Herziening van de wrakingsprocedure? A modest proposal

Inleiding
In zijn laatste bijdrage op dit blog werd door Rinus Otte een korte schets gegeven van de problematiek van de huidige wrakingsprocedure in het strafproces. Hierbij heeft hij gewezen op de enorme toename van het aantal wrakingen de laatste jaren en het zeer beperkte aantal (slechts 5% in 2013) dat uiteindelijk wordt gehonoreerd. Zoals door hem in zijn artikel werd aangegeven, is veel gebruik van de wraking oneigenlijk. Het gaat vaak om allerlei situaties die weinig of niets te maken hebben met een vermoed gebrek aan onpartijdigheid van de rechter, maar in plaats daarvan om – de verzoeker onwelgevallige – (processuele) beslissingen. Zo is in strafzaken de meest voorkomende aanleiding tot wraking een afgewezen verzoek van de verdediging. Ondanks dat het beslissen op verzoeken, aldus vaste jurisprudentie, behoort tot de taak van de rechter en op zichzelf niet wijst op bevooroordeeldheid, blijft de advocatuur wraken wegens afgewezen verzoeken. Dit frustreert een voortvarende afdoening van zaken en bewerkt in het overgrote deel van de wrakingen ook niets meer dan dat. Bovendien kost het belastinggeld. Een logisch gevolg zou zijn om de mogelijkheid tot wraking te beperken, zoals in het verleden ook is gebeurd toen het bezwaarschrift tegen de dagvaarding een (te) grote vlucht nam.

Daartegenover is er de ontwikkeling dat de overheid, en ook de rechter, steeds vaker wordt geconfronteerd met wantrouwen. Als het dan gaat om wraking komt al snel het verhaal van de slager die zijn eigen vlees keurt om de hoek. Ofschoon deze visie ons niet direct aanspreekt, speelt het wel mee. Beperking van het middel van de wraking zou in dit verband koren op de molen zijn van diegenen die de integriteit van de rechter in twijfel trekken.

In deze bijdrage willen wij trachten beide ontwikkelingen een plaats te geven in het denken over de wraking.

Wraking en de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR
Artikel 6, eerste lid, EVRM en artikel 14, eerste lid, IVBPR garanderen een ieder het recht op een behandeling van zijn zaak door een “onpartijdig gerecht”. Vanwege de directe werking van deze bepalingen kan iedereen wiens zaak door een rechter moet worden berecht deze bepalingen inroepen. Ten tijde van het plaats geven van de wraking in de verschillende rechterlijke procedures bestonden deze bepalingen nog niet. De vraag kan worden gesteld of naast het beroep op deze bepalingen het instrument van de wraking nog wel een noodzakelijke voorziening is. Een korte vogelvlucht over de (recente) jurisprudentie ter illustratie.

In het kader van een strafzaak die diende voor de rechtbank Den Haag werden door de verdediging twee leden van de meervoudige strafkamer van de rechtbank gewraakt. Het verzoek tot wraking werd door de wrakingskamer van de rechtbank afgewezen. Bij gelegenheid van de behandeling van de strafzaak in hoger beroep werd door de verdediging aangevoerd dat het wrakingsverzoek ten onrechte niet was gehonoreerd, dat er in eerste aanleg geen sprake was geweest van een onpartijdige behandeling en dat het hof daarom het vonnis van de rechtbank diende te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. Het Hof verwierp dit verweer omdat de beoordeling van de onpartijdigheid van de rechters die in eerste aanleg vonnis hadden gewezen ten gevolge van de bijzondere wrakingsprocedure aan het oordeel van de appelrechter was onttrokken. Tegen de afwijzing van een wrakingsverzoek staat immers ingevolge artikel 515, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) geen rechtsmiddel open. In cassatie (HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7956) overwoog de Hoge Raad echter als volgt:

“Het oordeel van het Hof dat het niet bevoegd is in de beoordeling te treden van de in eerste aanleg gegeven beslissing op het wrakingsverzoek, omdat tegen die beslissing geen rechtsmiddel heeft opengestaan, is juist. Onjuist is evenwel het oordeel van het Hof dat de beoordeling van de onpartijdigheid van de rechters die in eerste aanleg vonnis hebben gewezen ten gevolge van de bijzondere wrakingsprocedure aan het oordeel van de rechter in hoger beroep is onttrokken. In deze zaak is in eerste aanleg een door de verdediging gedaan wrakingsverzoek afgewezen. Deze omstandigheid staat er niet aan in de weg dat de onpartijdigheid van de rechter die in eerste aanleg vonnis heeft gewezen, in hoger beroep ten toets kan komen in het verband van een door of namens de verdachte in hoger beroep gedaan beroep op schending in eerste aanleg van het, in art.6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid IVBPR aan de verdachte gegarandeerde, recht op behandeling van zijn zaak door een onpartijdige rechter. Hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 21 september 1999 is aangevoerd, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als mede daartoe strekkende dat het vonnis in eerste aanleg wegens schending van eerdergenoemde verdragsbepalingen diende te worden vernietigd. Het middel klaagt dus terecht over het oordeel van het Hof dat het zich niet bevoegd heeft geacht dat verweer inhoudelijk te beoordelen.”

In wezen komt deze beslissing van de Hoge Raad erop neer dat, ondanks artikel 515, vijfde lid, Sv, er toch een rechtsmiddel openstaat tegen de wrakingsbeslissing in de vorm van een beroep in hogere instantie op de eerdergenoemde verdragsbepalingen. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had op dit punt geen bezwaren (ABRvS 20 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT9705).

Deze uitspraken werden eind vorig jaar nog eens bevestigd in een arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad (HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3041). In deze zaak werd in cassatie geklaagd over een partijdige raadsheer in een procedure over een oogst-op-stamconstructie. De belanghebbende had bij het hof al (tevergeefs) een wrakingsverzoek gedaan ten aanzien van een van de raadsheren, maar volgens de Hoge Raad betekende dit niet dat in cassatie niet opnieuw over partijdigheid kon worden geklaagd en overwoog dat de onpartijdigheid van een tevergeefs gewraakte rechter na aanwending van een rechtsmiddel tegen de einduitspraak, in de eerstvolgende instantie ten toets kan komen in het kader van een klacht over schending van het fundamentele recht op behandeling van de zaak door een onpartijdige rechter.

Huidige wrakingsprocedure overbodig?
Bovenstaande beslissingen van de Hoge Raad (en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) maken volgens ons een aparte wrakingsprocedure in verreweg de meeste gevallen overbodig en kan daarom in zoverre worden afgeschaft. Volstaan kan worden met een beroep op de rechterlijke onpartijdigheid op grond van artikel 6, eerste lid, EVRM en artikel 14, eerste lid, IVBPR, waarover ook de gewraakte rechter zelf zou kunnen oordelen. Hoe zou de wrakingsprocedure er in zo’n geval uit komen te zien? Een korte schets.

Het overgrote deel van de wrakingsverzoeken heeft betrekking op de behandeling ter terechtzitting en vindt kort voor, tijdens of kort na de terechtzitting plaats. Wordt voor de terechtzitting de rechterlijke onpartijdigheid in twijfel getrokken, dan kan men één of meer rechters van de samenstelling wraken. Dat gebeurt ook thans reeds. Komt er een andere rechter, dan is het probleem opgelost. Komt die er niet, dan kan men ter terechtzitting dit wrakingsverzoek herhalen. De rechter die het betreft kan daarin berusten en zich terugtrekken. In dat geval is het probleem ook opgelost. Berust de rechter niet, dan zal de samenstelling zich op het opgeworpen bezwaar beraden en beslissen. Beslist de samenstelling dat het opgeworpen bezwaar gegrond is, dan wordt de rechter vervangen of komt er een geheel nieuwe samenstelling. Ook dan is het probleem opgelost. Is de samenstelling van oordeel dat het bezwaar ongegrond is, dan wordt het bezwaar gemotiveerd verworpen en wordt de behandeling van de zaak voortgezet.

Wordt tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting de onpartijdigheid van de rechter in twijfel getrokken, dan volgt dezelfde procedure. Wordt die twijfel echter eerst kort na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting kenbaar gemaakt, dan zal dit bij berusting of gegrondverklaring leiden tot een heropening van de zaak. Bij een ongegrondverklaring en dus afwijzing van het verzoek zal de einduitspraak daarvan gemotiveerd gewag maken.

Volgt een eindbeslissing, dan kan – indien gewenst – tegelijk tegen de afwijzing van de wrakingsbeslissing in beroep worden gekomen. Die afwijzing is immers een tussenbeslissing of maakt, zoals in het laatste geval, deel uit van de eindbeslissing.

