Regievoering vóór dagbepaling en dagvaarding. Een pleidooi voor vervanging van het appointeringsvoorstel door een verzoek om regie te voeren.

De verkeerstorens in het land hebben het niet makkelijk. Ze staan voor een immens ingewikkelde organisatorische klus, waarin ze een vorm van samenwerking en zaaksturing dienen te bewerkstelligen tussen OM en ZM die moet kunnen bouwen op steun van de binnen- en buitenwereld. Effectieve samenwerking en eenduidige sturing, waarbij elke schijn van ‘handjeklap’ dient te worden vermeden (dat is de kritiek van de buitenwereld) en waarbij het eigenaarschap van officieren van justitie en rechters dient te worden behouden (daar ziet de kritiek van de binnenwereld op). De evenwichtskunstenaars die thans verkeerstorens bouwen verdienen daarom reeds alle lof en respect.

Ondertussen heb ik het nog niet gehad over het gegeven dat (vooralsnog) gewerkt moet worden met een wetboek dat niet is ingericht op een proces waarin regie en pro-activiteit voorop staat. Dat is de kwestie die ik hier aan de orde wil stellen. Na eerst in verband met de verkeerstorens te zijn ingegaan op de juridische mogelijkheden om als voorzitter actief op te treden en de bij mijn weten (vooralsnog onbenutte) mogelijkheden van digitalisering van het ‘logistieke’ proces, staat hier de vraag centraal in hoeverre het Wetboek van Strafvordering het mogelijk maakt pro-actief regie te voeren.

Ik denk dan in het bijzonder aan de regeling rondom de appointering van strafzaken, het dagvaarden en de daaropvolgende mogelijkheid getuigen te verzoeken. Ik beperk me daarbij tot de loslopende verdachten, daar het vooral voor die groep lastig is om voor de rechter regie te voeren omdat die zaken buiten het zicht van de rechter blijven totdat het openbaar ministerie een voorstel tot appointering doet. Regievoeren op juist die (grote) groep lichtere zaken gaat lastiger dan in de zaken van (meestal) grotere omvang en juridische complexiteit. Uiteindelijk is ook in die lichtere zaken het aanhoudingspercentage met alle gevolgen voor verdachte, slachtoffer en maatschappij hoog.

Hoe werkt de regeling van artikel 258-267 Sv – waarin de appointering, de dagvaarding en de getuigenverzoeken worden geregeld – nu in de praktijk uit? De rechter (of een ondersteunend medewerker) ontvangt van het openbaar ministerie een appointeringsvoorstel waarin kortweg wordt voorgesteld welke zaken, wanneer en bij welke voorzitter behandeld worden. De rechter krijgt op dat moment de zaak pas voor de eerste keer in beeld. Hij wordt geconfronteerd met de beschuldiging én het procesdossier. De rechter beoordeelt dat voorstel en bij accordering van dat voorstel, waarmee de rechter de zittingsdag bepaalt, dient het openbaar ministerie de verdachten tegen de betreffende zitting te dagvaarden. Daarmee wordt de zaak aanhangig gemaakt en pas op dat moment wordt de verdachte in kennis gesteld van de beschuldiging en de inhoud van het procesdossier. Bij het vervullen van de dagvaardingstaak heeft het openbaar ministerie één restrictie en dat is dat tussen een geslaagde betekening van de dagvaarding en de behandeling van de zaak minimaal tien dagen dient te zitten. Bij de dagvaarding wordt de verdachte er van in kennis gesteld dat hij getuigen kan doen oproepen. Dat dient hij op zijn beurt bij voorkeur ook minimaal 10 dagen voor de zitting te doen (of indien de dagvaarding korter dan veertien dagen voor de zitting is betekend minimaal vier dagen nadien, maar tenminste drie dagen voor de terechtzitting) wil hij gedaan krijgen dat die getuigenverhoren worden beoordeeld aan de hand van het soepelere verdedigingscriterium.

Er zijn verschillende redenen waarom deze regeling het moeilijk maakt regie te voeren en van de verdediging pro-activiteit te verwachten.

1. De eerste reden is dat er geen moment van regievoering wordt gecreëerd. Het is zittingsdag bepalen en dagvaarden. Natuurlijk, de voorzitter komt een aantal voorzittersbevoegdheden toe, maar die zijn nadrukkelijk gekoppeld aan de dag van de terechtzitting. In de praktijk wordt die koppeling losgelaten in het bij het (destijds:) Arnhemse hof geïntroduceerde proeftuinmodel waarin de voorzitter voorafgaand aan de zitting onderzoekswensen bij procespartijen inventariseert en vervolgens voorzittersbeslissingen neemt. Hoewel daar juridisch weinig mis mee is, zou het goed zijn wanneer er voor de dagbepaling een (wettelijk) regiemoment wordt gecreëerd.

2. Belangrijker is misschien nog wel de vraag hoeveel het Arnhemse proeftuinmodel, dat is ontwikkeld in hoger beroep, in eerste aanleg oplevert, wanneer de verdediging – anders dan in hoger beroep – tot 10 dagen voor de zitting verzoeken kan doen die de rechter dient te beoordelen aan de hand van het verdedigingsbelang. Daarmee kom ik op de tweede reden waarom de regeling niet werkt en dat is dat de verdediging nog kort voor de zitting verzoeken kan doen. Ik zeg dat niet omdat ik zou vinden dat de verdediging geen getuigen meer zou mogen horen die voor hen redelijkerwijs van belang mogen worden geacht (daarover zo meer), maar het zou een hoop vertraging en nodeloze kosten schelen wanneer dat voor de dagbepaling kenbaar zou worden gemaakt.

3. Tijdig kenbaar maken van verzoeken door de verdediging – en dan ben ik bij mijn derde punt beland – is echter vaak niet mogelijk omdat de verdediging pas na de dagbepaling (namelijk bij de dagvaarding) op de hoogte komt van de beschuldiging en de inhoud van het procesdossier. Ook hier zou het voor de voortgang van de zaak beter zijn wanneer de verdediging voor de dagbepaling van beschuldiging en inhoud van het dossier op de hoogte is.

Kortom vóór de dagbepaling bestaat, in ieder geval in eerste aanleg bij de wat lichtere zaken, geen wettelijk regiemoment, geen prikkel tijdig verzoeken te doen en geen inzicht voor de verdediging in de beschuldiging en de inhoud van het strafdossier.

Nu weet ik ook wel dat onderling andere afspraken gemaakt kunnen worden over de appointeringstermijn en het zelfs mogelijk is om rond die appointering een regiemoment te creëren. Ook biedt de jurisprudentie van de Hoge Raad natuurlijk ruimte om buiten de wettelijke termijnen het tijdsverloop te betrekken hij het oordeel over getuigenverzoeken. Dat neemt niet weg dat in voorkomende gevallen dagvaarding kort voor de zitting mogelijk blijft en de verdediging met recht en reden (omdat ze de dagvaarding en het dossier pas laat krijgen en omdat de wet het zegt) betrekkelijk kort voor de zitting verzoeken kan blijven doen die beoordeeld dienen te worden aan de hand van het verdedigingsbelang. Dat brengt veel vermijdbare onzekerheden mee voor alle actoren binnen het strafproces.

Dat betekent ondertussen niet dat alles uit de huidige regeling zich slecht verhoudt met regievoering en pro-activiteit. Een erg goed voorbeeld is de mogelijkheid voor de verdediging om getuigen op te roepen die zij redelijkerwijs van belang mogen achten voor de te voeren verdediging. Anders dan velen in de rechtspraktijk (inclusief, zo lijkt het, de Hoge Raad) zie ik niet zo snel hoe we het zonder dat verdedigingscriterium naast het noodzakelijkheidscriterium kunnen redden. Daarmee wordt immers tegemoet gekomen aan het belang dat de verdediging heeft om zelf zijn of haar processtrategie te bepalen en daartoe getuigen te ondervragen. Het past ook bij een nog steeds toenemende contradictoire procescultuur dat de verdediging die mogelijkheid blijft behouden. Die mogelijkheid om getuigen beoordeeld te krijgen aan de hand van een soepeler criterium biedt bovendien een goede kans om de verdediging er toe te bewegen vroeg met die verzoeken te komen en dat zou dus vroeger moeten zijn dan 10 dagen voor de zitting.
Het binden van het doen van verzoeken aan termijnen is een ander positief aspect aan de huidige regeling. Omdat die termijn gekoppeld is aan de zitting, levert dat echter onvoldoende mogelijkheden op om getuigenverzoeken te inventariseren en af te handelen voordat de zitting aanvangt met als gevolg dat vele zaken om die reden toch nog moeten worden aangehouden.

