Oud 2014 en nieuw 2015 in de strafrechtspleging

Inleiding
Het uitluiden van het oude jaar ging vroeger vaak gepaard met de uitspraak “Uren, dagen, maanden en jaren vliegen als een schaduw heen”. In een mensenleven is dat een open deur, zeker bij het klimmen der jaren lijkt alles sneller te gaan. Nieuwjaar gaat echter gepaard met vele goede wensen en voornemens. Realistische voornemens stoelen op in het verleden ingezette veranderingen. Over welke smaakmakende recente veranderingen kan iets gezegd worden met een daarop stoelende vooruitblik op het komende jaar?

Feitenrechtspraak
Bij de rechtbanken en de gerechtshoven zal het komende jaar worden voorgesorteerd op de bezuinigingen die in 2016 gestalte moeten krijgen. Die krimp zal het meest gevoeld worden door de ondersteuning die kleiner wordt op grond van de ombuigingen ten gevolge van de verwachte digitalisering. De spanningen komen voort uit het feit dat er nog lang geen digitale werkelijkheid is terwijl het aantal medewerkers al moet worden teruggebracht.
Verder zullen de spanningen oplopen vanwege de kloof die al vele jaren tussen bestuurders en rechters bestaat. Over de oorzaak van die spanningen heb ik veel geschreven, voor nu volstaat dat de gerechtsbesturen kwaliteit en geld beloven maar dat de praktijk neerkomt op slimmer werken met minder mensen. Die slimmere werkmethoden worden noch aangedragen door de leiding noch door de rechters. De bestuurders zijn voor een deel verantwoordelijk voor de verdieping van de spanningen, maar zij gedragen zich als de hoofdredactie van Trouw die na vele jaren verzonnen artikelen en feiten door een hunner collega’s op 20 december 2014 schreef: jammer dat het zo is gelopen, we voelen ons ook bezwaard en we gaan veel luisteren naar de critici. Bij deze verbale uiting van daadkracht blijft het meestal. Ook de rechters zijn mede verantwoordelijk voor de huidige situatie omdat ze tot op heden weinig juridische en organisatorische innovatie hebben laten zien. De visitatiecommissie onder leiding van Cohen heeft tot slot evenmin veel aangedragen om deze patstellingen te doorbreken.

Cassatierechtspraak
De cassatierechtspraak is sterk in beweging. Parket en kamers proberen zich te concentreren op de cassatiemiddelen die van belang zijn voor de rechtsontwikkeling en laten de overige middelen buiten beschouwing. Aan zaken die op de voet van 80a RO kunnen worden afgedaan zullen de advocaten-generaal vanaf de zomer van 2015 geen woord meer besteden. Deze ingezette ontwikkeling vergt jaren, 2015 zal dus een tussenjaar vormen. Verder zullen ook parket en Hoge Raad aansluiting moeten vinden bij de digitale proceswerkelijkheid van de rechtbanken en gerechtshoven, wat nog geen sinecure zal zijn, maar in ieder geval omvattender is dan de verhuizing naar het nieuwe pand in het najaar van 2015.
Verder maakt de rechtspraak van de strafkamer zichtbaar dat de drang tot meer motivering door de appelrechter onverkort zal verder gaan, waarbij de vraag is of het gaat om betere motiveringen of om rechtspolitieke keuzen jegens de wetgeving. In het materiële strafrecht zijn ter zake voorbedachte raad, roekeloosheid en de onderkant van de culpa verstrekkende arresten gewezen die er op neerkomen dat er meer bewijs wordt gevergd om tot een sluitende bewezenverklaring te komen. In de rechtspraktijk wordt sindsdien minder vaak voor moord respectievelijk dood door schuld veroordeeld en mogelijk is het de Hoge Raad daar – meer nog dan betere motiveringen – om begonnen, althans om een dam op te werpen tegen de substantieel hogere straffen dan tot enkele jaren geleden werden opgelegd. In het formele strafrecht is het arrest van 1 juli 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1496) over toe- of afwijzing van getuigenverzoeken grensverleggend geweest. De feitenrechter die zonder veel onderbouwing getuigen toewijst staat dat in de nabije toekomst vrij, de feitenrechter daarentegen die de raadsman aan een betere onderbouwing wil houden, heeft aan dit arrest meer houvast dan in lange tijd mogelijk bleek. Waar de Hoge Raad voor een deformalisering van procesvoorschriften kiest (een mooi voorbeeld blijft 19 februari 2013, LJN: BY5321 en BY5322) worden in het materiële recht de teugels juist aangetrokken.