Het grote voordeel van deze procedure is dat ongerechtvaardigde vertraging en de daarmee gepaard gaande kosten worden voorkomen. Daarbij komt, dat de beslissing op het beroep op onpartijdigheid van de rechter in het overgrote deel van de gevallen ter toetsing aan een andere, namelijk hogere rechter, kan worden voorgelegd. Zo men al wenst te spreken van de slager die zijn eigen vlees keurt, dan kan dus altijd het oordeel van een andere (keur)slager worden ingeroepen. Let wel, men hóeft de beslissing niet aan een hogere rechter voor te leggen. Soms kan het meevallen en geeft ook een vermeend partijdige rechter een goede beslissing.

De beoordeling in hoger beroep en cassatie
Is men mede in hoger beroep gekomen van de tussenbeslissing tot afwijzing van het wrakingsverzoek, dan toetst het hof dit beroep vol aan de hand van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en hetgeen daarover in hoger beroep wordt gezegd. Aanvulling van gronden is, evenmin als nu, niet meer mogelijk. Mocht het hof tot het oordeel komen dat de rechtbank het wrakingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen, dan zijn er twee mogelijkheden. Indien de partij die bezwaar heeft gemaakt daarmee instemt, kan het hof de zaak berechten. Zo niet, dan zal het hof de zaak terugwijzen naar de rechtbank teneinde met inachtneming van het arrest van het hof, de zaak te berechten en af te doen. Zie voor een dergelijke terugwijzing het recente arrest van het hof Amsterdam van 30 september 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:4006). Indien het hof met de rechtbank van oordeel is dat de rechterlijke onpartijdigheid niet in het geding is, dan kan – bij cassatie tegen het eindarrest – ook daartegen een cassatiemiddel worden ingediend. De Hoge Raad zal dan het oordeel van het hof toetsen, zoals hij dit heeft gedaan in het eerdergenoemde arrest.

Wat nu als in hoger beroep een beroep wordt gedaan op de onpartijdigheid van het hof of één of meer van zijn leden wordt gewraakt en de door ons voorgestelde procedure wordt gevolgd? Dan kan daartegen – tegelijk met het eindarrest – cassatie worden ingesteld. De Hoge Raad kan dan aan de hand van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep het bezwaar vol toetsen. Zie voor een voorbeeld hiervan het arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad van 2 december 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AU7352). In die zaak had het hof Arnhem het wrakingsverzoek van de belanghebbende die huisvesting verschafte aan twee bij de Independent Order of Odd Fellows aangesloten loges, met als onderbouwing dat één van de leden van de belastingkamer van het hof bestuurslid was van Vrijmetselaarsloge Anna Paulowna te Q, afgewezen. In cassatie oordeelde de Hoge Raad als volgt:

“3.3. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat er bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (vgl. HR 16 november 1999, nr. 110.311, LJN ZD1502, NJ 2000, 335).
De enige ter onderbouwing van de klacht aangevoerde omstandigheid, te weten het lidmaatschap van mr. Nieuwenhuizen van het bestuur van de Vrijmetselaarsloge Anna Paulowna te Q, levert op zichzelf niet een zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld. Van een schending van het eerdergenoemde fundamentele recht is dus geen sprake. De klacht faalt.”

Dit door ons voorgestane systeem heeft als groot voordeel dat de Hoge Raad, ook op het gebied van de wraking, zijn rechtsvormende en -eenheid bevorderende taak kan uitoefenen. Alleen bij de Hoge Raad zal, bij gebrek aan een (hogere) toetsingsrechter, de huidige wrakingsprocedure van kracht moeten blijven.

Wraking in bijzondere procedures
Tot nu toe hebben we ons gericht op de gewone procedure ter terechtzitting. Maar ook in allerlei andere rechterlijke procedures kan gewraakt worden. Denk aan de rechter-commissaris in strafzaken, de beklagkamer van het gerechtshof, e.d. Voor zover tegen rechterlijke beslissingen in dergelijke procedures een rechtsmiddel openstaat, doet zich een situatie voor die vergelijkbaar is met de behandeling van strafzaken ter terechtzitting. Te denken valt aan de procedure betreffende de voorlopige hechtenis, waarin bij de rechtbank in de mogelijkheid van hoger beroep is voorzien. Bij het gerechtshof is er evenwel niet voorzien in cassatie tegen beslissingen tot voorlopige hechtenis. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat wrakingen in dergelijke procedures zo zeldzaam zijn dat we ons moeten afvragen of we dit apart moeten regelen. Wij menen van niet. Daarbij komt, dat rechterlijke beslissingen in strafzaken waartegen geen rechtsmiddel openstaat uiteindelijk aan de zittingsrechter kunnen worden voorgelegd. Deze zal dan – desgevraagd – de rechtmatigheid van de beslissing moeten beoordelen. Mocht toch ook in deze procedures een mogelijkheid tot wraking wenselijk zijn, dan kan de huidige regeling daarvoor gehandhaafd blijven.

