het zingen of spreken in de neus peutert verliest subiet gezag. Maar het publiek verwacht ook een zekere waarachtigheid en authenticiteit op het moment suprême. De kritiek is dan ook niet mals als er sprake is van een ongeïnspireerde of neuzelende zanger, preker of rechter. Moeiteloos kan de rij worden uitgebreid naar andere ambachten die in de publieke schijnwerpers staan. Toch gaat het om het spelen van een rol die vooral wordt beheerst door techniek. Er is sprake van een mozaïek van gefragmenteerde rolpatronen. Dat geldt ook voor de rechter die zijn rol vervult bij het verhoor van verdachten en getuigen in het strafproces.

Het verhoor in het kader van de procedurele waarheidsvinding
Vooreerst moet worden vastgesteld waartoe die rolvervulling dient. Niet om een verdachte te laten bekennen of de getuige een belastende verklaring te laten afleggen. Zoals eerder in deze serie is benadrukt gaat het minder om de materiële waarheidsvinding en meer om het borgen van een zorgvuldige procedure. De contradictoire gedingvoering is niet primair gericht op het (ter zitting) bespreken of vaststellen van de werkelijke schuld van de verdachte, maar op een aanvaardbare wijze van uitwisselen van standpunten. Bij die processuele gedachtewisseling komt het in het bijzonder aan op de activiteit van de verdachte om zich adequaat te verdedigen en efficiënt met de hem toebedeelde verdedigingsruimte om te gaan. Deze procesopvatting leidt dus niet tot het uitputtend voorhouden van stukken, dat slaat het proces dood, maar tot een verhoor dat mede de verdachte de gelegenheid biedt zich uit te laten over de beschuldigingen. Als de verdachte dat niet, onvolledig of ogenschijnlijk onbetrouwbaar, doet, jammer voor hem, maar dan is de hoorgelegenheid ten einde [1].

Verhoren zonder druk of vooroordeel
Eigenlijk is met deze positionering van het verhoor al veel gezegd. De verdachte staat niet onder ede, hij mag liegen. De verdachte is niet verplicht mee te werken aan zijn veroordeling, hij mag zwijgen. De cautie aan het begin van de behandeling van de zaak moet niet alleen naar de letter maar ook naar de geest worden geëerd.
Er is altijd verschil van mening over hoe onbevangen de rechter zich ter zitting moet uiten. Artikel 271 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het gerecht geen vragen mag stellen die aan die verklaringsvrijheid afbreuk doet of blijk mag geven van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van verdachte. Op het eerste gezicht een duidelijke en overtuigende tekst. Op het tweede gezicht lijkt het de wetgever niet veel uit maken dat de rechter vooraf of tijdens het onderzoek ter zitting al overtuigd is van de schuld of onschuld van de verdachte, zolang hij dat tijdens de behandeling van de zaak maar niet laat blijken. Dit wijst op een rol die vervuld moet worden, de rechter is niet als persoon aanwezig maar juist onpersoonlijk in zijn hoedanigheid van magistraat. De ogenschijnlijk persoonlijke uitingen van de rechter moeten dus in relatie staan tot het wettelijke doel van de behandeling. Rechters kunnen niet gaan huilen of boos worden of defamerend spreken of ogen. Dat kan anders liggen als de ogenschijnlijk scherpe uitlating of gelaatsuitdrukking functioneel bedoeld is. De rechter kan fronsen tijdens de antwoorden van de verdachte omdat hij daarmee wil aangeven de verklaring nog niet direct geloofwaardig te achten. Vroeger wilde een rechter nog wel eens zeggen “ik hoor het u zeggen” als de verdachte onzin leek te verkopen.
Een verdachte wil er soms het zwijgen toe doen terwijl de tegenstrijdigheden in de situatie waarin hij door de politie werd aangetroffen ‘schreeuwen om een verklaring’ (EHRM, Murray), die hij vervolgens niet hoeft te geven, maar dat zwijgen kan vervolgens wel in zijn nadeel worden uitgelegd. Dat aandringen op een verklaring kan en mag, als de verdachte geen beroep heeft gedaan op het zwijgrecht, best stevig zijn. Een verhoor is geen theekransje.

Eigenlijke en oneigenlijke verhoordruk
Tegenwoordig lopen raadslieden ten onrechte te hoop tegen een scherpe toonzetting. De scheidslijn tussen blijkende vooringenomenheid en het prijsgeven van preliminaire indrukken is dun maar toch niet onoverkomelijk moeilijk. Raadslieden moeten scherper leren kijken en luisteren naar een spitse ondervraging die pleittechnische voordelen oplevert omdat de verdediging vervolgens weet tegen welke indrukken gepleit moet worden [2].
Ik stipuleer al langer dat het wezen van de zitting een procedureel onderzoek naar rechtvaardigheid inhoudt. Raadslieden vergeten dat wel eens en verwarren een scherpe ondervraging met rechterlijk dedain of heuse vooroordelen die uit vragen naar voren lijkt te komen. Tegen het laatste zouden zij wel eerder aan de bel moeten trekken.
Genoemd onderscheid tussen scherpte en onheusheid laat onverlet dat ik meen dat de rechterlijke ondervraging kort en bescheiden van toon moet zijn, het is aan de verdachte om zijn verhaal te plaatsen tegenover de beschuldigingen. Een inquisitoire toon past minder in het huidige processuele tijdsgewricht. Mogelijk ten overvloede vraag ik aan collega’s of hun inquisitoire ondervragingsstijl met meestal gering rendement aan bekentenissen opweegt tegen de grote hoeveelheden stroefheid of zelfs vijandigheid die een dergelijke ondervraging oproept. Toepassing van het economisch nutsprincipe levert meer winst op voor een bescheidener ondervragingsstijl.

Verhoor R-C en RHC
De rechters die zich niet herkennen in of nog niet willen conformeren aan bovenstaande schets van het wettelijk procesmodel kiezen niet alleen als zittingsrechter maar ook als R-C of als RHC regelmatig het primaat in de ondervraging, ook als het om een getuige van de verdediging gaat. Zij werken de vragen af waarop de antwoorden passen binnen een bewezenverklaring. Op deze wijze van verhoren valt wel het een en ander af te dingen. Wie op aan het Wetboek van Strafvordering ontleende gronden het primaat aan de verdediging laat om – op gepaste en niet sturende wijze – de vragen te stellen en wie in het bijzonder de procesmatige kant van het verhoor bewaakt, zoekt minder de materiële waarheid maar probeert procedurele gerechtigheid te bieden. De minder dominant ondervragende rechters kunnen op goede gronden beweren dat als zij indringende verhoren hadden willen nastreven en de getuigen als eerste te willen ondervragen, zij die getuigen ambtshalve hadden moeten oproepen.

Verslaglegging verhoor en proces-verbaal zitting
Een terugkerend en begrijpelijk twistpunt is het proces-verbaal van verhoor. Regelmatig wordt door de verdediging de tekst van het proces-verbaal betwist. Een enkele keer nemen advocaten, zelfs in strijd met de persrichtlijnen en de huisregels van het gerecht, de verhoren op. Weinig elegant, maar ik ben al langer voorstander van consequente opname van verhoren, die zakelijk worden weergegeven in het proces-verbaal van de zitting of van het getuigenverhoor in het kabinet. Bij betwisting door de verdediging kan met gemak de opgeslagen bestanden worden afgeluisterd. Deze voorkeur wordt ingegeven door een zuiverder verslaglegging dan nu regelmatig, overigens met de beste bedoelingen, geschiedt. Met de huidige beperkte technieken is dit nog niet (goed) te realiseren. Ik heb goede hoop dat deze verouderde gang van zaken bij een meer digitale proceswerkelijkheid kan worden gereset.

Bij meer ruimte voor verdachte ook meer ruimte voor het slachtoffer
Ik kom nog even terug op de vergrote ruimte voor de verdachte en de verdediging om procesmatige weerstand te bieden aan de indrukken die het procesdossier van de politie biedt. Die ruimte moet zakelijk en bondig worden ingevuld door de verdediging, niet via de klassieke verhoren door de rechter. Met een minder activistische rechter ontstaat niet alleen meer ruimte voor de verdediging maar ook voor het spreekrecht van het slachtoffer dat met de juiste bewaking door de rechter niet hoeft uit te monden in staaltjes van vuilspuiterij.

Terughoudende verhoorstijlen als communicerende vaten met voorafgaande schriftelijke uitwisseling van stukken
Indien we, evenals in andere rechtsstelsels, men denke aan onze zuiderburen, het primaat leggen bij een schriftelijke gedachtewisseling tussen openbaar ministerie en verdediging, komt de rechter op de zitting niet meer toe aan een indringende of uitvoerige ondervraging. Dan wordt ter zitting nog gerepliceerd en gedupliceerd en aan de verdachte om een afsluitende verklaring over de tenlastegelegde feiten gevraagd. Die voorafgaande schriftelijke wisseling van stukken komt de zorgvuldigheid van procederen ten goede, waardoor de rechter een meer regisserende rol toekomt en de puntigheid van gedingvoering eveneens het decorum en het gezag van de rechter kan bevorderen. In deze setting zal het wel van belang zijn dat de rechter de schriftelijke ronde samenvat teneinde ambtshalve, maar ook ten overstaan van publiek, de hoofdpunten centraal te blijven stellen.

