Min of meer of evenveel

Eind vorig jaar verscheen “Criminaliteit en Rechtshandhaving 2013”, een publicatie waar ik altijd naar uitkijk omdat er veel uit te leren valt over de prestaties van de strafrechtsketen. Ze ging vergezeld van een nietszeggende brief van de Minister van Veiligheid en Justitie. Je moet maar durven. Het eerst dat namelijk opvalt bij de bestudering van de cijfers is dat de productie, de omzet of als U wilt de output van politie, OM en rechters opnieuw behoorlijk is gedaald. Daarover wordt in de brief met geen woord gerept. Ik zal dat wel doen, daarover reppen (niet rappen) en daarbij tevens bekijken hoe de zaken die nog wel worden aangepakt worden bestraft en hoe lang dat duurt. Dit stuk gaat dus vooral over minder, soms ook over meer, maar in negatieve richting en soms verandert er niet zoveel.

Eerst de hoofdlijnen. De omvang van de criminaliteit die ter kennis van de politie komt daalt voortdurend. Werden er in 2007 nog ruim 1,3 miljoen misdrijven geregistreerd in 2013 waren dat er nog geen 1,1 miljoen. Het zou een gotspe zijn te beweren dat dit het gevolg is van de dalende criminaliteit want die daalt niet meer. In 2013 werd 20% van de mensen boven de 15 jaar slachtoffer van een misdrijf en dat is evenveel als in het jaar daarvoor. Daarnaast bestaat er al sinds jaren een onverklaarbaar grote kloof tussen het aantal slachtoffers dat zegt aangifte te hebben gedaan en het aantal delicten dat de politie registreert.

Dramatischer nog dan door de daling van de geregistreerde criminaliteit, wordt de afnemende greep op de misdaad geïllustreerd door de daling van het aantal verdachten. Waren dat er in 2007 nog zo’n 323.000, in 2013 waren het er bijna 100.000 minder. Je zou verwachten dat er in zo’n situatie het ophelderingspercentage omhoog schiet, maar dat is helaas niet het geval: het op daalt nog sneller dan de geregistreerde misdrijven en het aantal daders.

Geen wonder dat er dus ook alsmaar minder zaken bij het OM worden ingeschreven. Dat waren er in 2007 nog ruim 272.000, 6 jaar later ruim 60.000 minder. Je zou vervolgens verwachten dat het OM bij minder zaken in staat is om relatief meer “betekenisvolle interventies” te produceren zoals men dat daar noemt. Maar ook die hoop gaat niet in vervulling. Integendeel, bij een licht dalend aantal afdoeningen neemt het aandeel van de technische sepots toe van 12% in 2007 tot 21% in 2013. De zogenaamde kale beleidssepots stijgen zelfs van 3,2% naar 12,2%. Dat betekent dat dus ruim één derde van wat binnenkomt als het ware wordt weggegooid, qua bewijs of beleidsmatig gezien, ongeschikt voor verdere afhandeling. Welke organisatie kan zich zoiets permitteren? Komt het door de bezuinigingen, waardoor het OM steeds minder tijd heeft voor het aansturen van de politie of zijn er andere oorzaken.

Wat verder opvalt is dat het aantal (nog) niet geëxecuteerde strafbeschikkingen de laatste tijd fors groeit. In 2009 waren het er zo’n 2500, het jaar daarop 5000; in 2011 bijna 10000, weer een jaar later bijna 25000 en in 2013 tenslotte ruim 28000. Naar mijn mening reden tot grote zorg, zeker tegen de achtergrond van de groei van ZSM, waarbij alles juist sneller zou gaan.

Ten slotte de rechter. Die krijgt enerzijds als gevolg van de dalende instroom bij het OM en anderzijds vanwege de toegenomen mogelijkheden van het OM om zelf zaken af te doen, steeds minder dagvaardingen aangeleverd. Je zou hopen en verwachten dat er daardoor ruimte ontstaat om het aantal afgedane zaken minstens op peil te houden en in ieder geval om sneller te werken. Beide is, alweer helaas, niet het geval. Het aantal afdoeningen is verder gedaald naar iets minder dan 93.000 zaken; 3.000 minder dan vorig jaar en 35.000 minder dan in 2007. De behandeltijd is, behalve bij de kinderrechter, in vergelijking met het vorig jaar, verder opgelopen Bij de politierechter van 240 naar 254 dagen en bij de meervoudige kamer van 327 naar 346 dagen. Ten opzichte van 2005 doet de MK er nu bijna de helft langer over. De PR blijft daar, met 46% meer tijd, net onder.

En wat de inhoud van de afdoeningen betreft? Aan de toename van het aantal vrijspraken is een einde gekomen. Het blijft net onder de 10% steken. Bij de schuldigverklaringen valt op dat bij de opgelegde (deels) onvoorwaardelijke hoofdstraffen het aandeel van de geldboete sinds 2007 behoorlijk is gedaald van ruim 35% naar nog maar net 24%. Die daling gaat voor een heel klein deel ten gunste van de werkstraf maar stuwt vooral het aandeel van de gevangenisstraf op dat ten opzichte van 2007 met bijna 7% is toegenomen. Daar staat dan wel tegenover dat het aandeel van de straffen tot 3 maanden geleidelijk aan steeds verder toeneemt, tot ruim 63% in 2013: een substitutie effect? Het aandeel van de straffen langer dan een jaar daalt in dezelfde periode van 12,2 naar 9,5%. In zijn totaliteit is het aantal opgelegde detentiejaren vanzelfsprekend gedaald, maar het gemiddelde aantal maanden per sanctie opgelegde gevangenisstraf is met 4,78 gelijk gebleven.

Bij de geldboete valt een geleidelijke toename te constateren van de (wat) hogere boetes, boven de 600 euro: 23% in 2007 tegen 31% in 2013. Meer dan de helft van die boetes is overigens nog steeds lager dan 450 euro.

Ten slotte de werkstraf want de leerstraf is kwantitatief niet interessant. Hier is het omgekeerde gaande als bij de geldboete. Het aandeel van de geheel voorwaardelijke werkstraf is behoorlijk toegenomen, maar desondanks of juist daarom (?) neemt het aandeel van de langere taakstraffen af: bijna een kwart in 2007 boven de 80 uur, nog net 20% in 2013. De zeer korte, tot 40 uur nemen toe en vormen in 2013 meer dan de helft van alle opgelegde werkstraffen.

Al met al rijst de vraag hoe die alsmaar dalende productie en het nog steeds zeer bescheiden strafniveau nog kan doorgaan zonder de geloofwaardigheid van de rechtshandhaving ernstig aan te tasten. In de brief van de Minister geen woord over dit alles. Over veiligheid gesproken…

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie