Kwaliteit

Wie zal het met het rapport van de commissie Visitatie gerechten 2014 (het rapport Cohen) oneens kunnen zijn, schrijft Otte, retorisch, in een recente bijdrage aan dit blog. Nou ik en niet zo’n beetje ook. Ik vind het namelijk een buitengewoon slecht rapport.

Allereerst omdat de resultaten van de gegevensverzameling aan dezelfde gebreken lijden als veel rechterlijke vonnissen: ze zijn onvoldoende onderbouwd. In hoofdzaak heeft de commissie twee instrumenten gebruikt om de data te verzamelen waarop het rapport is gebaseerd: een enquête onder alle medewerkers en gesprekken op locatie, beide voorafgegaan door uitgebreide voorlichting.
Van de ca. 10.000 medewerkers vulden uiteindelijk 4120 de vragenlijst in; dat is een respons van 43%. Met 1215 medewerkers werd gesproken tijdens het bezoek van de commissie aan de diverse gerechten. Dat gebeurde op basis van vrijwilligheid na aanmelding door de betrokkenen. 43% lijkt een heel behoorlijke respons, maar meer dan de helft van de medewerkers heeft niet gereageerd. Als die laatsten op relevante punten, laten we zeggen ervaring, sector waarin men werkzaam is en positie in de organisatie, verschillen van degenen die de enquête wel hebben ingevuld, loop je de kans dat er een eenzijdig en vertekend beeld ontstaat.
Dat gevaar dreigt des te meer omdat door de commissie geen enkel inzicht wordt verschaft over de mate waarin de respons van de enquête over de verschillende “soorten” medewerkers was verdeeld. Dat is in het algemeen al een methodologische doodzonde en nu te meer, omdat voor het eerst alle medewerkers van de gerechten bij die enquête werden betrokken. Bij voorgaande visitaties in 2006 en 2010 werd (kennelijk) alleen aan rechters de mond gegund. Dat maakt vergelijking van de huidige gegevens met die jaren gevaarlijk en onbetrouwbaar. Niettemin maakt de commissie dat soort vergelijkingen herhaaldelijk zonder het genoemde probleem onder ogen te zien. Ik had dus wel graag willen weten hoeveel procent van de benaderde rechters de vragenlijst had ingevuld, hoe dat zat bij de bodes, de gerechtssecretarissen en zo meer.
Hetzelfde geldt a fortiori voor de gesprekspartners van de commissie. Dat waren er 1215, een procent of 13 van het totaal. Het gevaar is groot dat dit op welke wijze dan ook een specifieke selectie uit het totaal is, waarin bijvoorbeeld mensen die een hoge werkdruk ervaren of die graag klagen oververtegenwoordigd zijn met het gevaar dat wat zij zeggen niet voor de organisatie als geheel geldt.

Het rapport is daarnaast slecht omdat het nauwelijks over kwaliteit gaat en om kwaliteit was het toch begonnen. Het gaat in hoofdzaak over kwaliteitsdoelstellingen en kwaliteitsinstrumenten, waarvan kennelijk ooit is vastgesteld of aangenomen dat ze een randvoorwaarde vormen voor het leveren van kwaliteit. Daarbij gaat met name de opsomming van een aantal lokale kwaliteitsdoelstellingen hier en daar de schaamte ruimschoots voorbij zoals: 90% van de terugbelafspraken moet binnen 24 uur worden nagekomen of: er worden in 2014 twee rechtbankbrede bijeenkomsten georganiseerd in het teken van reflecteren op kernwaarden. Wat heb ik daar als burger, die buitengewoon geïnteresseerd is in de kwaliteit van de rechtspraak, allemaal mee te maken? Het is alsof de fabrikant van een recentelijk aangeschafte gloeilamp die het niet doet zich tot mij wendt met de verontschuldiging dat hij bezig is het productieproces vanaf morgen zó in te richten dat zoiets niet meer voor zal komen; of dat de leverancier van mijn auto, die een mankement heeft uitvoerig gaat uitleggen hoe dat is ontstaan in plaats van de auto terug te halen naar de fabriek. Wat heb ik te maken met de manier waarop kwaliteit tot stand komt, ik wil het gewoon krijgen. Door dit eindeloze gepalaver over randvoorwaarden wordt de aandacht afgeleid van de echte kwaliteit en wordt geïllustreerd hoezeer de ZM met zichzelf bezig is en naar binnen is gekeerd. Dat komt nog eens pijnlijk tot uitdrukking in hoofdstuk 8, getiteld “Externe verbinding: contact met de samenleving” dat begint met de platitude van het jaar: “Rechtspraak staat niet los van de samenleving maar is er een onontbeerlijk onderdeel van en staat in dienst van die samenleving”. Helaas moet de commissie even verderop vaststellen ”dat de gerechten niet veel instrumenten gebruiken om de mening van partijen en burgers over het gerecht te krijgen” en dat “directe en regelmatige feedback van partijen en/of burgers naar rechters en medewerkers komt zodoende weinig voor”. Enfin, dat is dan toch maar gezegd.

Ten slotte vind ik het rapport slecht omdat het, zelfs wanneer het over echte kwaliteit gaat in hoofdstuk 6 getiteld “Tijdigheid” nergens met echte feiten komt. Er worden vele staafdiagrammen gepresenteerd met gegevens over het percentage van zaken die binnen de afgesproken normtijden worden afgehandeld, maar wat die normtijden zijn mogen we kennelijk niet weten. Overigens is de commissie zorgelijk gestemd over de ontwikkelingen op dit punt en dat lijkt zeer terecht gezien de feitelijke gegevens die wel worden gepresenteerd in Criminaliteit en Rechtshandhaving 2013. Daaruit blijkt namelijk dat de doorlooptijden van strafzaken ten opzichte van 2012 opnieuw zijn toegenomen: bij de meervoudige kamer van 327 naar 346 dagen. In 2005 was dat “nog maar” 232 dagen; bij de politierechter van 240 naar 254 dagen; in 2005 174 dagen en bij de kantonrechter van 159 naar 161 dagen; in 2005 166 dagen. Dat alles bij een opnieuw dalende productie van 95910 zaken naar nog maar 92891. In 2005 waren dat er met 132595 nog bijna 40000 meer. De ambitie van de Raad om de doorlooptijden in 2018 met 40% te hebben gereduceerd ten opzichte van 2013 wordt door deze verdere stijging ook steeds moeilijker te realiseren.

Kortom, een slecht rapport, met resultaten die slecht gefundeerd en hoogstwaarschijnlijk onbetrouwbaar zijn en dat de aandacht afleidt van de echte kwaliteitsproblemen waarmee de ZM heeft te kampen te weten de alsmaar dalende productie en de gedurig stijgende doorlooptijden. Het is de hoogste tijd dat de ZM in al zijn geledingen zich van deze langjarige ontwikkeling bewust wordt en probeert ze te stoppen. Zo niet dan dreigt marginalisering.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie