De ‘Regievoerend Rechter’

In mijn vorige bijdrage bepleitte ik afschaffing van het appointeringsvoorstel door een verzoek om regie te voeren. In plaats van de dagbepaling en de dagvaarding zou de overdracht van het dossier en de beschuldiging aan de rechter met het verzoek regie te voeren de aanvang moeten zijn van voorzittersbeslissingen, getuigenverzoeken, getuigenverhoren en het informeren van de verdachte. Door het creëren van een dergelijk regiemoment zou de verdediging daadwerkelijk in staat kunnen worden gesteld om zich tijdig actief op te stellen. Tevens zouden termijnen voor het doen van verzoeken tegen het gunstiger verdedigingsbelang gekoppeld kunnen worden aan dit nieuwe (rechts)moment waarop de rechter wordt ingeroepen om regie te voeren. In plaats van een (kort) moment voor de zitting bereiken de verzoeken de rechter op een moment nadat de verdediging daartoe goed in de gelegenheid is gesteld. Dagbepaling en dagvaarding zouden vervolgens pas moeten geschieden nadat over verzoeken tot het doen van nader onderzoek is beslist en met in acht neming van het moment waarop dat nader onderzoek is afgerond. Nadien ingediende verzoeken zouden in dit model slechts voor toewijzing vatbaar zijn indien de rechter dat voor de waarheidsvinding en verwezenlijking van een eerlijk proces noodzakelijk acht, maar een goede regierechter zal daar in de voorfase natuurlijk op (moeten) anticiperen.

Een belangrijke vraag die ik open liet, was de vraag wie die regisserende rechter zou moeten zijn: de rechter/raadsheer-commissaris, de voorzitter of een centrale poortrechter/raadsheer? In het land en zelfs binnen gerechten bestaan grote verschillen en die verschillen zijn het openbaar ministerie en de verdediging (terecht) een doorn in het oog. Door de bomen van het gerechtelijke bos zien zij niet meer tot wie ze zich in het grijze gebied tussen voor- en eindonderzoek moeten richten. Toch zijn die verschillen er niet voor niets. Ze raken namelijk aan een principieel punt, namelijk dat het uiteindelijk de zittingsrechter is die bepaalt of het vooronderzoek voldoende indringend heeft plaatsgevonden. Elke vorm van regie is tevergeefs (althans tevergeefs wanneer we daarmee enige voortvarendheid willen bereiken mede met het oog op de betrouwbaarheid van nader onderzoek) indien de zittingsrechter zich in de wijze van regievoering niet kan vinden. Dan wordt er immers toch aangehouden om dat nader onderzoek alsnog te laten verrichten. Zolang de zittingsrechter niet dwingend gecommitteerd kan worden aan beslissingen in de voorfase blijft een goede aansluiting met de zittingsrechter van belang. Dat verklaart de lokale verschillen en doet vermoeden dat een te strak kader niet effectief is. Daarbij komt dat niet alleen de rechters maar ook de zaken verschillen. Ieder type zaak vergt zijn eigen vorm van regie. In grote onderzoeken kan het verstandig zijn de rechter-commissaris regie te laten voeren, terwijl in andersoortige ingewikkelde zaken juist de voorzitter het meest aangewezen is en in de wat simpelere zaken weer een centrale poortrechter.

Al die rechters doen ondertussen hetzelfde: regievoeren. Die rechterlijke rol is een rol die naast de eigenstandige rollen van respectievelijk de rechter-commissaris in het voorbereidend onderzoek en de zittingsrechter bij het eindonderzoek steeds belangrijker is geworden. Materieel lijkt het echter weinig uit te maken wie (RC, RHC, voorzitter of poortrechter/raadsheer) de (regie)beslissingen in de fase tussen het voor- en eindonderzoek (de regiefase) neemt. Tegelijkertijd is de rechtsgrondslag van die beslissingen niet altijd dezelfde (en het opschrift en de handtekening evenmin). Zou het daarom misschien een idee zijn om de regiefase, de regierol en de daarbij behorende regiebevoegdheden apart in de wet op te nemen?

Naast een (rechts)moment van regievoering zou bijvoorbeeld een “Regievoerend Rechter” in het wetboek kunnen worden geïntroduceerd die acteert in de regiefase. Onder een aparte titel in het wetboek (“Regiefase”) zou deze rechter de bevoegdheden kunnen krijgen die de rechter-commissaris en de voorzitter thans met het oog op hun regierol toekomen. Wie optreedt als “Regievoerend Rechter” zou lokaal per gerecht, per team en per type zaak kunnen worden bepaald. De taak van “Regievoerend Rechter” kan worden ondergebracht bij de rechter-commissarissen, bij de voorzittende zittingsrechters of bij daartoe centraal aangestelde poortrechters. Per type zaak kan ook nog onderscheid worden gemaakt.