Afstandelijk bestuur en rechtseenheid voortbouwend appel
Gerechtsbestuurders hebben het op dit moment niet makkelijk met alle verwachtingen van rechters en medewerkers die hun nabijheid wensen, hun belangstelling etc. Die verwachtingen wil ik deze keer niet zozeer attaqueren vanwege de door de wetgever gekozen afstand tussen bestuurders en gerecht. Deze keer intrigeert mij het genoemde verwijt van rechters om een andere reden. Bestuurders hebben een wettelijke taak om de rechtseenheid en de rechtstoepassing in het algemeen te bevorderen. Het realiteitsgehalte van deze wettelijke opdracht daargelaten is deze toch interessant in verband met het onderwerp van mijn bijdrage. De appelrechtspraak kent sinds 2007 het voortbouwend appel. Schoorvoetend gaan appelrechters steeds meer over tot het beperkt behandelen van de geschilpunten die de procespartijen verdeeld houden. Mijn pleidooi voor een bondiger en terughoudender rechterlijk verhoor zal niet door alle collega’s gedeeld worden maar op zijn minst ervaren worden als een pleitbaar standpunt. Daarmee is niets meer gezegd dan dat we elkaars onenigheid over de inhoud en de koers van het recht respecteren, want in het recht overtuigen we elkaar zelden. Formeel hoort de gerechtsbestuurder echter op zijn minst de interne rechtseenheid te bevorderen. Die plicht zou het bestuur moeten nopen de afdelings- en teamvoorzitters te bevragen hoe zij toezien op een terughoudende verhoorstijl en bijvoorbeeld acht slaan op toereikende appointeringstijd voor een zaak. Maar wat wil het geval? Er zijn vele rechters die langdurig een strafzaak behandelen, die schier uitputtend doorvragen, die confronterend zijn en die zich nog steeds weinig gelegen laten liggen aan het karakter van het voortbouwend appel. De afstand van de gerechtsbestuurder, zo men wil terughoudendheid, komt het mozaïek van gefragmenteerde rechterlijke rolpatronen en verhoorstijlen ten goede. Minder omfloerst gezegd: de interne rechterlijke verdeeldheid wordt geschaard onder individuele ambachtelijkheidsopvattingen maar bemantelt ternauwernood het fenomeen van een rechterlijk ratjetoe. De rechters die zoveel moeite hebben met afstandelijke bestuurders kunnen zich maar beter rijk rekenen met de geringe bemoeienis van het bestuur met hun eigenstandige en niet altijd op de wet stoelende taakopvattingen bij het vormgeven van het verhoor van verdachten en getuigen.

Digitalisering van het strafproces en de gevolgen voor het verhoor door de rechter
Wat de toekomst brengen moge is meestal ongewis en uiteindelijk loopt het leven anders dan we ons tevoren voorstellen. Maar één ding is zeker. Al is het strompelend, over tien jaar zal de proceswerkelijkheid een digitale zijn. Ik hoop niet zozeer op een gedigitaliseerd papieren dossier, maar op een digitale werkelijkheid die leidt tot een inzichtelijker samengesteld procesdossier, die de procespartijen met een druk op de knop camerabeelden of audiovisuele opnames van het verhoor van verdachten en getuigen in de zittingzaal kan laten tonen teneinde de rechter op een inzichtelijker en overtuigender wijze duidelijk te maken dat er bijvoorbeeld van ongeoorloofde vraagstelling sprake is. Ook de verslaglegging van het verhoor vormt dan een geringer punt van kritiek. Een digitale proceswerkelijkheid levert een behandeling ter zitting op die nog meer dan heden door de rechter binnen de perken gehouden moet worden en zijn regisserende rol krachtiger uit de verf laat komen dan nu mondjesmaat kan worden gepraktiseerd. Waar het thans nog vaak gaat over een authentieke of een te authentiek overkomende rechter en zijn indrukken van het dossier, kan met beelden en geluid beter de gewraakte of ontlastende toedracht getoond worden. Zakelijker, minder emotie en een geringere focus op de persoon van de rechter zoals verdediging en publiek die menen waar te nemen in de huidige verhoorstijlen.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Voetnoten:
[1] Daar komt bij dat het onderzoek ter zitting ook ruimte moet bieden aan het slachtoffer en via het slachtoffer aan de gevoelens in de samenleving.
[2] In het civiel recht is het de rechter ‘verboden’ om met een verrasingsbeslissing te komen. De rechter moet partijen (ter zitting of in een tussenvonnis) in de gelegenheid stellen om te reageren op feiten en omstandigheden (bv een wettelijke bepaling/relevnte nationale of internationale jurisprudentie) die volgens de rechter belangrijk zijn, maar door partijen niet aan de orde zijn gesteld.

Klik hier voor deel 1, hier voor deel 2, hier voor deel 3, hier voor deel 4a en hier voor deel 4b in deze serie bijdragen over het strafproces.