Wat de Nederlandse strafrechtspraak kan leren van de Antwerpse haven

Eerder maakte ik in mijn bijdragen een stapje buiten de Nederlandse rechtspraak. Zo keek ik voor het rooster naar de KLM en voor het (relatieve) belang van goede facilitering naar Suriname. In die lijn wil ik deze keer aandacht vragen voor de Antwerpse Haven waaraan een team van het Arnhems-Leeuwarder gerechtshof half december een studiebezoek bracht. Een bezoek dat voor iedereen in de strafrechtsketen valt aan te bevelen. De hoeveelheid vracht die je daar in een middag voorbij ziet komen, doet je als radertje in de strafrechtsketen klein voelen. Tienduizenden containers passeren de revue, terwijl de werkvoorraad van een gemiddeld gerecht waarschijnlijk in één container past.

Die relativering van je eigen context is op zichzelf reeds verhelderend. Tegelijkertijd roept die relativering een belangrijke vraag op en dat is de vraag waarom het de Antwerpse haven wel lukt om van al die ladingen vrachten precies te weten wat de inhoud daarvan is en waar die vracht staat en de strafrechtsketen in dat overzicht nog maar beperkt slaagt.

Laat ik als voorbeeld de opslag van koffie nemen. In een grote loods worden tienduizenden zakken koffie bewaard. De zakken zijn onderverdeeld in verschillende partijen koffie waarvan staaltjes worden genomen die worden verhandeld op de internationale koffiemarkt. Wanneer een partij verkocht wordt, weet men in de loods precies waar welke partij zich bevindt. Vervolgens mist er ook nooit een zak koffie. En waarom niet? Omdat elke zak koffie gemiddeld €100,- waard is en het bedrijf eens in de zoveel tijd op kwaliteit gecontroleerd en beoordeeld wordt. Het bedrijf doet er dus alles aan de koffie in optimale staat op te slaan en te weten waar wat ligt. Daarmee krijgen ze een zo hoog mogelijke rating, behouden ze hun waardevolle certificaat en blijven ze een interessante partner voor de koffiehandelaren. Iedereen is zich dus bewust van de waarde van het opgeslagen goed en de noodzaak daar goed zicht op te houden.

Terug naar de strafrechtsketen. Daarin is ieder papieren of digitale dossier ook een bepaald bedrag waard, namelijk het bedrag dat politie, openbaar ministerie en de rechter (om er maar een paar te noemen) ontvangen voor een bepaalde handeling ten aanzien van dat dossier. Veel belangrijker is dat in en achter dossiers veel menselijk leed schuil gaat. Leed van slachtoffers, maar ook van daders. Het klinkt misschien pathetisch, maar in en achter ieder dossier zitten mensen. En dat noodzaakt ertoe zeer zorgvuldig met dossiers om te gaan. Op zijn minst net zo zorgvuldig als met een zak koffie. Dat zou een eerste les uit de Antwerpse haven kunnen zijn: bewustheid over de waarde van een strafdossier.

Meestal zonder dat we er ons van bewust zijn, laat die zorgvuldigheid te wensen over. Delen van dossiers vermengen met andere dossiers, delen van dossiers worden op een andere plek in het dossier gestopt en (delen van) dossiers raken (gelukkig meestal tijdelijk) kwijt. Uiteindelijk komt het altijd wel goed, maar gebrekkige dossiervorming en gebrekkig dossieroverzicht kosten veel tijd en geld. Ik zou zelfs de stelling willen verdedigen dat de tijd en geld die daarmee gemoeid is het bedrag overstijgt dat de rechtspraak met digitalisering van procedures wenst te bezuinigen.

Op dit moment wordt veel tijd en geld gestopt in het digitaliseren van de rechtspraak. Dat geld zit hem vooral in het digitaliseren van de dossiers. Een geweldig vergezicht wat mij betreft, maar een met veel hobbels. Om er maar een te noemen: in plaats van voor iedereen die in de strafrechtsketen werkzaam zijn toegankelijke digitale politiedossiers, worden die papieren politiedossiers – soms zelfs ten behoeve van rechters alleen – door de rechtspraak zelf in gescand. Niet ideaal dus. Daarbij komt dat digitaliseringsprojecten op de korte termijn doorgaans meer geld kosten dan opleveren. Dat zal in de strafrechtspraak niet veel anders zijn. Rechters zijn nu nog erg afhankelijk van hun ondersteuning waar het de digitale aspecten betreft. Digitalisering zoals dat thans gebeurt, zal dus op korte termijn niet de gewenste bezuiniging opleveren. Het bezoek aan de Antwerpse haven, en daarmee kom ik bij de tweede les, laat zien op welke manier op korte termijn wel geld kan worden bespaard. Dat is een goed gedigitaliseerd systeem van voorraadbeheer. Ook dat vergt enige investering, maar een investering die zich sneller uitbetaalt. Wanneer men in de Nederlandse gerechtsgebouwen precies weet waar elk dossier zich bevindt en we er van uit kunnen gaan dat die dossiers compleet zijn, zou dat als gezegd veel tijd en geld schelen. Voor fysieke dossiers zouden barcodes een uitkomst kunnen bieden of het werken met een chip. Belangrijker is dat wordt nagedacht over een systeem van digitaal voorraad- én dossierbeheer. Het is verleidelijk maar niet reëel om te denken dat dossiers of delen daarvan niet meer kwijt kunnen raken wanneer ze ergens op een server staan. Sterker nog, op die digitale server is de kans in mijn ogen zelfs groter dat het overzicht kwijt raakt. Ik schreef daar eerder over. Er is dus alle reden om juist aan het beheer van de (digitale) voorraad en de (digitale) dossiers aandacht te besteden. Het is misschien modieus om ook als rechtspraak digitaal te gaan werken, maar het lijkt verstandiger en goedkoper om de aandacht daarbij vooral te richten op het beheren van al die digitale dossiers. De Antwerpse haven laat zien dat dat zonder meer haalbaar moet zijn voor een voorraad aan zaken die slechts een fractie vormt van de vracht die in die haven dagelijks wordt weggewerkt.

Een laatste punt dat tot nadenken stemt is het feit dat de werkzaamheden in de haven tot in vergaand detail zijn geprotocolleerd. Elke administratieve handeling en verdere uitvoeringshandeling vinden plaats volgens uniforme maatstaven die maken dat een vergissing eenvoudiger te achterhalen of te redresseren valt. Die eenvormigheid is er in de rechtspraak nog niet, maar daar wordt tot zekere hoogte wel naar gestreefd, reden waarom de rechtspraak een spannende tijd tegemoet gaat. Daarbij is vooral de vraag in hoeverre uniformering zich verdraagt met het individualisme waarmee elke medewerker in de rechtspraak zich thans nog met strafdossiers bezighoudt. In de huidige ontwikkeling van de rechterlijke organisatie vinden dossiervorming en –beheer vrijwel volledig plaats via de medewerkers die vaak ook nog verschillend werken. Meer uniform en het liefst bredere (rechterlijke) betrokkenheid bij dossierwerk is er meestal nog niet. Daarmee is in onderling verband een laatste verklaring gegeven voor het grote verschil tussen de Antwerpse haven en de Nederlandse rechtspraak: sterk collectivistische maatstaven waaraan elke havenmedewerker zich houdt versus een sterk individualistische wijze van werken. De toekomst zal moeten uitwijzen in welk opzicht daar in de strafrechtspraak aan zal worden getornd en in hoeverre dat positief effect zal sorteren.

Rick Robroek
Stafjurist Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Limburg