Het strafrecht (niet) als panacee

Nu ik de strafrechtpraktijk verlaat, voel ik mij in deze 30e en laatste bijdrage aan Ivoren Toga iets vrijer op een aantal inhoudelijke zaken in te gaan. Het gaat daarbij vooral om onderwerpen die geregeld aan lunch- en borreltafels ter sprake komen, maar waarover je je als strafrechter-in-functie niet zo gauw in het openbaar zult uiten. Uit het hiernavolgende zal, hoop ik, duidelijk worden waarom.

Ten eerste krijg je weleens de indruk dat sommigen in het strafrecht de panacee voor alle maatschappelijke problemen zien. Als kinderen elkaar treiteren, wordt geroepen dat pesten strafbaar moet worden gesteld. Als een advocaat weigert op te staan, wanneer de rechtbank de zittingzaal betreedt, moet dat als strafbaar feit in de boeken komen te staan. Als mensen links op de roltrap blijven hangen en mensen die willen doorlopen, blokkeren, wordt om een delictsomschrijving gevraagd. Iedereen kent deze en andere voorbeelden.
Maar ook bij maatschappelijke verschijnselen waarbij het strafrecht al een rol speelt, vraag je je meer dan eens af of de problemen niet op een andere manier kunnen worden opgelost. Dit speelt in het bijzonder bij gedragingen die eerder als onfatsoenlijk, onbehoorlijk, respectloos of puberaal dan als crimineel zouden moeten bestempeld.

Dichtbij pesten staat bijvoorbeeld kattenkwaad: met sneeuwballen naar auto’s gooien, onschuldige fikkies stoken, belletje trekken, als groepje pubers – uit verveeldheid – volwassenen irriteren. Je kunt voor al deze gedragingen delictsomschrijvingen vinden, als je dat wil. Maar is het niet beter de daders op een gezag afdwingende andere manier te benaderen? Terecht wordt geklaagd dat sommige ouders hun kinderen te weinig in de hand hebben. Maar moeten HALT-straffen dan steeds voor documentatie zorgen, zeker als dat ook nog – soms vergaande – consequenties voor iemands VOG kan hebben?

Een gezagskwestie speelt ook bij de veel besproken bejegening van personen met een hulpverlenende functie. Voorop staat natuurlijk dat elke vorm van fysieke mishandeling van ambulancepersoneel en politieagenten uit den boze is. Laat daarover absoluut geen misverstand bestaan! Maar moeten verbalisanten elke keer dat iemand er uit boosheid of frustratie een kreet uitflapt, een proces-verbaal wegens belediging uitschrijven? Gezegd wordt dat dit nodig is om het gezag te herstellen of vestigen. Het omgekeerde wil nog weleens het geval zijn.
Een voorbeeld. Op het Stationsplein in Amsterdam zien twee agenten een als zodanig herkenbare oudere alcoholist een paar toeristen benaderen: “heppueenvuurtje?” De politiemannen lopen erop af en roepen: “Oprotte!” De man reageert daarop met “klosakke”. Vervolgens schrijven de verbalisanten een proces-verbaal uit, waarin ze verklaren dat ze zich daardoor in hun eer en goede naam voelen aangetast. De man wordt aangehouden.
Ik denk altijd dat in een verleden een (oom) agent de alcoholist zou hebben voorgehouden dat hij een nachtje in het cachot mocht doorbrengen om te ontnuchteren, als zijn gedrag te hinderlijk was. Bovendien: is er geen verschil tussen enerzijds schelden of zonder respect behandelen en anderzijds beledigen in de zin van art. 266 e.v. Sr? In heel veel situaties waarin nu tot een veroordeling voor het laatste wordt besloten (of gevorderd), heb ik het gevoel dat het opzet tot het schenden van iemands eer en goed naam ontbreekt en dat de geuite kreet vooral als “schelden” moet worden aangemerkt. Nederlanders zijn nu eenmaal direct op de tong. Ook bedreiging wordt soms erg snel aangenomen, ook als degene die de woorden uit, veilig achter slot en grendel zit.

