Het strafproces. 4b. De wraking in het strafproces

Inleiding: rechtsmiddel, klachtprocedure en wrakingen
Als een verdachte of raadsman het niet eens is met de beslissingen van een rechter, staat het rechtsmiddel van hoger beroep of cassatie open om de onvrede te laten beoordelen. Het stelsel van rechtsmiddelen is adequaat gebleken. Als het gaat om onvrede met de organisatie, met bejegening die niet strafvorderlijk geduid kan worden, staat de weg naar de president van het gerecht open. De president opereert in de klachtenprocedure behoedzaam omdat hij niet als substituutrechter wil optreden en evenmin het stelsel van rechtsmiddelen wil frustreren. Tot voor kort had het wrakingsinstrument in uitzonderlijke gevallen te gelden als correctiemechanisme op dat klassieke stelsel van rechtsmiddelen. Rechters kunnen worden gewraakt als uit de behandeling van de zaak sterke aanwijzingen naar voren komen dat de verdachte geen onpartijdige behandeling van de zaak mag verwachten. In die exceptionele gevallen kunnen die aanwijzingen een objectieve vrees opleveren dat de rechter vooringenomen is.

Inflatie van het wrakingsinstrument
De werking en de kracht van het stelsel van rechtsmiddelen en van de interne klachtprocedure zijn onverminderd intact, het wrakingsinstrument is echter aan inflatie gaan lijden en zal op de schop gaan. Die oorzaak ligt in de veelheid van oneigenlijke wrakingsverzoeken en in de soms wonderlijke toewijzing van wrakingskamers. In 2013 werd er ruim 600 maal gewraakt, hetgeen een immens verlies voor verdachten, slachtoffers en een zinnige besteding van schaarse zittingsruimte heeft opgeleverd. Elke wraking leidt tot een nieuwe zitting waarop het wrakingsverzoek moet worden beoordeeld en daarna moet er weer een nieuwe zitting worden geboekt. Deze enorme materiële en immateriële kostenpost verdraagt zich niet goed met de 5 procent aan zaken waarin een wrakingsverzoek wordt toegewezen.

Hoe is het zo scheef gegroeid?
Eerst maar de aard van de verzoeken. Iedere strafrechtsjurist heeft inmiddels weet van de verkeerde beslissing van de wrakingskamer in het proces Wilders. Omdat zijn raadsman het niet eens was met het (voorlopig) niet horen van de getuige Jansen en het uitstellen van die beslissing tot de raadkamerfase, werd de eerste combinatie gewraakt. Tot verbijstering van vrijwel iedere vakjurist wees de wrakingskamer het verzoek toe en trad een nieuwe combinatie rechters aan die schielijk allerlei verzoeken toewees wat tot eindeloze getuigenverhoren over irrelevante details leidde. De schadelijke doorwerking van het proces Wilders schuilt ten dele in die funeste beslissing van de wrakingskamer. Sindsdien regent het wrakingsverzoeken en intrigerende toewijzingen. De rechter die in de organisatorische voorfase het verzoek tot het horen van getuigen of deskundigen niet toewijst kan voorafgaand of tijdens de zitting een wraking aan zijn broek krijgen. De rechter die bij binnenkomst van de verdachte reeds in de zittingzaal aanwezig is, samen met het lid van het openbaar ministerie, kan gewraakt worden omdat hij de schijn van vooringenomenheid op zich laadt. Sinds het proces Wilders lopen rechters op eieren en kiezen, anders dan bij onze rechterlijke Zuiderburen, een toon die past bij een porceleinkast. Niet elke advocaat is daar gelukkig mee. De verstandige advocaten vrezen – terecht – dat rechters niet langer bereid zijn hun preliminaire indrukken van het strafdossier prijs te geven, wat voor de verdediging bepaald nuttig kan zijn om hun pleidooi in deze of gene richting om te buigen. Maar die verstandige advocaten zijn – even nog – in de minderheid. Het wrakingsinstrument lijkt – opnieuw nog even – populair. Zoals altijd schaadt overdaad en zal de wraking binnen afzienbare termijn herzien moeten worden.
Elke wrakingskamer stelt in zijn beslissing voorop dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen – de verzoeker onwelgevallige – (processuele) beslissingen van de zittingsrechter. Het wordt tot de normale taak van de zittingsrechter geacht om, gaande de procedure, (tussen)beslissingen te nemen over (onder meer) het al dan niet horen van getuigen en deskundigen. Grond voor wraking bestaat alleen als uit de beslissing, waaronder begrepen de motivering, zwaarwegende aanwijzingen als hiervoor omschreven kunnen worden afgeleid.
De rechtspraktijk maakt dat deze fraai ogende stoplap thans in vrijblijvendheid lijkt te sterven. Ligt dat nu aan de advocaten die te pas maar nog vaker te onpas rechters wraken? Niet helemaal. Bram Moskowicz viel in het proces Wilders niet veel te verwijten. Advocaten handelen in het belang van cliënt, ook als daarmee volgens juridische omstanders de verdachte eerder geschaad wordt, maar dat particuliere belang is niet per definitie het belang van een zorgvuldig (verlopend) strafproces. Dat bredere belang wordt door de opeenvolgende rechters bewaakt. Maar als de advocatuur ongepast omgaat met het wrakingsmiddel dient de rechter die praktijk aan banden te leggen, en als de rechter dat niet doet, moet de organisatie van de rechtspraak of de wetgever ingrijpen. Dat zal hopelijk ook over niet al te lange tijd gebeuren, maar eerst de vraag: bewaakt de wrakingsrechter het instrument van de wraking?

Bewaakt de wrakingskamer een sobere toepassing van het instrument van de wraking?
Daarover lopen de meningen uiteen. Als ik collega’s in verschillende gerechten hoor worden soms bij het toewijzen van de wraking rekeningen vereffend met de rechters die onder het vergrootglas liggen en is soms sprake van uitgesproken zwakke wrakingskamers. Dit zijn bepaald andere geluiden dan onder advocaten worden vernomen en die veeleer wijzen op het keuren van eigen vlees en waarom wrakingskamers uit een ander gerecht zouden moeten overkomen. Al met al blijven dit moeilijk toetsbare stellingen. Meer toetsbare, maar vooralsnog open liggende en wetenschappelijk nog niet beantwoorde vragen, betreffen de mate waarin wrakingsrechters hun eigen juridische werkopvatting toepassen op de casus, menen een bepaalde werkstandaard in ere te houden die door weinigen meer gedeeld worden, op de stoel van de (gewraakte) zittingsrechters gaan zitten en de grenzen jegens de reguliere rechtsmiddelen niet in acht nemen.
De meeste opvattingen over wrakingen zijn bekend en ik stip ze daarom slechts kort aan. Regelmatig wordt gewezen op de immense vertragingen die de behandelingen van strafzaken oplopen als er wordt gewraakt. Even bekend is dat slachtoffers en andere belanghebbenden door wrakingen langer in de kou komen te staan. Ook is er sprake van een eenvoudige psychologie dat gewraakte rechters moeten waken tegen gevoeligheid bij een toegewezen wraking en de veronderstelde afbreuk aan het rechterlijk gezag: wees een grote vent, vrouw of organisatie en draag je verlies! Als er echter sprake is van animositeit tussen een wrakingsrechter en de gewraakte rechter ontstaat in de wandelgang alras het beeld van een vooringenomen wrakingskamer, maar daar valt toch niets anders aan te doen dan vriendelijk te blijven glimlachen of het advies van collega’s ter harte te nemen die je adviseren ‘je er geen flikker van aan te trekken’.