Wetgeving
De wetgever is bezig met een vergaand wetgevingsprogramma met bijkans 20 wetswijzigingen die sterk zullen ingrijpen op de positie van de verdediging in strafzaken. Zeer wel denkbaar is de invoering van een soort grievenstelsel waardoor het hoger beroep dwingender wordt toegesneden op de geschilpunten tussen procespartijen en waarbij een muur wordt opgetrokken rond de niet appellabele onderdelen van het vonnis. De wetswijzigingen die in de maak zijn komen voor een belangrijk deel neer op het aan banden leggen van ongelimiteerde verdedigingspraktijken van de balie en het entameren van een meer slagvaardige (appel)rechtspraak. In zekere zin trekken cassatierechter en wetgever gezamenlijk op in het afslanken van de huidige procespraktijk onder een motto als terug naar een meer basale waarheidsvinding.

Raad voor de rechtspraak en de presidentenvergadering
Beide organen hebben het onverkort moeilijk. De Raad voor de rechtspraak spreekt uit dat ze boegbeeld van de rechtspraak zijn, terwijl volgens veel presidenten sprake is van leiding geven aan de rechtspraak waarbij de Raad zich steeds meer onder een Haagse – politieke – stolp begeeft. Het liefst zou de presidentenvergadering zien dat instellingen als het landelijk dienstencentrum en de SSR onder hun gezag gaan werken via dienstverleningsovereenkomsten. De spanning tussen de Raad voor de rechtspraak en de presidentenvergadering bestaat uit een klassieke dans om de macht, wie heeft het voor het zeggen? Nadeel van de presidentenvergadering is dat de individuele presidenten het in het eigen gerecht moeilijk hebben, maar in onderling verband evenmin een gezaghebbend gremium vormen dat landelijk overwicht geniet. Dat was in het verleden zo en dat lijkt na de herziening van de gerechtelijke kaart nog niet verbeterd.
Interessante overeenkomst is dat beide gremia zich steeds meer over de waterscheiding heen bewegen en op het inhoudelijke terrein van de strafrechter komen, een ontwikkeling die de cassatierechter met de nodige scherpte beziet in het licht van art. 13a RO (ECLI:NL:HR:2013:BZ3450). Recent ging de Raad voor de rechtspraak, of een van de medewerkers onder verantwoordelijkheid van de Raad, verder op deze ingeslagen weg door inhoudelijke tekst en uitleg te geven naar aanleiding van een uitspraak van de Limburgse rechtbank. In hetzelfde licht moeten de inspanningen van de onder de presidenten ressorterende afdelingsvoorzitters begrepen worden die in verband van het LOVS op zoek zijn naar uniformering en standaardisatie van het rechterlijk werk en de uitkomst professionele standaarden noemen. Een gering aantal strafrechters komt af en toe bijeen om die voorstellen te bespreken, en dat gegeven maakt de weinig representatieve uitkomsten zeker nog niet gedragen door de rechtersbasis. Zowel presidentenvergadering, Raad voor de rechtspraak en afdelingsmanagement zijn daarmee onderling flankerend bezig om het rechterlijk werk verder te stroomlijnen. In lichte ironie afsluitend: de queeste is uniformering, standaardisatie en generalisatie van de inhoud van het rechterlijk werk en de uitkomst noemen we een professionele standaard.