Voor alle duidelijkheid: Het is zeker niet de bedoeling een nieuwe kapitein op het regieschip te creëren. De bestaande rechters op dat schip (RC, zittingsrechter en poortrechter) kunnen hun regietaak tijdens de regiefase blijven vervullen, maar hun regiebevoegdheden worden gelijk getrokken, terwijl voor de buitenwereld helder is tot wie zij zich moeten richten: de “Regievoerend Rechter”.

Binnen de organisatie zullen hiervoor – net als nu dus – door het gerechtsbestuur (en de daaronder ressorterende afdelingsvoorzitter) keuzes moeten worden gemaakt. Net als de zaaksverdeling zou de verdeling van type zaken tussen de verschillende rechters die regie voeren bijvoorbeeld in een reglement kunnen worden opgenomen.

Een voordeel van deze operatie zou kunnen zijn dat lokaal maatwerk kan blijven worden geleverd en gedifferentieerd kan worden per zaakstype zonder dat dit alles voor de bevoegdheden van de rechter die regie voert iets uitmaakt. Als de RC, zittingsrechter of poortrechter als “Regievoerend Rechter” optreedt, zijn de bevoegdheden voor die rechters immers gelijk. Het juridisch standpunt (waarbij ik eerder kritische kanttekeningen plaatste) dat de zittingsrechter in de fase voorafgaand aan het eindonderzoek minder mag dan bijvoorbeeld een RC is dan niet langer houdbaar.
Verder zou kunnen worden bepaald dat een RC of RHC die louter heeft opgetreden als “Regievoerend Rechter” in een zaak en dus alleen van de in de regietitel opgenomen regiebevoegdheden gebruik heeft gemaakt, deel kan uitmaken van de samenstelling die de zaak inhoudelijk behandelt indien procespartijen daar geen bezwaar tegen hebben. Aldus wordt de RC als regisseur scherper gemarkeerd ten opzichte van de RC als machtigenrechter en geschillenbeslechter.
Ondertussen zou het zowel voor het openbaar ministerie als voor de verdediging duidelijker zijn tot wie zij zich voor regiekwestie moeten richten: de “Regievoerend Rechter”. Ik stel me zo voor dat alle verzoeken tot nader onderzoek worden ingediend bij de verkeerstoren. Die verkeerstoren zou er vervolgens voor kunnen zorgen dat de juiste “Regievoerend Rechter” wordt bereikt conform het daartoe door het bestuur opgestelde reglement. Die “Regievoerend Rechter” zou de regiefase vervolgens met het openbaar ministerie en de verdediging af kunnen handelen en uiteindelijk (dat zou het mooiste zijn) de zaak zittingsrijp ter behandeling terugsturen naar de verkeerstoren die vervolgens het planningsproces kan aansturen.

Ik veroorloofde me bij deze korte schets de nodige vrijheid die zo nu en dan wel mag en past bij een blog als de onze. Tegelijkertijd realiseer ik me dat de geschetste richting niet zonder nadelen is, evenmin de oplossing biedt voor alle regieproblemen en in ieder geval de nodige overdenking behoeft. Want hoe verhoudt een regiefase door een “Regievoerend Rechter” zich tot het voor- en eindonderzoek waarin respectievelijk de RC en de zittingsrechter al acteren? En is het wel verstandig om RC, zittingsrechter en poortechter dezelfde regiebevoegdheden te verlenen? Verder is het voorstel geen oplossing voor de gevallen waarin de zittingsrechter zich niet kan vinden in de wijze waarop een andere rechter regie heeft gevoerd. Het biedt gerechten waarin dat vaak voorkomt wel de mogelijkheid de zittingsrechter regie te laten voeren met daarbij behorende regiebevoegdheden en zonder dat dit ten koste gaat van duidelijkheid voor de buitenwereld tot wie zij zich voor regiekwesties moeten wenden. Misschien wel de belangrijkste vraag is of het niet toch beter is een landelijke keus te maken tussen de RC en de zittingsrechter, hetgeen zou passen bij de tendens in de wetgeving van de afgelopen jaren waarbij vooral de regierol van de RC is versterkt. Of misschien moeten we wel overwegen een centrale poortrechter in de wet te introduceren? En wat natuurlijk ook kan, is alles laten zoals het is en de gerechten zelf binnen het wettelijke kader dat er ligt naar organisatorische oplossingen laten zoeken. De vraag is echter of een landelijk kader voldoende ruimte biedt voor maatvoering per gerecht en type zaak. Voor de lokale organisatorische oplossingen geldt dat moet worden afgevraagd of deze voldoende oog hebben voor de verschillende juridische inzichten over wat bijvoorbeeld een zittingsrechter vermag. De (terechte) ergernis van onze ketenpartners die zich bij ieder gerecht tot andere regierechters moeten wenden pleit in ieder geval tegen dergelijke lokale organisatorische oplossingen. Het zijn die aspecten waarvoor ik heb getracht (een klein begin van) een mogelijk alternatief te schetsen. Maar misschien moet wel de enige echte conclusie van deze bijdrage zijn dat er nog veel (denk)werk op dit punt valt te verrichten. Wordt vervolgd dus.

Rick Robroek
Stafjurist Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Limburg