Dit zijn inmiddels open deuren en charmante adviezen, maar het gaat mij op deze plaats om een aspect dat raakt aan de rechterlijke en gerechtelijke pretentie een lerende organisatie te willen zijn. De vraag is of de motiveringen van wrakingsbeslissingen de organisatie en de daarin werkende rechters wijzer of juist beducht maken. Blijkt uit de motivering van wrakingsbeslissingen hoe de wrakingskamer van vermeende feitelijkheden tot het oordeel komt van wel of geen aanwezige vooringenomenheid of is deze vooral apodictisch van aard? Het antwoord op deze vragen biedt mogelijk zicht op de oorzaak van de teloorgang van dit op zich niet verkeerde correctiemechanisme
De tweede vraag is of bepaalde feitelijkheden, als die al voor waar mogen worden aangenomen, wel iets zeggen over het wel of niet vooringenomen zijn van de zittingsrechter. Is het niet beter om procespartijen in appel of cassatie te laten klagen over eventuele vooringenomenheid? Die is immers pas deugdelijk vast te stellen als er een eindbeslissing ligt. De ficties en schijnwerkelijkheden waarmee nu gewerkt wordt, waarbij wrakingsrechters als het ware kijken in een grote glazen bol, is bedenkelijk geworden.

Alternatief voor de huidige wrakingspraktijk
Hoe zou het anders kunnen? Collega Abbink heeft in 2014 aan zijn landelijke collega’s een voorstel gedaan dat in alle eenvoud bepaald overtuigingskracht bezit. Hij doet twee voorstellen.

1. De eerste is om het wrakingsverzoek te scharen onder het beroep op artikel 6, eerste lid van het EVRM, waar het gaat om het recht op rechterlijke onpartijdigheid (HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7956). De gewraakte strafkamer zou bij tussenbeslissing op het wrakingsverzoek kunnen beslissen. Indien het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk of ongegrond wordt geacht, kan met de inhoudelijke behandeling van de zaak verder worden gegaan en uiteindelijk een einduitspraak worden gewezen. Die tussenbeslissing kan later door de hogere rechter worden getoetst. Indien deze tot het oordeel komt dat het wrakingsverzoek gegrond is, kan de bestreden beslissing worden vernietigd en de zaak worden teruggewezen. De voordelen van een dergelijk systeem ten opzichte van het huidige zijn dat het misbruik van het wrakingsrecht beperkt wordt en veel (onnodige) aanhoudingen vermeden worden.

2. Een andere optie is om de huidige wrakingsprocedure aan te passen in de richting van het Duitse systeem. Binnen het Duitse strafrechtssysteem moet onderscheid worden gemaakt tussen de vraag naar de ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek en de gegrondheid daarvan. In het eerste geval beslist de gewraakte rechter zelf. Is het beroep ontvankelijk, dan wordt over de gegrondheid uitspraak gedaan door het college waartoe de gewraakte rechter behoort, maar dan zonder zijn medewerking. Het verzoek is niet-ontvankelijk indien het niet tijdig is gedaan, geen grond voor wraking wordt genoemd of geen bewijs wordt aangedragen om de grond te onderbouwen, of het wrakingsverzoek wordt misbruikt. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer onnodig tijd wordt gerekt. De Duitse wetgever beschouwt bovendien het doen van een wrakingsverzoek voor het nastreven van procedurevreemde doelen (‘verfahrensfremde Zwecke’) als oneigenlijk gebruik.

De waarde van het klassieke wrakingsinstrument is in kort tijdbestek gedevalueerd. Van een oplossing is nog geen sprake, maar dat het niet goed gaat en de voortgang van het strafproces in brede zin door de brede inzet van het wrakingsmiddel schade oploopt, wordt door veel strafrechters met spijt aangezien. Laat de beleidsmakers en de wetgever zich met spoed beraden, meer dan alleen praten zoals dat de laatste twee jaren intensief is geschied. Men bedenke daarbij dat de komende uitvoerige herzieningen van het strafprocesrecht op de schouders staan van een lange ontwikkeling waarbij vele onmisbaar geachte instrumenten, zoals het bezwaarschrift van de dagvaarding, bij de tijd zijn gebracht en ontdaan van de mogelijkheden zand in de machine te strooien. De wraking moet gemoderniseerd worden!

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Klik hier voor deel 1, hier voor deel 2, hier voor deel 3 en hier voor deel 4a in deze serie bijdragen over het strafproces.

Een gedachte over “Het strafproces. 4b. De wraking in het strafproces

  1. Pingback: Herziening van de wrakingsprocedure: een tegengeluid | Ivoren Toga

Reacties zijn gesloten.