Tenslotte
We komen nog even terug op de slager en dat eigen vlees. Het laten beoordelen van het wrakingsverzoek door de gewraakte rechter zelf kan worden vergeleken met het bezwaarschrift tegen de dagvaarding in strafzaken. Dat middel wordt nog slechts een enkele keer uit de kast gehaald, namelijk wanneer de verdediging echt van mening is dat er sprake is van een lichtvaardige vervolging en daarvoor is dat middel ook bedoeld.

Voor zover er principiële bezwaren worden aangevoerd tegen het feit dat de gewraakte rechter zelf meebeslist over de gegrondheid van het wrakingsverzoek, kan het geen kwaad om een blik over de grens te werpen. Zo wordt in Duitsland onderscheid gemaakt tussen de beslissing over de ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek en de beslissing over de gegrondheid van het wrakingsverzoek. Over de ontvankelijkheid beslist de gewraakte rechter mee. In zijn bijdrage van 27 januari 2015 heeft Rinus Otte de drie gronden voor niet-ontvankelijkheid al kort aangestipt, maar het kan geen kwaad om deze nog eens te herhalen. De eerste ziet op de tijdigheid van het wrakingsverzoek. Is een verzoek te laat ingediend, dan volgt een niet-ontvankelijkverklaring. In de tweede plaats volgt niet-ontvankelijkheid indien er geen grond voor wraking is aangevoerd of er geen bewijs is om de grond te onderbouwen (of het bewijs aannemelijk is, is een vraag die ziet op de gegrondheid van het verzoek en staat niet ter beoordeling). Op deze wijze kunnen wrakingsverzoeken waarbij de raadsman of verdachte de gronden voor het wrakingsverzoek niet wil (of kan) toelichten ten tijde van het doen van het verzoek summier worden afgedaan. De derde grond voor niet-ontvankelijkheid ziet op misbruik van het wrakingsmiddel. In het Duitse systeem geldt dat de beslissing dat misbruik wordt gemaakt van het wrakingsverzoek unaniem moet worden genomen en met een opgave van de gronden waarom daar sprake van is. Een reden om misbruik aan te nemen is bijvoorbeeld wanneer onnodig tijd wordt gerekt of wanneer een nieuw wrakingsverzoek wordt gedaan zonder nieuwe feiten te noemen. Ook het doen van een wrakingsverzoek met het oog op procedurevreemde doelen (“verfahrensfremde Zwecke”) wordt als oneigenlijk gebruik beschouwd en leidt tot niet-ontvankelijkheid. Een dergelijke ontvankelijkheidstoetsing van een wrakingsverzoek is ons inziens zonder meer pleitbaar vanuit efficiencyoverwegingen. Het gaat hier immers om een correctiemechanisme op de schorsende werking van een wrakingsverzoek, waarbij de rechter in de concrete omstandigheden van het geval en in het licht van de context waarin het wrakingsverzoek wordt gedaan, de bevoegdheid heeft te reageren op gevallen van evident oneigenlijk gebruik van de wrakingsregeling. Het moge duidelijk zijn dat ook hier de beslissing van de rechter in hoger beroep (c.q. cassatie) kan worden getoetst.

Ons voorstel leidt tot een terugdringen van oneigenlijk gebruik van het wrakingsmiddel, tot besparing van kostbare zittingstijd en belastinggeld en voorziet bij afwijzing in een toetsing door een andere, hogere rechter en bevordert uiteindelijk de rechtseenheid. Veel van de huidige wrakingsverzoeken zullen niet meer gedaan worden, omdat de potentiële indiener ervan het zinloos zal vinden, nu de te wraken rechter zelf over (de ontvankelijkheid van) de wraking beslist. Alleen in die gevallen waar de onpartijdigheid van de rechter echt in het geding is, zal een wrakingsverzoek nog worden gedaan en een eventuele onwelgevallige beslissing daarop kan vervolgens worden voorgelegd aan een andere, hogere rechter. In alle andere gevallen kan het toch met een beroep op vaste jurisprudentie niet-ontvankelijk worden verklaard of worden afgewezen en zal het veelvuldig inroepen van de wraking een zachte dood sterven.

Henk Abbink en Casper van der Waerden
Resp. senior raadsheer en juridisch medewerker bij de afdeling strafrecht van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden