Herziening van de wrakingsprocedure: een reactie

In zijn bijdrage van 27 januari 2015 werd door Rinus Otte de stelling betrokken dat het wrakingsinstrument in kort tijdsbestek aan inflatie is gaan lijden en op de schop moet. Ter onderbouwing van die stelling wees hij op het grote aantal oneigenlijke wrakingsverzoeken waardoor een voortvarende afdoening van zaken wordt gefrustreerd. Slechts een zeer gering percentage van de wrakingsverzoeken wordt gehonoreerd. De behandeling van al die wrakingsverzoeken legt een groot beslag op schaarse zittingsruimte en kost ook nog eens heel veel geld dat beter besteed kan worden aan bijvoorbeeld versterking van de kwaliteit van de rechtspraak.

Henk Abbink en Casper van der Waerden hebben in hun bijdrage ‘Herziening van de wrakingsprocedure? A modest proposal’ voorgesteld om de huidige wrakingsprocedure (artikelen 512-515 Wetboek van Strafvordering) af te schaffen. Volgens hen is een aparte wrakingsprocedure overbodig. De rechterlijke onpartijdigheid kan immers ook nu al met een beroep op artikel 6, eerste lid EVRM en artikel 14, eerste lid, IVBPR aan de rechter worden voorgelegd. Het oordeel van de rechter over het wrakingsverzoek kan vervolgens in het kader van hoger beroep of cassatie tegen het vonnis c.q. arrest aan een hogere rechter ter toetsing worden voorgelegd. Daarmee wordt ook tegemoet gekomen aan het bezwaar van de slager die zijn eigen vlees keurt.

Net als Otte, Abbink en Van der Waerden vind ik dat er om de door hen naar voren gebrachte redenen alle aanleiding is om eens kritisch te kijken of de huidige wrakingsprocedure – mede in het licht van de door Abbink en Van der Waerden aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – nog wel bestaansrecht heeft. Ik meen dat dit niet geval is met uitzondering van rechterlijke beslissingen waartegen geen rechtsmiddel openstaat (zie de artikelen 14f, 14g, 22f en 22g van het Wetboek van Strafrecht in verband met de artikelen 14j en 22h van het Wetboek van Strafrecht). Het aantal wrakingsverzoeken in die laatste categorie zaken is evenwel, naar ik aanneem, heel gering.

Het te pas en te onpas gebruik maken van het wrakinginstrument leidt niet alleen tot veel onnodige aanhoudingen met alle daarmee gepaard gaande kosten aan nodeloos beslag op rechters en zittingsruimte. Veel bezwaarlijker vind ik dat het ertoe kan leiden dat rechters bij de behandeling van zaken ter terechtzitting terughoudend worden en niet meer onbevangen op zoek gaan naar de waarheid uit vrees dat wat al te kritische en indringende vragen al snel een wrakingsverzoek kunnen ontlokken bij de verdediging. Met de geldende wrakingsprocedure kan een door kritische vragen van de rechter in het nauw gebrachte verdachte eenvoudig een time-out krijgen. Hij koopt op deze wijze tijd en kan zich ‘herpakken’. Na behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer krijgt hij mogelijk te maken met (een) andere rechter(s) met alle vertraging van dien in verband met inlezen dossier, etc. Voor zover dat niet het geval is omdat het wrakingsverzoek ongegrond verklaard wordt, zal verdachte de hervatting van het onderzoek met versterkt zelfvertrouwen ingaan in de wetenschap dat de rechter meer nog dan daarvóór voorzichtig zal zijn met het stellen van al te indringende vragen. Niemand vindt het immers leuk om in dezelfde zaak – ook al is dat achteraf wellicht ten onrechte – tweemaal gewraakt te worden!

Indien het door Abbink en Van der Waerden in hun bijdrage gedane en uitgewerkte eerste voorstel, te weten het wrakingsverzoek scharen onder het beroep op artikel 6, eerste lid van het EVRM, waar het gaat om het recht op rechterlijke onpartijdigheid (HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7956) wordt overgenomen en daarmee de huidige wrakingsprocedure als overbodig wordt afgeschaft, zal dit naar mijn overtuiging niet alleen een enorme besparing opleveren omdat onnodige aanhoudingen (met alle frustraties van dien voor rechters, slachtoffers en de in strafzaken steeds vaker aanwezige vertegenwoordigers van de media) worden vermeden, maar vooral de waarheidsvinding ter terechtzitting ten goede komen. Dat is uiteindelijk in het belang van de kwaliteit en het draagvlak van goede rechtspraak.

Bij de voorgenomen modernisering van het Wetboek van Strafvordering in het kader van het project KEI Straf waarbij onder andere de regierol van de rechter aan de orde is, zou de voorgestelde herziening van de wrakingsprocedure mooi meegenomen kunnen worden. Die herziening past ook goed bij ‘zaakeigenaarschap’: dat impliceert mijns inziens immers dat je als rechter verantwoordelijk bent voor alle beslissingen, inclusief beslissingen over je eigen onpartijdigheid. En zaakeigenaarschap bij rechters (en officieren van justitie) is weer een van de uitgangspunten voor de procesinrichting zoals geformuleerd door de Task Force OM-ZM in het kader waarvan beoogd wordt de kwaliteit van de rechtspraak te versterken door een effectievere procesvoering en onnodige aanhoudingen te voorkomen. Zo valt alles op zijn plek!

Ben Hendriks
Senior rechter Rechtbank Overijssel