Tien antwoorden van de strafrechter (deel 7)

Hieronder vindt u het zevende interview in de serie “Tien antwoorden van …”. De opzet is analoog aan “De tien geboden” in Trouw en de tekst bevat een tiental vaste vragen. Deze keer zijn de vragen gericht aan mr. R.A.J. van Leeuwen, senior rechter rechtbank Limburg.

Kort curriculum

1983: Privaatrechtelijk afgestudeerd in het Nederlands recht aan de Universiteit Groningen
1983 – 2002: Advocaat bij Hoeberechts Advocaten te Weert.
2002 – 2006: Rechter rechtbank Maastricht, strafsector
2006 – 2011: Vice-president rechtbank Maastricht, teamvoorzitter, strafsector
2011 – heden: Senior rechter rechtbank Limburg, strafsector

Wie is uw leermeester?

Een moeilijke vraag. Eigenlijk komt er niet direct een echte leermeester in mijn gedachten op. Naast mijn eigen normen en waarden – meegekregen van thuis – zie ik vooral mijn jaren in de advocatuur als bepalend voor de strafrechter die ik nu ben. Daar heb ik geleerd kritisch te zijn en praktisch te werken. Ook vaardigheden als helder en beknopt schrijven heb ik daar geleerd. En daar is mij natuurlijk het belang duidelijk geworden van oprechte aandacht voor de justitiabele en zijn bejegening in de zittingzaal.

Na 19 jaar advocatuur ben ik overgestapt naar de rechterlijke macht. Als rasechte civilist kwam ik in de strafsector van de rechtbank Maastricht terecht (volstrekt logisch, toch?). Dat was wennen. In die tijd was bij veel voorzitters het langdurig voorhouden van stukken, zelfs als de verdachte had bekend, niet ongebruikelijk. Op zittingsdagen werd het dus doorgaans (erg) laat. Waren de zittingen lang, de vonnissen daar en tegen waren juist erg kort. Uitleg over hoe de rechter tot zijn oordeel was gekomen moest, als het maar even kon, achterwegen blijven want dat volgde immers uit de bewijsmiddelen (die niet in het vonnis stonden). Het geheel was voor mij nogal onbevredigend.

De persoon die een belangrijke rol heeft gespeeld bij het feit dat ik dat rechtsterrein toch snel erg leuk ben gaan vinden was mijn toenmalige teamvoorzitter, en latere sectorvoorzitter, Van der Aa. Zijn visie op het werk van de strafrechter en de manier waarop deze zaken zou moeten behandelen spraken mij zeer aan. Een efficiënte bespreking van het dossier, veel dialoog met de verdachte en uiteindelijk een inhoudelijk gemotiveerd vonnis. Hij heeft mij zeer gestimuleerd om op die weg door te gaan. Daarmee heeft hij een belangrijke bijdrage geleverd aan het vinden van mijn weg binnen de rechterlijke macht.

Hoe organiseert u uw eigen werk?

Anderhalf jaar geleden ben ik begonnen met een zogenaamde Eigen Beheer Kamer. Een strafkamer die zijn eigen werk organiseert. Otte is hier indertijd mee begonnen bij het Gerechtshof in Arnhem. Bij de rechtbank Maastricht is dit idee opgepikt voor de eerste lijn. De Eigen Beheer Kamer kreeg de opdracht te verkennen of deze manier van werken ingepast kon worden binnen de bestaande organisatie. Na het tot stand komen van de rechtbank Limburg is het experiment voortgezet.

De EBK is een strafkamer met een vaste samenstelling, die eigen zaken heeft, die ook zelf beheert en daarop actief stuurt. Naar mijn stellige overtuiging levert dat een boel voordelen op, zowel voor de procespartijen als de rechter.

Zo zien de procespartijen bij iedere volgende zitting dezelfde rechters en niet steeds weer anderen. Een ingeslagen koers wordt doorgaans volgehouden tot het einde van de zaak. Er komt geen zwabberbeleid als gevolg van een gewijzigde samenstelling van de kamer. Ook probeert de EBK de doorlooptijd van een zaak zo kort mogelijk te houden. Dat gebeurt onder andere door het al op voorhand inventariseren – en uitvoeren – van onderzoekswensen. Verder “bewaakt” de EBK haar eigen werkvoorraad en zet zij een zaak zelf weer op zitting als de onderzoeken zijn voltooid. De “planktijd” wordt daardoor zo kort mogelijk gehouden. Ten slotte wordt regelmatig een rc uit eigen midden ingezet om getuigenverhoren sneller te kunnen laten plaatsvinden.

Voor de rechter zijn er ook voordelen. Om te beginnen leidt het hebben van eigen zaken tot een grotere betrokkenheid en daarmee ook tot een groter verantwoordelijkheidsgevoel voor de afdoening ervan. Daarnaast is het hebben van eigen zaken efficiënt, het bespaart veel voorbereidingstijd omdat het dossier in beginsel maar een keer gelezen hoeft te worden. Komt de zaak terug, dan volstaat doorgaans een korte opfrissing aan de hand van de voorbewerking. “Last but not least” is de rechter in dit systeem veel autonomer, wat bijdraagt aan een grotere arbeidssatisfactie.

Overigens, om de manager niet het gevoel te geven helemaal met lege handen te staan tegenover al die autonomie wordt er een jaarproductie afgesproken. Hierin ligt vast wat de EBK jaarlijks aan vonnissen moet produceren. In een tweemaandelijks verslag wordt de manager over de voortgang op de hoogte gehouden.

Het experiment is inmiddels omgezet in een bestendige werkwijze en er is een tweede EBK ingevoerd.

Wat is uw belangrijkste doel bij het behandelen van de strafzaak?

In de eerste plaats ga ik er van uit dat alle betrokkenen het dossier kennen. Uitvoerig voorhouden van stukken vind ik dan ook niet nodig. Voor de openbaarheid volstaat wat mij betreft een beknopte samenvatting van het plot. Waarop de officier van justitie koerst volgt doorgaans wel min of meer uit het door hem of haar samengestelde dossier. De zitting is voor mij dan ook in de eerste plaats bedoeld om de verdachte zijn verhaal te laten doen, als hij dat wil. Omdat ik het dossier heb gelezen ontkom ik er niet aan dat ik een mening heb over de zaak. Maar ik blijf bereid die mening overboord te zetten als ik een betere hoor. Daarvoor is het dan wel van belang dat de verdediging de ruimte krijgt dat andere standpunt – eventueel onderbouwd met getuigenverklaringen of andere bewijsmiddelen – naar voren te breng. Dus vind ik dat daarvoor voldoende gelegenheid moet zijn.

Overigens vind ik het in dat verband wel jammer dat je als strafrechter op voorhand niet wat meer van je mening mag laten blijken. Zoals gezegd, die mening heb ik toch, ook als ik hem niet uitspreek. De mening wel uitspreken geeft de verdediging naar mijn mening de kans daar argumenten tegen in te brengen, wat misschien niet, of minder, gebeurt als die mening verborgen blijft. De toegenomen belangstelling voor het wrakingsinstrument maakt mij echter huiverig hiermee verder te gaan dan ik nu, in alle bescheidenheid, wel eens doe.

Hoe ervaart u de opstelling van het openbaar ministerie?

Op zitting staat een officier van justitie. En die zijn er, net zoals rechters en advocaten, in “alle maten en soorten”. Van de opstelling van de officier van justitie is naar mijn mening geen sprake, die verschilt van individu tot individu. Overigens valt mij op dat de meeste officieren van justitie wel achter hun organisatie staan, maar niet blind. Dat de magistratelijkheid, ook bij jonge officieren van justitie, niet uitgestorven is. Dat geeft mij nog steeds veel vertrouwen in deze officieren van justitie.

Datzelfde vertrouwen strekt zich niet noodzakelijkerwijs uit tot de organisatie, het openbaar ministerie. Natuurlijk sta ik aan de buitenkant en ben ik niet volledig op de hoogte. De vrijheid van het plaatselijke management zal maar beperkt zijn. Dus wie verwijt ik wat? Maar ik zie wel de – vaak gebrekkige – kwaliteit van de dossiers die op mijn bureau worden gelegd. En ik hoor dat men steeds meer moet doen met minder mensen. Uiteraard met behoud van kwaliteit. Dat zo iets zou kunnen is naar mijn stellige overtuiging een bestuurlijke utopie. Maar ik vrees dat er niet snel iets zal gaan veranderen.

Hoe kan de raadsman tot een efficiëntere verdediging komen?

Graag stel ik voorop dat ik niet veel te klagen heb over de efficiency van de verdediging. De meeste advocaten die ik regelmatig in de zittingzaal zie brengen hun argumenten helder en met overtuiging. Verder vind ik het niet passend om als strafrechter te snel een mening te hebben over wat een efficiëntere verdediging zou kunnen zijn. De advocaat dient immers primair het belang van zijn cliënt. En daarnaast is hij ondernemer en moet hij ook aan klantenbinding doen. Dat kan een ander licht werpen op de vraag wat efficiënt is.

Maar als ik dan toch val voor de verleiding er iets over te zeggen, een argument wordt niet krachtiger doordat het verstopt wordt in een oneindig aantal bijzinnen of overpeinzingen. En ook niet doordat het vele malen wordt herhaald. Bij voorkeur dus graag strak gepresenteerd en één keer gebracht.

En ja, rechtmatigheidsverweren! Bij de huidige stand van de rechtspraak van de Hoge Raad is het bijna allemaal verspilde moeite geworden. Als het al raak is, dan hoeft er eigenlijk geen gevolg aan verbonden te worden of hooguit een (kleine) strafkorting. Dan maar beter beperken tot die heel enkele keer dat het wel nog kans van slagen kan hebben.

Welk strafrechtelijk leerstuk intrigeert u het meest?

Een favoriet strafrechtelijk leerstuk heb ik niet. Eigenlijk vind ik alle materieel rechtelijke leerstukken, zoals opzet, medeplegen, noodweer en voorbedachte raad interessant. De ontwikkelingen die de Hoge Raad hierin aanbrengt volg ik op de voet en deze spreken mij ook erg aan.

Hoe heeft u zich als strafrechter ontwikkeld?

Een moeilijke vraag die eigenlijk iemand anders zou moeten beantwoorden. Ik vraag mij zelfs af of ik wel een goed totaalbeeld van mijzelf als strafrechter heb. Maar een aantal eigenschappen kan ik wel noemen. Ik houd van een efficiënte aanpak, met oog voor de realiteit. Ik accepteer dat we in veel zaken vermoedelijk nooit de echte toedracht – de waarheid – zullen achterhalen. De meeste bewijsmiddelen die ons ter beschikking staan zijn immers feilbaar. En ik ben mij zeer bewust van het feit dat mijn overtuiging ook feilbaar is. Daarom past steeds weer behoedzaamheid.

Maar niet tot in het oneindige want anders durf ik niet te veroordelen en had ik geen strafrechter moeten worden. Een spreekwoord, vrij vertaald uit het Engels, luidt: “Als het uitziet als een eend, zwemt als een eend en kwaakt als een eend, dan is het hoogst waarschijnlijk ook een eend”. Met andere woorden, bij voldoende bewijs en overtuiging ga ik ook van die realiteit uit.

Voelt u zich als rechterlijk ambtenaar meer rechter of ambtenaar?

Ik denk dat iedere rechter die deze vraag krijgt voorgelegd zal zeggen dat hij in de eerste plaats rechter is. En eigenlijk helemaal geen ambtenaar. Zo zie ik het ook. Maar volgens mij past bij dat antwoord wel een kritische blik naar ons zelf. Want als wij/ik amper (of helemaal niet) ambtenaar zijn, waarom zijn wij dan zo volgzaam? Waarom gebeuren er dan toch allemaal zaken in onze organisatie, die direct verband houden met ons werk, die wij afkeuren? Als iemand in staat moet zijn dergelijke ongewenste ontwikkelingen in zijn eigen organisatie tegen te kunnen houden, dan zijn wij – de onafhankelijke rechters – dat. Zou een verklaring voor het feit dat wij ondanks gemopper toch braaf met die ontwikkelingen meegaan wellicht gelegen zijn in het feit dat wij meer ambtenaar zijn dan we zelf denken, of willen weten?

Ziet u het spreken van recht en de organisatie daarvan als gescheiden werelden?

Formeel zijn het gescheiden werelden. De rechter spreekt recht, niet de organisatie. Dat gezegd hebbende kan de een natuurlijk niet zonder de ander. De rechter komt niet toe aan rechtspreken als hij niet een organisatie heeft die hem ondersteunt. De organisatie is zinloos als er geen rechter is die rechtspreekt.

In de praktijk voelt de rechter zich volgens mij een deel van die organisatie, waaraan hij loyaal is. En omdat hij zich deel van die organisatie voelt, gaat hij wellicht onwillekeurig verder met de organisatie mee dan zou moeten vanuit de optiek van de onafhankelijke rechter.

Welke ontwikkeling binnen de rechterlijke organisatie betreurt u het meest en welke ontwikkeling juicht u het meest toe?

Met name betreur ik de opkomst van de “vinkjes cultuur”, van “cijfermania” (en het onvermijdelijke perverteren van de gegevens). Symboolpolitiek die wel de schijn wekt van transparantie en controle maar die niets zegt over wat er echt gebeurd op de werkvloer. Met name niet als het gaat om zoiets ongrijpbaars als kwaliteit. Managers gaan – vaak tegen hun wil – steeds meer op in die cijfers en komen verder af te staan van de werkvloer. Voor bestuurders geldt dat laatste zelfs nog veel meer. Maar ik realiseer mij dat die ontwikkelingen volledig passen binnen de huidige ambtelijke cultuur, hier en elders. Dat gaat binnen afzienbare tijd niet veranderen, dus daar leg ik mij dan maar bij neer. Echte hinder heb ik er bij het uitoefenen van mijn werk ook niet van.

Wat ik toejuich is dat er meer aandacht is voor het werken met kleine, zelfsturende eenheden. Binnen de rechtbank Limburg is daar zelfs ruimte voor gemaakt. De strafrechter krijgt daardoor – binnen grenzen – meer invloed op de inrichting van zijn eigen werk. Ik weet uit ervaring dat dat enorm kan helpen dat nare gevoel – aan een lopende band te staan – te doorbreken.