Waar kom ik met deze bespiegelingen nu grofweg op uit?
De rechter zou bij toezending van het dossier en de beschuldiging niet een appointeringsvoorstel moeten krijgen, maar een verzoek om regie te voeren.
Vervolgens zou de rechter die regie ter hand moeten nemen. Indien de rechter verzoeken verwacht, zouden de beschuldiging en het strafdossier terecht moeten komen bij verdachte en diens advocaat en deze zouden in de gelegenheid moeten worden gesteld verzoeken te doen. Daarbij kan het verdedigingsbelang en een termijn dienst doen. Verzoeken binnen een bepaalde termijn nadat de rechter om verzoeken verzocht heeft worden beoordeeld aan de hand van het verdedigingsbelang, verzoeken buiten die termijn komen slechts voor toewijzing in aanmerking indien de rechter toewijzing daarvan noodzakelijk acht.
Als er verzoeken zijn, kan de rechter daarop beslissen, nadat het openbaar ministerie daaromtrent (via e-mail) is gehoord. Toegewezen getuigen kunnen worden gehoord bij de (gedelegeerd) rechter-commissaris voorafgaand aan de zitting of, in de gevallen waarin de rechter dat aangewezen acht, ‘gewoon’ op zitting.
Als de rechter geen verzoeken verwacht, als er geen verzoeken zijn gedaan of toegewezen of als de toegewezen verzoeken van een rechterlijke actie zijn voorzien, kan de opdracht richting het openbaar ministerie uitgaan om tot dagvaarding (en oproeping van eventuele tolken, slachtoffers en benadeelde partijen) over te gaan.

Belangrijke vragen die overblijven zijn hoe toezending van beschuldiging en dossier dient te geschieden, wie de rechter moet zijn die de beslissingen in de voorfase neemt (rolrechter, voorzitter of misschien de RC) en welke rol ondersteunende medewerkers zouden kunnen en mogen vervullen. Eventueel zou de rechter bij zijn regietaak (in overleg met openbaar ministerie en advocatuur) een datum voor behandeling kunnen bepalen, teneinde toedeling en planning van zaken ook echt een rechterlijke aangelegenheid te laten zijn. Het regiemoment kan in zaken waarin de RC betrokken is voorts gehanteerd worden als een formeel moment waarop de regie van de RC naar de zittingsrechter overgaat.

Dat zijn echter allemaal uitvoeringskwesties. Van belang is vooral dat de dagbepaling en de dagvaarding niet langer de aanvang zouden moeten zijn van voorzittersbeslissingen, getuigenverzoeken, getuigenverhoren en het informeren van de verdachte, maar het sluitstuk nadat al deze acties zijn verricht. Het appointeringsvoorstel zou dan ook moeten worden vervangen door een verzoek om regie te voeren op de door het openbaar ministerie gereed gemaakte zaak. Dat geeft de rechter de mogelijkheid om daadwerkelijk regie te voeren. Ondertussen kan van de verdediging met recht en rede meer en eerder activiteit worden verlangd, maar daar staat tegenover dat ze veelal meer tijd krijgen om geïnformeerd hun verzoeken te doen die – mits gedaan binnen een bepaalde termijn – ook nog beoordeeld worden aan de hand van een soepeler criterium.

Rick Robroek
Stafjurist Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Limburg