Het rapport Elias en de strafrechtspraak. Kwaliteit, innovatie én digitalisering: kan dat wel?

Onlangs presenteerde de parlementaire onderzoekscommissie Elias haar rapport over ICT-projecten bij de overheid. Bij lezing van het rapport is er een zin die bij mij bleef hangen en dat is een van de tien zogenaamde BIT-regels die de commissie de lezer van het rapport in de inleiding meegeeft. Deze tien regels worden door de commissie “boerenverstand”-regels genoemd waaraan elke ICT-project van de overheid getoetst zou moeten worden. Deze toets zou dienen te worden verricht door het nog op te richten landelijke Bureau ICT-toetsing (BIT). Ten aanzien van de regels wordt overwogen dat deze er voor dienen te zorgen dat de projectbeginselen op orde zijn en dat de opdrachtgever goed geeft nagedacht voordat hij een project start. Dat alles onder de vlag van nog zo’n boerenadagium: “Een goed begin is immers het halve werk”. “En hoe simpel dat ook klinkt, uit het onderzoek van de commissie is gebleken dat juist op dit punt het meeste misgaat”, aldus de commissie Elias.

De zin die mij vooral triggerde in verband met de digitaliseringsbewegingen binnen de strafrechtspraak is de vierde BIT-regel:

“Reorganiseer en standaardiseer eerst de werkprocessen die met ICT worden ondersteund en ga pas daarna automatiseren”.

Heel logisch inderdaad. De strafrechtspraak is ondertussen druk aan het digitaliseren. Het onderscheid met automatiseren en de vraag of de rechtspraak nu aan het digitaliseren of automatiseren is, laat ik even rusten. Ik beperk me tot de vraag of de wijze waarop de digitalisering in de strafrechtspraak vorm krijgt wel aan die vierde BIT-regel voldoet?

Laten we voor beantwoording van die vraag kort in de historie teruggaan. In oktober 2013 werd na verschillende problemen rond strafdossiers bij OM en ZM de gezamenlijke Task force opgericht. Deze Task force kwam in februari 2014 met een rapport waarin (onder meer) werd aanbevolen bij ieder gerecht een verkeerstoren (++) op te richten bestaande uit medewerkers van ZM en OM teneinde de logistiek rond dossierstromen te monitoren en te reguleren. Met behoud van ieders eigen (organisatie)verantwoordelijkheid en het eigenaarschap van individuele rechters en officieren van justitie, werd het aanbevolen pakket geflankeerd met aanbevelingen te komen tot meer uniforme en gestandaardiseerde werkprocessen. Dit pakket aanbevelingen werd onderschreven door de Raad voor de Rechtspraak en de besturen van de gerechten en thans zal ieder gerecht wel een verkeerstoren kennen (dan niet in oprichting). Deze flinke reorganisatie van werkprocessen op bestuurlijk niveau gaat gezelschap krijgen van een minstens even omvangrijke reorganisatie van werkprocessen op het niveau van de wetgever. De minister bereidt namelijk een omvangrijke herziening van het Wetboek van Strafvordering voor. Ten slotte mag niet onbenoemd blijven dat ook de rechters zelf aan het standaardiseren en uniformeren zijn geslagen. Ze zijn druk bezig met het formuleren van ‘hun’ professionele standaarden. De werkprocessen worden op het niveau van het bestuur, wetgeving en de rechter dus fiks verbouwd.

Iedereen met enig boerenverstand die dagen kan tellen, voorziet dat de tijd die de strafrechtspraak heeft gehad om zijn eigen werkprocessen te reorganiseren erg kort is. Niemand zal verwachten dat de problemen uit oktober 2013 een jaar later als sneeuw voor de zon zijn opgelost. Daarbij komt dat de verkeerstorens nog in de oprichtingsfase zitten, nog niet op volle toeren draaien, laat staan dat de resultaten daarvan zijn geëvalueerd.
Makkelijk zal het ook allemaal niet zijn. Daar waar vanuit de balie vooral gevreesd wordt voor een te innige band tussen OM en ZM, weten insiders dat de verhouding niet altijd even soepel loopt (hetgeen vanuit de machtenscheiding ook helemaal niet erg is, zeg ik er maar even bij).
Bovendien moet nog maar blijken in hoeverre de verkeerstorens met succes de uniformerende en standaardiserende slag kunnen maken. Daarvoor moeten strafrechters meer als eenheid opereren en als dat al lukt hoort daar ook het aanspreken van rechters bij die zich niet aan de onderlinge afspraken houden. Het zijn juist die twee aspecten (eenheid en ontvankelijkheid voor feedback) waarop de rechtspraak in de recente visitatieronde een (dikke) onvoldoende scoorde.
Daar kunnen de professionele standaarden natuurlijk tegenover worden gesteld, maar die moeten er eerst maar komen. Bovendien zijn ze niet zonder kritiek gebleven en er moet nog maar worden afgewacht of die niet vooral open deuren inhouden ten aanzien van ‘de kwaliteit’ in plaats van harde afspraken over de (juridische) werkprocessen van rechters waaraan rechters zich collectief committeren.
Ten slotte moet ook nog maar blijken dat de voorgenomen herziening van het Wetboek van Strafvordering er komt zoals de minister die in gedachten heeft. Vanuit de balie en wetenschap valt de nodige weerstand te verwachten. Belangrijker nog is dat de wetgever zoveel mag willen, maar dat het uiteindelijke strafproces (zolang er nog zaken bij de strafrechter terecht komen) in de gerechten zelf en uiteindelijk in de zittingszaal vorm krijgt. Strakkere termijnen en gefixeerde spreektijden voor bijvoorbeeld de verdediging, sluiten zeker niet uit dat strafrechters zich in de praktijk flexibeler opstellen.

Ik kan nog wel even doorgaan, maar mijn punt is duidelijk. De strafrechtspraak is zich (gelukkig maar!) enorm aan het ontwikkelen. Kwaliteit én Innovatie (KEI) zijn de sleutelwoorden en de in gang gezette ontwikkeling moet zonder meer worden toegejuicht, zij het dat op onderdelen vragen kunnen worden gesteld over in het bijzonder de verwachtingen van de verschillende ontwikkelingen. Vaak wordt in één adem met kwaliteit en innovatie óók digitalisering van de werkprocessen genoemd en daarmee kom ik terug bij de lessen van de commissie Elias. Met de simultane nadruk op kwaliteit, innovatie én digitalisering maakt de strafrechtspraak volgens Elias een denkfout. ‘Zorg eerst dat de werkprocessen op orde zijn en ga daarna pas automatiseren’, is namelijk een van de “boerenverstand”-regels die zij formuleren. En dat is uiteindelijk niet de volgorde die de strafrechtspraak volgt. Integendeel: de beoogde inkrimping van het rechtspraakbudget moet door digitalisering worden behaald en de strafrechtspraak wordt al meer en meer gedigitaliseerd. Ondertussen staan de (nieuwe) werkprocessen nog volop in de steigers en is de mate van (gewenste) uniformering en standaardisering van die werkprocessen nog verre van bepaald. Daarmee is overigens niet gezegd dat de strafrechtspraak per direct moet ophouden te digitaliseren omdat van de hiervoor geschetste organisatieontwikkelingen het einde nog lang niet in zicht is. Wel zou mogen worden verwacht dat digitalisering wordt beperkt tot die onderdelen van de strafrechtspraak die wel goed lopen. Wanneer Kwaliteit én Innovatie van de werkprocessen op orde is, zou er pas mogen worden gedigitaliseerd. Alleen daar heeft digitalisering volgens Elias immers zin.

Rick Robroek
Stafjurist Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Limburg