Het strafproces. 4a. Het onderzoek ter zitting

Inleiding
Rechters spreken recht wat krom is. Indirect worden de rechtsgenoten gericht in wat recht is. Dat laatste is de normdemonstratieve functie van het recht die in de vorige bijdragen centraal stond. Er is veel te doen over dat aan de man brengen van het recht in brede zin. Het concurrerende openbaar ministerie snoept steeds meer zaken af van de strafrechter omdat het OM sneller en efficiënter zegt te willen en te kunnen werken. Het wekt geen verbazing dat de strafrechtspraak met persberichten, persrechters, gedigitaliseerde zittingzalen en dossiers, intervisie, en wat niet al, wordt opgetuigd om de rechtspraak een betere marktpositie te bezorgen. De validiteit van deze inspanningen daargelaten kan evenwel worden vastgesteld dat strafrechtspraak nooit zal verdwijnen en dat de kern daarvan wordt uitgemaakt door het onderzoek ter terechtzitting. In mijn inleiding tot deze cyclus over het strafproces stelde ik de vraag of het onderzoek ter zitting daadwerkelijk het hoogtepunt vormt. Gaat het wel om onderzoek naar de waarheidsvinding langs billijke procedureregels?

Wat houdt het onderzoek ter zitting niet in?
In ieder geval niet daadwerkelijk onderzoek doen naar schuld en boete. Daarvoor is de tijd die we in Nederland uittrekken voor de behandeling van een zaak te kort. Dat niet alleen, de strafrechter onderzoekt vooral papieren getuigenissen en technische verslagen. Het gaat dus niet om een klassiek onderzoek waarbij elk belastend en ontlastend bewijs ter zitting wordt getoond of wordt opgevoerd via te horen getuigen en verbalisanten. Op goede gronden is ons rechtsstelsel zo niet ingericht. Het onderzoek naar de toedracht rond een misdrijf is gecentreerd bij de politie en het voorbereidend onderzoek door de rechter-commissaris. Getuigen en verdachten van een misdrijf verklaren kort na een delict ‘verser’ tegenover getrainde verhorende politiefunctionarissen dan tegenover in het verhoor ongeschoolde rechters, officieren van justitie en advocaten in het eindonderzoek ter zitting. Anders gezegd, de waarheid wordt door het tijdsverloop vaak vertekend of verdrongen. De bij velen nog steeds springlevende gedachte dat een rechterlijk oordeel afhankelijk is van directe kennisname van authentiek bewijsmateriaal stoelt niet alleen op een Angelsaksisch bewijsstelsel maar ook op een mogelijk te romantisch ingekleurd beeld van bewijsgaringsmethoden. Vrijwel niemand gelooft meer dat zichtbaar is dat een liegende getuige stottert, op zijn stoel begint te draaien of begint te transpireren (aldus nog wel Mols in zijn oratie uit 1998, ‘Staande de zitting; een beschouwing over het onmiddellijkheidsbeginsel’). De Nederlandse waarheidsvinding in strafzaken berust dus op tot op heden op valide gronden op een middellijke bewijsgaring.
Nota bene: deze oude keuze van de wetgever uit 1928 stoelt niet op zuinigheid of op perverse financiële prikkels, maar op een realistisch beeld van wat rechterlijk onderzoek naar de waarheid vermag (uitgebreid M. Otte, ‘Het onderzoek ter terechtzitting. Over de betrekkelijke betekenis van het onmiddellijkheidsbeginsel’, Justitiële Verkenningen 1998, blz. 26 e.v.).

Wat houdt het onderzoek ter terechtzitting wel in?
Het onderzoek naar de waarheid levert vooral een procedureel waarheidsbegrip op, zo heb ik eerder op deze site betoogd. Is er voldoende gelegenheid geweest om belastend en ontlastend bewijs naar voren te brengen en dat ten overstaan van de rechter te betwisten? Met de vroegere hoogleraar Van Veen meen ik dat de wettelijke aanduiding ‘onderzoek ter zitting’ een onjuiste proceswerkelijkheid suggereert: “Op de zitting pleegt niet te worden geïnstrueerd, er wordt geverifieerd. Er wordt nauwelijks nieuw materiaal verzameld, er wordt nagegaan wat het verzamelde materiaal waard is. In het bijzonder wordt aan de verdachte en diens raadsman enerzijds en aan de Officier van Justitie anderzijds de gelegenheid geboden zich over dat materiaal uit te laten. Worden getuigen gehoord dan zijn dat meestal getuigen die ook reeds in het voorbereidend onderzoek en in het gerechtelijk vooronderzoek zijn gehoord. Hun verklaringen dienen ter controle van wat reeds is verklaard.” (Th. W. van Veen, ‘Bij afwezigheid veroordeeld’, D D 1985, blz. 3-4 en Th. W. van Veen, ‘Strafrechtelijke droogbloemen’, in de J.L.P. Cahenbundel, 1997, blz. 401-406). In veel opzichten kan de huidige procespraktijk nog steeds worden getypeerd als verificatiezittingen. Complicerende factor vormt het sinds 2007 ingevoerde voortbouwend appel dat de appelrechtspraak enigszins verdeeld houdt. Er zijn nog steeds strafrechters die uitvoerig uit het voorliggende dossier citeren en voorlezen. Er zijn nog steeds strafrechters die integraal het (verificatie)onderzoek van de rechtbank overdoen en zich beroepen op hun ambtshalve verantwoordelijkheid voor een compleet en goed arrest, terwijl de opvatting steeds meer veld gewonnen heeft dat het appel gaat over wat de procespartijen verdeeld houdt en de niet betwiste punten in het vonnis als uitgangspunt hebben te gelden.

De precisering van het verificatiekarakter van de zitting
Toch is de omlijning van de terechtzitting als verificatieproces nog niet precies genoeg. Verificatie sluit immers de mogelijkheid in dat de rechter alle relevante processtukken gaat voorhouden, terwijl daar niemand op zit te wachten, terwijl dat geringer wordende aantal rechters zich beroept op het wettelijk voorschrift dat wel te doen. Het moet dus gaan om het zakelijk voorhouden van stukken, wat voldoende handvat verschaft om een summiere weergave van de stukken na te streven. Een summiere en zakelijke weergave van stukken genereert de ruimte om te proberen enig gesprek met de verdachte aan te gaan, maar bovenal om de raadsman ruimte te geven zijn pleidooi puntig en goed neer te zetten.
Voor het meerdere moeten we de blik verruimen via een soort trias. Wie verifieert het bewijsmateriaal? De rechter. Wat verifieert de rechter? De relevante ontlastende en belastende verklaringen en onderzoeken. Hoe verifieert de rechter? Toch niet alleen maar summier en kort? Nee, het zwaartepunt van het verificatiekarakter ligt op de vraag of de bewijsvoering tot een aannemelijk en onvoldoende weersproken daderschap heeft geleid. De contradictoire gedingvoering in twee fasen is dan niet langer gericht op het (ter zitting) bespreken of vaststellen van de werkelijke schuld van de verdachte, maar gericht op een aanvaardbare wijze van uitwisselen van standpunten. Bij die processuele gedachtewisseling komt het ook aan op de activiteit van de verdachte om zich adequaat te verdedigen en efficiënt met de hem toebedeelde verdedigingsruimte om te gaan. Het bij de rechtbank en later bij het gerechtshof wisselen van standpunt of het verschieten van ongefundeerde hagel kan tot de komende herziening van het Wetboek van Strafvordering nog niet verboden worden, maar verdient minder serieuze respons of verdient zelfs buiten bespreking te blijven. Speels gezegd, bij de rechtbank is het nog vrije speeltijd, maar bij het gerechtshof als laatste feitelijke instantie dient het gerecht niet alle wensen van de verdediging te honoreren, en dient de verdediging nog serieuzer met de schaarse en laatste procestijd om te gaan. In deze redenering ligt een belangrijke grondslag voor een verdere afslanking van het hoger beroep. Thans is het hoger beroep feitelijk niet veel meer dan een tweede ronde waarbij de rechtbankbehandeling voor een aanzienlijk deel en soms nog eens integraal wordt overgedaan. Wat voegt dat toe aan de kwaliteit van de waarheidsvinding, anders dan dat er nog tweede oordeel aan het eerste wordt toegevoegd? Het is de vraag wat de rij aan getuigen en nadere onderzoeken voor de waarheidsvinding opleveren. Bij het toepassen van hoor en wederhoor, met het inbouwen van toetsingsmomenten bij het voortduren van de voorlopige hechtenis en bij het grondig bevragen van getuigen en deskundigen leidt de intrinsieke twijfel over de materiële waarheid tot een valide rechterlijk oordeel. Niet valide in de zin van finaal, maar valide in de zin van procedurele gerechtigheid. Omdat de materiële waarheid omtrent de verdenking meer een procedurele waarheid inhoudt, is de vraag gerechtvaardigd waarom een voluit opgetuigde tweede behandeling noodzakelijk is. Voor de vraag naar het daderschap is een grondige(r) behandeling bij de rechtbank van wezenlijke betekenis, zodat het hoger beroep nog louter hoeft te gaan over de ongerechtigheden in het vonnis en onregelmatigheden in de eerste procedure, voor zover die niet bij de rechtbank reeds uitputtend zijn besproken. De toegang tot hoger beroep respectievelijk een inhoudelijke behandeling wordt geblokkeerd als de grieven niet afdoende gespecificeerd zijn in de appelmemorie.
Tegengeworpen zou kunnen worden dat juist het centraal stellen van de procedurele waarheid ertoe dwingt om de procespartijen een volle tweede kans te geven om hun standpunten naar voren te brengen onder het motto “hoe meer tegenspraak hoe beter”. Met het oog op de procedurele waarheid gaat dat argument echter alleen maar op wanneer de eerste rechter die standpunten niet heeft meegewogen of wanneer er sprake is van nieuwe standpunten. Een nieuwe beoordeling van eerder ingenomen standpunten past daar minder bij.

Terugblik en vooruitblik
Het laatste decennium heeft een soort interbellum opgeleverd. Het onderzoek ter zitting is verschoven van redelijk slaapverwekkende sessies waarbij vooral stukken werden voorgelezen naar puntiger en kortere behandelingen van de zaak, al kunnen veel strafrechters zich op dit punt nog verbeteren. Dat is een goede ontwikkeling, maar we zijn nog niet aangekomen in een bestendige setting. De strafrechter wordt immers nog steeds voluit belaagd met inadequaat onderbouwde verzoeken van de verdediging die de rechtspraak onvoldoende weet te pareren. Dit leert dat zowel magistraat als verdediging nog een slag kan maken waar het gaat om het helder krijgen wie, wat en hoe de verificatie van het bewijsmateriaal ter hand neemt respectievelijk inhoudt. De rechter verifieert en weegt het voorliggende onderzoeksmateriaal, in beginsel is het niet aan de raadsman om nieuw onderzoek te gelasten of voor de zoveelste keer een getuige te bevragen. De rechter verifieert via procedurele procesopvattingen, wat een grote last op de schouders van de raadsman legt om zo concreet mogelijk tot in detail aan te geven hoe het anders zou moeten, en waarom een getuige nogmaals zou moeten worden ondervraagd
De cassatierechter heeft sinds enkele jaren de scoop van het vooronderzoek en de vormverzuimen sterk gerelativeerd. Ook de wetgever is voluit bezig de raadsman te dwingen tijdig met onderzoekswensen en grieven te komen en verdergaande stappen te zetten die de raadsman in het strafproces herpositioneert. Binnen enkele jaren is het interbellum voorbij en kan de rechter weer meer zijn werk doen zonder voortdurend op eieren te lopen en gehinderd te worden bij het wegen van het voorliggende procesdossier.
Overigens zullen de materiële uitkomsten dan niet anders zijn dan vroeger. Een dunne zaak zal nog steeds vaak eindigen in vrijspraak zonder dat de rechter de relevante getuigen zelf heeft gehoord. Dat is een goede zaak, de rechter hoort ambtshalve kritisch te zijn op het dossier dat hem wordt voorgeschoteld. Die toetsing vindt klassiek plaats bij de voorbereiding van de zaak, tijdens het raadkameren en het schrijven aan het vonnis of arrest. Tijdens de zitting ging, gaat en zal het blijven gaan om een impressie van de verdachte, het luisteren naar een bondige officier en raadsman die zich niet verliezen in een langdradig betoog maar proberen de rechter te overtuigen van hun zienswijze. Het onderzoek ter terechtzitting zal langs lijnen van geleidelijkheid transformeren naar een discours waar nog een toelichting op de eerdere uitwisseling van schriftelijke stukken zal plaatsvinden en de verdachte nog een toelichting kan geven op zijn eerder tegenover de politie en rechter-commissaris afgelegde verklaringen. In dat perspectief vindt de verificatiebehandeling, het requireren en pleiten op pakkende(r) hoofdlijnen plaats, op een wijze die het hopelijk aanwezige publiek begrijpt. Het gereviseerd onderzoek ter zitting zal de overtuigingskracht van de strafrechter ten goede komen en de strafrechter beter positioneren ten opzichte van het openbaar ministerie.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Klik hier voor deel 1, hier voor deel 2 en hier voor deel 3 in deze serie bijdragen over het strafproces.