De rechterlijke macht heeft de laatste jaren met een explosie van door politieagenten als slachtoffer aangebrachte beledigingszaken te maken. Moet een gebrek aan respect of fatsoen nu echt langs de weg van het strafrecht worden verholpen? Zou het niet veel beter zijn het – onmiskenbaar – verminderde gezag te proberen op een andere manier te herstellen? En hebben strafrechters niet iets beters te doen?
Dat vraag je je ook bij huiselijk geweld af. Moet elke klap of trap in de echtelijke sfeer aan de strafrechter worden voorgelegd? Ook als de zaak bijna twee jaar na dato voor de rechter komt en de betrokkenen alweer goed met – of, omgekeerd, uit – elkaar zijn? Zijn er geen andere maatschappelijke middelen om dit soort problemen aan te pakken? De dossiers bevatten een groot stempel HUISELIJK GEWELD. Het moet dus een grote misstand zijn.

En wat te zeggen van de recente stroom fraudezaken als gevolg van gerommel met uitkeringen en – vooral – toeslagen. Fraude met kinderopvangtoeslag is de laatste tijd bij rechtbanken haast aan de orde van de dag. Dat deze vorm van misbruik moet worden bestraft, is buiten kijf. Maar de overheid maakt het wel erg makkelijk door zonder noemenswaardige, soms eenvoudig uit te voeren, controle vooraf tienduizenden euro’s over te maken voor kinderen die nooit opvang zullen genieten.
Nu zal het na het aan het licht komen hiervan wel beter gaan, maar nog steeds krijg je de indruk dat onze Staat door gemakzucht of een overmaat aan sociaal gevoel fraude in de hand werkt., om geen andere kwalificatie te gebruiken … En degenen die de toeslagen echt nodig hebben, lijden eronder. Bij een betere regeling en controle zouden strafrechters bovendien heel wat minder onnodige zaken te verhapstukken hebben.

Tot slot de drugs, de aanleiding tot een groot aantal delicten die strafrechters te behandelen krijgen. De rechtbank Groningen heeft onlangs de eerste stap genomen door een “bovengronds” opererende hennepkweker niet strafbaar te achten. Wat mij betreft vindt dat voorbeeld navolging, niet alleen in de rechtszaal, maar tevens wat kwekerijen betreft. Ook hier is vanzelfsprekend dat risicovol gedrag door het gebruik van illegaal afgetapte elektriciteit en brandgevaarlijke apparatuur moet worden bestreden (en bestraft).
Maar de overheid zou dat gedrag kunnen voorkomen, als zij zou toestaan dat coffeeshops zich op een legale en gecontroleerde wijze bevoorraden. Als je A en B zegt door het bezit en de verkoop van (beperkte hoeveelheden) soft drugs te gedogen, is stap C – het gedogen van productie – dan niet een logisch vervolg? Ik kan mij bij de recente oproep van een groot aantal burgemeesters heel wat voorstellen.

Als de overheid anders met de hier besproken (en andere) ongewenste gedragingen zou omgaan, zou de strafrechter misschien een hoop minder te doen krijgen. Anderzijds zou de ruimte die vrijkomt, kunnen worden besteed aan problemen waar het echt nodig is strafrechtelijk in te grijpen. Dan zouden we misschien ook iets zuiniger kunnen zijn met zaken waarbij de rechter, vanwege het systeem van strafbeschikkingen, nauwelijks meer wordt betrokken. Daar krijg je weleens het idee dat de overheid naar de andere kant doorslaat.

Het is ook nooit goed!

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter rechtbank Amsterdam

Een gedachte over “Het strafrecht (niet) als panacee

  1. Pingback: De week in 347 woorden « Bits of Freedom

Reacties zijn gesloten.