Mijn probleem
Mijn grootste bezwaar tegen de huidige ontwikkelingen is dat alle centraliseringstendenzen geen codificatie vormen van wat ambachtelijk aan de basis is ontwikkeld, bijvoorbeeld in succesvolle projecten die in het bijzonder gericht zijn op administratieve werkprocessen. Regelmatig valt me bij ‘trekkers’ van landelijke projecten op dat ze weinig voeling met of kennis van de precieze werkprocessen bezitten. Die omissie wordt verhuld door te wijzen op expertbijeenkomsten of gehouden interviews, maar wie geen kennis bezit van de details praat in het luchtledig en zal geen daadwerkelijke innovatie op willekeurig organisatorisch vlak kunnen ontwikkelen of sturen. Dat is het ware probleem van veel leidinggevenden in de rechtspraak of in ingewikkelde projecten als KEI of de verkeerstoren. Ik merk op dat dit probleem niet alleen vrijwel alle managers, bestuurders en zogenaamde trekkers in de strafrechtspraak aankleeft, maar ook een groot deel van de manifesterende rechters zoals ik ze denk te kennen. Veel van hen en de leidinggevenden, die zij niet hoogachten, zijn van dezelfde lap gescheurd omdat zij beiden niet of nauwelijks geïnteresseerd zijn in de werkprocessen rond strafzaken. Verbijstering blijft mijn deel omdat juist in die werkprocessen grote besparingen en innovatie worden aangebracht. Hoe kun je innoveren en besparen ter zake een onderwerp als je de materie onvoldoende doorgrondt?
Toch past enig begrip. Complexe en technische veranderingsprocessen laten leiden door rechters, die in het algemeen niet uitblinken in organisatietalent, wekt verbazing, maar de leiding toevertrouwen aan techneuten is minstens zo riskant voor de slagingskansen. Dat er wordt gezocht naar samenwerkingsverbanden tussen leidinggevende rechters en technische vaklieden is dus logisch, maar in beide gevallen gaat het niet zonder kennis van vakinhoudelijke details. Het valt me frequent op dat leidinggevenden van veranderingsprocessen, van digitalisering tot gerechtscultuur, het vaker hebben over nietszeggende noties als leiderschap of andere vage vergezichten die ze zelden aan eigen inzichten ontlenen, dan dat ik vakinhoudelijke detailkennis aantref. En dat dit euvel wordt miskend vind ik ernstiger dan vele andere problemen in de organisatie van de strafrechtspleging.
Het probleem met KEI en de landelijk nog vrijwel overal in de steigers staande verkeerstoren is dat er wel in naam lokale ruimte en magistratelijk dossiereigenaarschap worden beloofd, maar dat het in de kern gaat om landelijke modellen die de realiteit van gegroeide afhankelijkheden niet tot uitgangspunt nemen. De kern van veel van mijn wetenschappelijke (werk)methodieken rond administratieve werkprocessen, planningskwesties en werklastnormen stoelt op het gegeven dat scheefgroei, achterstand, geringe(re) talenten, afhankelijkheid tussen geledingen niet moeten of hoeven te worden opgelost, maar juist als uitgangspunt dienen voor een werkbare gemeenschap die ook nog meer strafzaken kan afdoen dan nu het geval is. De digitaliserings- en planningstendens stoelt niet op bestaande afhankelijkheden en tekortkomingen maar op een tekentafeloptimum dat in het verleden steevast is mislukt. Tenzij de strafrechter zijn onafhankelijkheid en levenslange aanstelling wordt ontnomen, zal het aantal vonnissen en arresten niet stijgen en zal de aanhoudingenproblematiek onverminderd hoog blijven. We moeten ons goed realiseren dat de landelijke verkeerstoren in het leven is geroepen om de planning te verbeteren. Bij de laatste stand van zaken van de landelijke projectleiding kan men veel lezen over trekkers, competenties en kleuren van de coördinatoren van de verkeerstoren, eigenaarschap van rechter en officier, mijlpalen en plannen van aanpak, impactanalyses, ontwerpsessies, kwartiermakers en zo verder tot schier in het oneindige. Met de handmatige accurate planning van strafzaken heeft dit soort taalgebruik weinig van doen.

Oplossing
In mijn tweede oratie heb ik uitvoerig aandacht besteed aan een van de belangrijkste oorzaken van de huidige inertie in de organisatie van het strafproces. De huidige fragmentatie in werkwijzen en geledingen is verklaarbaar vanuit de Weberiaanse modelanalyse. Arbeidsdeling leidt tot gefragmenteerde werkgeledingen. De daaropvolgende afhankelijkheid genereert binnen de verschillende werkonderdelen vaak een gevoel van een ijzeren kooi. Vertaald naar het strafproces: griffiemedewerkers, juridisch medewerkers, rechters en management zijn losgezongen van elkaar en werken in een (gevoeld) isolement. Mijn pleidooi is sinds jaar en dag dat die bestaande en niet te miskennen afhankelijkheid geoperationaliseerd moet worden in een nieuw evenwicht waarin geledingen organisatorisch samenwerken aan een strafdossier. De uitkomst van dat denkmodel was de succesvolle Arnhemse proeftuin en Arnhemse A-12 die ik in augustus ten grave heb gedragen in verband met de komst van de verkeerstoren.
Het vertrekpunt van dit Nieuwjaarsblog is het aanvaarden van gegevenheden. Ik wil dus niet monkelend omzien in nostalgie. De opgave van 2015 zal echter zijn om de slecht controleerbare groei van het project KEI en de verkeerstoren te redresseren tot normale proporties. Een pleitbare denkrichting is dat rechters en griffiers worden gedrongen om vroegtijdig verantwoordelijkheid te nemen voor het inwinnen van onderzoekswensen bij OM en de balie, vroegtijdig daarop te beslissen en in de voorfase voorkomen dat er ter zitting nodeloze aanhoudingen volgen. Rechters, juridisch en administratief medewerkers moeten niet wachten maar zelf aan de slag gaan om hun zaken voortvarender te plannen en af te doen. Indien ze dat meer doen, gestimuleerd en gedrongen door de organisatie, kan de verkeerstoren zegen brengen en kunnen de problemen die de landelijke organisatie in de schaduwen van morgen gaat genereren, worden gematigd. Centralisering brengt wel mee dat rechters die het werk in de voorfase aan anderen laten, zich aan de uitkomsten daarvan (moeten) committeren in plaats van stilzittend klagen over het werk dat voor hen wordt gedaan.

Vooruitblik 2015
De (straf)rechtspleging bevindt zich in moeilijk weer. Dat wordt vaak gezegd, maar dat maakt het voor nu niet minder waar. De spanningen worden bemanteld door de gerechtsbestuurders. Een deel van de rechters ervaart verdergaande onverschilligheid en opstandigheid, mede omdat er na het Leeuwarder manifest niet veel veranderd lijkt. Er moet meer gedaan worden met minder mensen en dat wordt nog lastiger met komende bezuinigingen en het verlies van vele miljoenen die aan het primaire proces onttrokken worden voor bedrijfsvoering en processen als KEI etc. De digitalisering van het proces en de procesvoering is van groot belang, ik schrijf het vaker. De organisatie(graad) van de digitalisering oogt voor velen bureaucratisch, kost steeds meer geld en krijgt een jaarlijks uitgestelde opleverdatum. Ik hoop het tegendeel, maar in een jaar tijd ben ik meer gaan vrezen dat KEI en de verkeerstoren de spanningen tussen rechters en de leiding gaan verdiepen.
Wonderlijk is dat niet. Of het nu gaat om de lijnen in de cassatierechtspraak, de bestuurlijke opstelling van de Raad voor de rechtspraak of die van de presidenten en afdelingsvoorzitters, de koers is centralistisch, maar wordt verhuld. Rechters zijn niet dom en velen voelen dat ze langs steeds kortere lijnen van geleidelijkheid worden aangepakt in de kern van hun eigenlijke domein. Een voorbeeld. Planningsbeslissingen zijn veelvuldig juridisch van aard, maar via de achterdeur van de verkeerstoren en andersoortige protocollen worden rechters geacht zich te committeren aan het door anderen gemaakte appointement van zittingen. Wie de centralisering als gegeven ziet, veroordeelt deze ontwikkeling niet met moreel geladen termen. Wie de bozige rechterlijke onverschilligheid en opstandigheid eveneens als een gegeven ziet, veroordeelt de juridische en organisatorische lethargie van rechters evenmin. Beide gegevens zijn echter onverenigbaar en zullen de strafrechtspleging verder onder druk zetten en de spanningen tot grotere hoogten aanjagen. Gelet op de nog steeds groeiende kloof tussen bestuurders en rechters is er niet zo snel een oplossing voorhanden.

Wensen voor bestuurders en rechters
Door de recente barmhartigheid van de kerstdagen bewogen wens ik bestuurders minder bijeenkomsten met zitzakken en andere samenbindende maar kostbare bijeenkomsten over gedragscodes met gedragsregels als ‘zeggen wat je doet en doen wat je zegt’, waardoor zij tijd en geld besparen om meer rechters aan te stellen.
Ik wens mijn collega’s zinvolle zittingen, pragmatische voorbereidingstijd en opbouwende gesprekken met collega’s toe. Volgens de wet zitten de bestuurders op grote afstand, alle ontevredenheid helpt ze niet eerder weg krijgen. Die kans is er pas weer bij het medewerkerswaarderingsonderzoek in 2018, als bestuurders zo dom zijn om het dan weer opnieuw te houden. Die kans is er ook pas weer als bestuurders moeten worden (her)benoemd, pas dan is het anonieme gestamp van en stemmen met de voeten weer zinvol. Verder wens ik mijn collega’s minder (anoniem) geklaag toe, want men zet zich daarmee naar de leiding en de collega’s te kijk als een slachtoffer terwijl leden van de derde staatsmacht qualitate qua geen slachtoffer zijn. Temeer niet omdat de huidige rechter ook vele voordelen ten deel zijn gevallen die enkele decennia geleden ondenkbaar waren en die in andere rechtsstelsels ondenkbaar zijn. Ik noem het parttime werken, de grote vrijheden die een rechter heeft, de immense verantwoordelijkheid die we onverkort bezitten in het rechterlijk oordeel over onze medemensen en dan heb ik het nog niet over de materiële gemakken van kopieerapparaten, een veelvoud aan medewerkers vergeleken met vroeger en andere landen, tot noem maar op.

De organisatiecultuur zal de komende jaren niet veranderen. De moderne mens, en dus ook de hedendaagse rechter en gerechtsbestuurder, wil graag geloven dat we er mogen zijn, dat we er toe doen, dat wij en ons rechterlijke respectievelijk bestuurlijke werk uniek zijn. Maar er gaan er van ons honderd in een dozijn en voor elke rechter en bestuurder staan er tien anderen in de rij die het beter (denken te) kunnen. Het leven is een permanent examen, van het leren lopen tot het leren sterven. Voor dat examen slagen mensen, en dus ook rechters en bestuurders, als we niet denken in utopische doelen en in glanzende vergezichten, maar pas als we erkentelijk zijn voor het onderweg zijn en onze beslommeringen en gezwoeg zien als de dagelijkse opdracht om er monter mee om te gaan. Louter ons best doen en keer op keer proberen dat nog beter te doen is genoeg voor een goed menselijk en dus ook rechterlijk zelfbeeld.

In wetenschappelijke zin gaan we (wederom) een moeilijk maar boeiend (ge)rechterlijk jaar tegemoet. Veel van de in nieuwjaarstoespraken genoemde doelen gaan op voorhand mislukken. Ik hoop dat we de moed hebben om dat gaandeweg het jaar te onderkennen, te bekennen en vervolgens het bestuurlijke en rechterlijke eind van 2015 te halen. Op naar een volgend jaar!

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden