De laatste loodjes (I)

Aan het eind van dit jaar verruil ik het strafrecht voor insolventie. Daarmee zal aan mijn actieve betrokkenheid bij Ivorentoga een einde komen. In mijn laatste twee bijdragen (nr. 29 en nr. 30) wil ik daarom een beetje terug- en vooruitkijken, in de eerste vooral in procedureel en organisatorisch opzicht, in de tweede meer met betrekking tot de inhoud van het strafrecht.

Een overvloed aan projecten en rapporten ten spijt is er nog heel wat werk aan de winkel, voordat alle procedures in de strafrechtketen organisatorisch bevredigend verlopen. Je kunt je soms zelfs niet aan de indruk onttrekken dat de aandacht die onze managers aan het opzetten en presenteren van projecten besteden, hen teveel van de dagelijkse werkelijkheid afleidt en verhindert dat ze eenvoudige maatregelen nemen om verbeteringen aan te brengen.
Maar daarnaast bestaan mogelijkheden wettelijke procedures aan te passen op een wijze die tot besparing van tijd zou kunnen leiden. Ik heb daarvoor in eerdere bijdragen suggesties gedaan. Zo hoop ik nog altijd dat ons wrakingssysteem overboord gaat (Lapwerk of een radicale oplossing – december 2012). Het is jammer dat ook grondig opgezette rapporten van anderen, met verwijzingen naar andere landen, (nog) niet ertoe hebben kunnen leiden dat wij beslissingen over (de schijn van) partijdigheid van rechters aan een hogere instantie overlaten.

Het meeste is echter te winnen, als gewone procedures beter zouden verlopen. Zolang we nog maar voor een klein deel in een wereld van louter digitale dossiers verkeren, komt dit vooral op een soepel vloeiende papierstroom neer. De bezuinigingen bij het OM zijn daarbij een hinderpaal: voor een tijdige, volledige en geordende aanlevering van dossiers (en kopieën) daarvan is onmisbaar dat ze aan de basis in orde zijn (Een lans voor de griffiers gebroken – december 2013). Doordat rechters onvoldoende administratieve steun krijgen, besteden zij zelf teveel van hun – kostbare – tijd aan het ordenen, voordat zij aan het eigenlijke lezen toekomen (Oude wijn kan nog lekker zijn – juli 2014). Werkdruk moet dus niet worden opgelost door het opentrekken van een blik rechters en secretarissen, maar door het verhelpen van dit soort gebreken (Begin bij jezelf! – februari 2013).

Zijn zij eenmaal aan het bestuderen toegekomen, dan kunnen de rechters en secretarissen veel tijd winnen door in de voorbereiding – en al vanaf de raadkamer gevangenhouding, als die van toepassing is – vonnisgericht te werken (Een voor allen … – september 2012). Dat komt in de eerste plaats neer op het maken van uittreksels / voorbereidingsformulieren met zoveel mogelijk een precieze weergave van de inhoud van de relevante bewijsmiddelen (Het vaststellen van feiten – augustus 2013). Die komen bij het raadkameren na de inhoudelijke zitting goed van pas en kunnen vervolgens eenvoudig in de vonnissen worden verwerkt. Vooral bij vonnissen in het “bijlagemodel” (Promis revisited – september 2013) kan dit een nuttige werkwijze zijn.

Daarnaast worden zaken, alle uitbreidingen van verkeerstorens ten spijt, in opeenvolgende fasen van de procedure nog veel te vaak door verschillende rechters worden behandeld. Waar een roostering op rechter of combi het uitgangspunt zou moeten zijn, richt de appointering van zittingen zich primair op het OM en bestaat ons rooster, in het verlengde daarvan, uit onnodig veel voor typen zaken geoormerkte zittingen (Nog minder versnippering – maart 2014). En dan zien we, behalve bij heel grote zaken, vaak niet eens een zaaksofficier op zitting!
Gezegd wordt dat de plannen waarmee men nu bezig is, ertoe zullen leiden dat de rechter weer meer verantwoordelijkheid voor dossiers en het verloop van zaken zal krijgen (Meer regie bij de zittingsrechter – juli 2014). Ik moet dat nog zien. Verder ben ik niet zo bang voor problemen met bevooroordeeldheid, als dezelfde rechter raadkamer-, proforma- en inhoudelijke zittingen doet (De rechter-commissaris en de rechterlijke onafhankelijkheid – juli 2013). En laten rechters vooral per e-mail met advocaten en andere betrokkenen communiceren en daarover niet te moeilijk doen! (Informatie, communicatie en de equality of arms – oktober 2012).

Kwaliteit hoort in alle gevallen voorop te staan. Het is eigenlijk onvoorstelbaar dat wij in strafzaken altijd twee weken na de behandeling een vonnis op schrift moeten produceren, ook bij gecompliceerde zaken (Luiheid en perfectionisme – april 2013). Waarom zijn trucjes als uitstel van de sluiting nodig om deze wettelijke verplichting te omzeilen? Ook zouden wij in sommige gevallen aan kwaliteit van deskundigenrapportage kunnen winnen, als wij afzonderlijke strafmaatzittingen zouden houden.

Ten slotte zou het goed zijn, als de zittende magistratuur eens over haar constitutionele plaats in de trias politica en de trias juridica zou kijken. Zo moet rechters terughoudend zijn, als zij bij voorstellen voor wetgeving in de positie zouden komen dat zij adviseren over zaken waaraan politieke keuzes ten grondslag liggen (Nog meer onafhankelijkheid – mei 2014). En ik hoop nog een keer dat een discussie over de opstelling in de rechtszaal tot stand komt: zou het voor de beeldvorming niet juist zijn, als OM en verdediging op hetzelfde niveau komen te staan? (Verbouw de rechtszaal – februari 2014)

Volgende maand de inhoud van het strafrecht.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter rechtbank Amsterdam