Rationalisatie en standaardisatie van het recht. Rapport Visitatie Gerechten 2014

Samenvatting bevindingen commissie en eerste reactie
Ik vat de bevindingen van het op 30 oktober 2014 uitgebrachte rapport van de commissie Visitatie gerechten 2014 samen. De bevordering van de kwaliteit van de rechtspraak was het te visiteren onderwerp. De commissie heeft een grote hartstocht, toewijding en inzet van de medewerkers ervaren, maar de medewerkers hebben het moeilijk. Uit gesprekken concludeert de visitatiecommissie dat medewerkers hoeders van de kwaliteit van de rechtspraak zijn en dat de kwaliteit geborgd is gebleven. De kwaliteitszorg moet wel worden verbeterd en de feedback laat net als in 2010 te wensen over. De aangetroffen betrokkenheid kan een valkuil zijn omdat er teveel focus op het eigen werk ontstaat. Kwaliteitsnormen moeten daarom concreter en sturing strakker. Door focus op dossiers is er weinig tijd voor vakkennis en reflectie. De verbindingen dienen te worden versterkt. Besturen moeten medewerkers beter faciliteren om medeverantwoordelijk te zijn.
De reactie van de Raad voor de rechtspraak en de presidentenvergadering is ook alleszins begrijpelijk: De rek is er door alle veranderingen uit terwijl de innovatie wel moet worden geïntensiveerd. Daarom is er meer geld van de minister nodig, mede om de werkdruk aan te pakken. Begrijpelijke reactie, welke organisatie probeert er niet permanent geld bij te krijgen? In dit geval is dat extra geld ook wel nodig omdat de Raad en de presidenten het management meer willen vrijstellen en van ondersteuning willen voorzien. Die inzet kost veel geld omdat de leidinggevenden dan minder zittingen kunnen doen. Tot zover commissie en de reactie van de formele leiding.

Wie zal het met het rapport van de visitatiecommissie oneens kunnen zijn? Welke organisatie kent geen hartstocht, inzet en toewijding of zal betwisten dat de medewerkers het menselijk kapitaal van het bedrijf vormen, dat de verbindingen moeten worden verbeterd en eenieder zich mede verantwoordelijk moet weten? Ik ken dat soort organisaties niet. Daarom heeft de visitatiecommissie een leuk universeel rapport geschreven: de voor iedereen open deuren worden nog eens in het zonnetje gezet. Ik vind het bovendien een leuk rapport omdat het eigenlijk eenzelfde niveau heeft als het medewerkerswaarderingsonderzoek. Er wordt rijkelijk geciteerd en weergegeven, opgetekend uit de monden van de gesproken medewerkers. Aardig omdat beide stukken vrijwel in dezelfde maand zijn verschenen. Ik heb ook veel waardering voor de enorme inzet van de individuele leden van de visitatiecommissie, zonder enige twijfel hebben ze zich met veel inzet en hartstocht aan het visiteren overgegeven. In die zin past erkentelijkheid. Of het rapport meer wordt dan een tijdgebonden samenvatting van geventileerde individuele uitlatingen is de vraag. Of het rapport de verbindingen tussen de grotere verbanden en de individuele vezels van de rechtspraak heeft weten te leggen, is een nog wezenlijker vraag. Als dat niet geslaagd zou zijn kan dat een oorzaak vinden in de samenstelling van de commissie, of in de meegegeven opdracht, of in de ervaren moeilijkheidsgraad boven het eigen tijdsgewricht uit te stijgen. Ik weet het niet. Maar het is een aardig (geschreven) rapport. Toch blijft de vraag wat er gezegd kan worden over de organisatie van de kwaliteit van de rechtspraak. Waar komen we vandaan, hoe staan we ervoor en waar gaan we naar toe? Om niet in vrijblijvendheid te sterven wil ik een poging wagen.

Doel en ontwikkelingen rechtspraak
Wat is het belangrijkste doel van rechtspraak? Recht spreken in de voorgelegde juridische conflicten. Veel conflicten worden sinds decennia niet (meer) aan de rechter en sinds bijna een eeuw niet meer aan een meervoudige kamer voorgelegd, maar het aanzien van de vele miljoenen rechtszaken van de laatste eeuw leidt tot drie universele bevindingen.

1. De enorme groei van rechtspraak heeft grootschaligheid tot stand gebracht. Niet langer 7 rechters in een gerecht, maar 80 rechters of een veelvoud daarvan.
2. Grootschaligheid heeft een intensere rationalisering van rechtsprekende en organisatorische processen opgeleverd.
3. Grootschaligheid en rationalisering leiden vrijwel altijd tot standaardisaties.

Organisatievergelijking
Deze drie fenomenen zijn niet uniek voor de rechtspraak. Laten we eens een blik werpen op de land- en tuinbouw, om via de luchtvaart en de zorg terug te keren bij de rechtspraak.

a. De schaalvergroting in de land- en tuinbouw heeft de geteelde bessen eerder en sneller bij de consument gebracht, door veredeling van bessensoorten ontstonden er bessen als Jonkheer van Tets die de verfijndere smaakkeuze van de consument bedienden. Elk gewas op zich werd langs de lat van veilingstandaarden gelegd waardoor een zekere kwaliteit geborgd kon worden. Door schaalvergroting, diversiteit en standaardeisen is veel hongersnood gelenigd en konden honderden miljoenen mensen extra gevoed worden. De keerzijde is bekend. Alleen al de ruilverkaveling heeft kleine tuinders en boeren de nek omgedraaid. Treurig voor de individuele boer of tuinder maar onontkoombaar. De suggestie dat kleinschaligheid terrein terugwint is een begrijpelijk reclamemiddel maar schijn. Wie tegen standaardisatie is moet bij zichzelf te rade gaan en zich afvragen waarom de kleine kruidenier verdwenen is. Welnu, dat komt omdat alle klanten met een romantische hang naar kleinschaligheid toch op de kleintjes gingen letten en hun boodschappen massaal gingen halen bij de grootgrutter. Daarmee is het pleidooi voor “klein maar fijn” geromantiseerd maar toch ietwat gespeend van realiteitsbesef.

b. De luchtvaart is mondiaal het veiligste vervoermiddel geworden. Via internationale verdragen van Chicago worden met de Rules of the Air (art. 12) verdragsstaten gesommeerd hun nationale wetgeving op het gebied van de luchtverkeersregels to the greatest possible extent in overeenstemming te brengen met de internationale regels. De internationale luchtvaartorganisatie ICAO wordt zo snel mogelijk van elke afwijking van de standaard op de hoogte gesteld. Joint Aviation Requirements en Europese richtlijnen spelen een cruciale rol in het ontwikkelen van nadere operationele regels, waar het gaat om melding van (near) incidents. Laat ik een voorbeeld noemen van de praktische uitwerking in de militaire luchtvaart. Als een squadron van F-16’s wordt geleid door een luitenant, terwijl de kolonel in verband met zijn geringere aantal vlieguren in de staart vliegt, en hij met zijn vleugels niet synchroon met de andere vliegers vliegt, dan zal de debriefing hem een kritische uitkomst opleveren. Hetzelfde geldt voor de burgerluchtvaart. (Near) incidents worden geregistreerd en besproken. Reflectie en een lerende organisatie zijn daarmee opgehangen aan concrete en toetsbare voorschriften.

c. De gezondheidszorg heeft schier ontelbare doden voorkomen door op enig moment te gaan werken met desinfecterende middelen voordat de patiënt ‘onder handen’ werd genomen. Het niet wassen van handen of desinfecteren van instrumenten is inmiddels een doodzonde en ingeburgerd in het normale werkproces, waar men elkaar onderling ook op aanspreekt.

d. Aan het eind kom ik tot mijn oordeel over het rapport van de visitatiecommissie, maar het belangrijkste citaat uit het rapport geef ik nu weer. “Veel medewerkers zien de toenemende standaardisering en aansturing vooral als verstorend en onnodig bureaucratisch. Zij ervaren dat binnen het management en bestuur de meeste aandacht uitgaat naar cijfers en productie. Dit geldt in het bijzonder voor gerechten waarbinnen – noodgedwongen – ook nog is gestuurd op terugdringen van de kosten. Een rechterlijk lid van de OR vatte het kernachtig samen: ‘We hebben het gevoel een maatkostuum te moeten leveren tegen de prijs van Zeeman. Medewerkers ervaren dan ook minder ruimte om kwaliteit te leveren dan vier jaar geleden.” Einde citaat.

Ik wijs op de voorgaande drie voorbeelden uit land- en tuinbouw, luchtvaart en gezondheidszorg. De visitatiecommissie miskent met het rapport dat inmiddels ook het recht vele standaardisaties kent. De wetgever stroomlijnt het proces door verschillende barrières weg te nemen die aan een efficiënte afdoening van een zaak in de weg staan. Denk aan het bezwaarschrift tegen de dagvaarding. Verder is met dit doel van stroomlijning in gedachten het hele pakket van verkeersregels uit de strafrechtelijke handhaving weggehaald, waardoor het lamleggen van het strafrechtelijk apparaat werd voorkomen. Ook de cassatierechter stroomlijnt, uniformeert, standaardiseert door zo eenvormig mogelijk de feitenrechter te verplichten tot één uitleg en toepassing van bepaalde juridische leerstukken. Nog geen tien jaar geleden liepen strafrechters te hoop tegen gestandaardiseerde bouwstenen voor de kwalificaties van strafbare feiten. Anno 2014 maakt iedere strafrechter gebruik van het bouwstenenboek en worden thans zelfs beoordelingskaders ontwikkeld voor bewijs/vrijspraakoverwegingen ten aanzien van tenlastegelegde bestanddelen als roekeloosheid en voorbedachte rade. Ik kan deze rij moeiteloos uitbreiden, maar ik laat het hier even bij. Standaardisatie, geborgd door mogelijk bureaucratisch aandoende juridische en organisatorische protocollen hebben de rechtspraak, procespartijen en slachtoffers oneindig veel voordelen gebracht. Onverlet de huidige incongruenties: in veel opzichten was het vroeger niet alleen niet beter, er was domweg niets van de huidige organisatorische kwaliteit te traceren.

Standaardisatie en rationalisatie. Lofrede op de (organisatie van de) rechtspraak
Rechtspraak is niet anders dan fruit telen, vliegen of heelkunde. Ik wil langs standaardlijnen gezond fruit eten, vervoerd worden en geopereerd worden. Kernen van die behoefte zijn berekenbaarheid, voorspelbaarheid en voorzienbaarheid! Als een verschil in kwaliteitszorg niet is uit te leggen wordt het fruit van de fruitteler op de veiling doorgedraaid, gaat de vliegmaatschappij op de fles en de arts op de zwarte lijst. De piloot die met zijn kist het zo aardig vindt om boven het huis van zijn geliefde een rondje te draaien of met zijn vleugels te wiebelen, wordt door haar mogelijk als romantisch gezien, maar misverstaat zijn verantwoordelijkheid voor de vele aan hem toevertrouwde levens en voor zijn kostbare kist. Toch zal er anno 2014 geen piloot zijn die zegt dat de intense regeldichtheid rond zijn vliegmanoeuvres hem een bureaucratisch, gestandaardiseerd beroep heeft opgeleverd. Piloot is nog steeds een geweldig beroep, alleen al het vliegen hoog door de lucht genereert voor vrijwel alle vliegers de grootste bevrediging. Zo is het ook met rechtspraak.

Met de rechtspraak zijn langs steeds uniformere lijnen miljoenen burgers bediend met een groeiende tijdigheid van vonnissen en arresten. Die gegroeide uniformiteit, standaardisatie kan niet anders begrepen worden dan langs lijnen van rationalisatie. En dat laatste is niet zo gek. Op grote schaal een hoogwaardig product leveren (ja, ik blijf het een vonnis een product in de meest neutrale betekenis noemen) vergt afspraken en standaarden. Voor dat grotere goed, een eenvormiger kwaliteit van rechtspreken, wijkt de individuele hang naar het dorp van Sonneveld, naar de kleine lieflijke boomgaard, of naar de arts die in zijn eentje opereert. Jammer, maar de romantiek van het ambt springt er voor elke burger nog steeds vanaf: het recht spreken over medeburgers en de daarmee samenhangende intense verantwoordelijkheid is onverminderd uniek. Standaarden, uniformiteit en gerationaliseerde werkprocessen hebben de specialist uit de maatschap naar de loondienst verdrongen en zo is het ook met de rechter. De rechter die niet beseft dat hij niet namens zichzelf maar namens het gerecht en dus in lijn met vele collega’s rechtspreekt is over enkele decennia heus verdwenen. Daarom zijn de modieuze topics als veiligheid op de werkvloer voor nog heel even interessant, maar het belang van een meer gestandaardiseerde rechtspraak wint al decennia aan kracht en ondergaat nu een volgende golfslag. Natuurlijk kan ik stilstaan bij het gemurmureer onder een minderheid, bij de bestuurlijke misslagen om een en ander goed aan de rechterlijke man of te vrouw te etaleren, maar wie over vele tientallen jaren naar de rechtspraak kijkt ziet zonder enige twijfel dat het belang van een tijdige en efficiënte berechting alle strafkamers van de Hoge Raad, elke nieuwe wetgeving, willekeurig welke gerechtsbestuurders heeft doortrokken. Bij een grootschaliger gemeenschap, met 17 miljoen in plaats van 10 miljoen landgenoten, dichter op elkaars lip, zijn er meer rechtsconflicten die een tijdige rechtspraak vergen, op straffe van domeinverlies aan bijvoorbeeld het openbaar ministerie en andere buitengerechtelijke afdoeningen van conflicten. Zelfs een kind op de basisschool dat wacht op het tijdige nakijken van het gemaakte proefwerk, snapt deze drang en druk. Daarom meen ik ook te kunnen stellen dat die trage golfbeweging naar een rationeler ingericht en georganiseerd rechtsgeding op enige termijn zorgt dat individuele voorkeuren van individuele rechters moeten en zullen wijken, tenzij ze passen binnen de strakkere protocollering van bovenaf. En voor het bewijs van mijn inschatting praat ik niet over een vijftal jaren, maar over een generatie, hetgeen in het licht van de langere onvermijdelijke trends van een halve eeuw nog steeds gering te noemen is.
De huidige generatie rechters en bestuurders vormt, desnoods tegen wil en dank, onderdeel van dit continuüm. Ondanks mijn sinds 2007 pakweg 1000 pagina’s geschreven tekst over de onvrede van rechters en de bestuurlijke mandarijnentaal ben ik ronduit positief over de Nederlandse (organisatie van de) rechtspraak als totaliteit. Ik heb sinds 2009 met succes gewerkt aan meer zelfbestuur en zelfbeheer. Toch heb ik een maand geleden met monterheid de Arnhemse proeftuin en A-12 ten grave gedragen omdat de kern van het pro-actief organiseren van het rechtsgeding meer landelijke vertaling heeft gekregen en de organisatievorm daarmee irrelevant is geworden. Sterker nog, ik ben juist minder gaan geloven in het individuele organisatievermogen van veel rechters, om reden waarom ik de steven heb gewend naar meer sturing van bovenaf.

Kwaliteitsinstrumenten voor de Nederlandse rechtspraak
Als men over dertig jaar wil weten hoe het met de kwaliteit van het Nederlandse proces is gesteld in relatie tot honderd jaar geleden, dan wil men ook weten wat de instrumenten zijn geweest die de kwaliteit jaarlijks hebben geborgd. Het gaat natuurlijk niet om feedback als zodanig of om vage begrippen of medewerkers zich veilig voelen. De vraag moet luiden wat een sta in de weg is geweest om de kwaliteitsgroei te realiseren. Dan gaat het nog om vele omvangrijke logistieke problemen rond de zaaksplanning die in het bijzonder raken aan de griffieprocessen, de verkeerstoren en de standaarden van werken. De doorslaggevende vraag voor het komende decennium is hoe de congestie van zaken kan worden verminderd door een betere planning die recht doet aan de zaak, de rechter meer betrokkenheid geeft bij de inschatting van de komende zittingsproblemen en behandeltijd en tegelijkertijd de randvoorwaarden voor de behandeling ter zitting standaardiseert. In het kader van de sinds lang bestaande en terechte rationaliseringstendens in het organiseren van recht had kunnen worden gedacht aan de volgende verdiepingsslagen en -vragen.

1. Hoe kan binnen de groeiende standaardisatie professionaliteit en ambachtelijkheid de relevante plaats krijgen, waarbij geromantiseerde ideaalopvattingen en bijbehorende emoties worden teruggedrongen?
2. Willen we niet direct massief inzetten op verder weg gelegen landelijke afspraken dan kunnen gerechtshoven meer juridische en organisatorische standaarden bespreken met en doorgeven aan de rechtbanken in het ressort. Mogelijk kan de vakvereniging NVvR hierin een organiserende rol spelen.
3. Debriefing in de luchtvaart en ziekenhuiszorg is succesvol gebleken via zeer uitgebreide en algemeen afgedwongen protocollen, anders valt er louter een meningencircuit waar te nemen. Aldus kan men ook preciezere functioneringsgesprekken houden, anders gaat het om persoonlijke waarde-oordelen van de leidinggevende rechter. Door de leiding afgedwongen protocollering van procesafspraken maakt het houden van functioneringsgesprekken eenvoudiger en richtinggevender voor de ontwikkeling van de individuele rechter en medewerker.
4. Gedingprotocollen zouden in de enkelvoudige kamers kunnen leiden tot beperkte spreektijd voor advocaat en officier en dientengevolge tot een korte behandeling. Ik geef een voorbeeld voor de grote aantallen zaken bij de politierechters. Een politierechterzaak moet standaard binnen 30 minuten worden behandeld: tien minuten voor de behandeling, 5 minuten voor het requisitoir, 10 minuten voor het pleidooi en 5 minuten voor de uitspraak. Alles wat die tijd overschrijdt, getuigenverzoeken etc., moet in de voorfase worden afgehecht, of door toezending van schriftelijke stukken of door het horen van getuigen bij de rechter-commissaris of raadsheer-commissaris. Getuigenverzoeken ter zitting, zijdens de verdediging of het openbaar ministerie, zouden als tardief moeten gelden, tenzij de rechter ambtshalve van oordeel is dat nader onderzoek gerechtvaardigd is. Daarmee wordt meer tijd gegenereerd voor de maatwerkbehandeling die rechters in meervoudige kamerzaken zeggen te ambiëren. Rechters die niet op deze wijze 15 uitspraken per zitting kunnen genereren, zouden geen politierechter moeten zijn. En de vrijheid en de ambachtelijkheid van de rechter in een dergelijk keurslijf? Die is onverminderd aanwezig en groot, maar anders, zoals vrijheid en ambachtelijkheid per tijdsgewricht immer anders zullen worden ingevuld en ervaren. Het is aan de toekomstige rechter om binnen de strakkere planningskaders, standaarden en bureaucratie zijn weg te vinden, zoals hij dat ook in het gewone leven moet doen.
Nota bene. Als tien rechters en officieren gevraagd wordt om een oordeel te geven in een culpazaak mogen er 10 culpa-oordelen verwacht worden, waarin iedereen de culpa herkent. Er zullen echter ook zeker onderlinge hele grote verschillen zijn. Desondanks is het resultaat steeds een culpa-oordeel. Om de uniformiteit te bevorderen kan het gebruik van standaard juridische materialen en kleuren worden voorgeschreven. Waar het gaat om de organisatie van het recht kan de rechtspraakleiding de kaders dus zo indringend inrichten dat iedere individuele creativiteit achterwege moet blijven. Een beetje professional, een beetje rechter, heeft dan echter allang het pand verlaten. Dus ondanks dat een standaard a priori minder individuele maatstaven indiceert, gaat het ook nu weer om de goede maatvoering die past bij de langdurige geschetste golfbewegingen en die tegelijkertijd de individualistische rechter niet over de vakinhoudelijke kling jaagt.

Autoplagiaat
Autoplagiaat wordt door sommigen bedenkelijk gevonden. Aan het thema van vandaag heb ik eerder een stuk gewijd: Ik sta daar onverkort achter en citeer een deel:
“Zonder te hoeven verwijzen naar Rousseau kan de Rechtspraak de samenleving beschouwen als een contractspartner. De genoemde tijdigheid en daarvoor benodigde snelheid van rechtspraak is daarmee een eerste contractsthema dat de rechtspraak – op straffe van gezagsverlies – intern dient te verzilveren. Van hoog tot laag, van Raad voor de Rechtspraak tot aan de gerechtsbode die de zaken in de zittingzaal uitroept, zal de organisatie moeten zijn gericht op de vertaling van die maatschappelijke urgentie tijdig en dus sneller recht te spreken. Wanneer dat uitgangspunt wordt gedeeld, zijn de deelthema’s en vragen aan rechters en medewerkers eenvoudig te traceren”.[1]

Afronding. 2014 als stapje in de golfslagen van een halve eeuw rechtspraak
In het uitgebrachte rapport van de visitatiecommissie 2014 heb ik deze simpele vragen over de wijze waarop aan de maatschappelijke urgentie kan worden tegemoet gekomen niet gelezen, laat staan antwoorden op deze simpele vragen gevonden noch op de barometervraag of het rechtspraakstreven als groeiend of stagnerend kan worden gezien en wat de leiding eraan doet om die golfslag te laten evolueren naar een volgende golfbeweging. Mijn eigen antwoord luidt als volgt.
Grootschaligheid, rationalisering en standaardisering zie ik als gegevenheden. We groeien toe naar minder bottom-up antwoorden door rechters, net zo min als de individuele tuinder, piloot en arts vele antwoorden nog zelf mogen geven. Dat is de eerste grote koerswending in een verdere professionalisering van de rechtspraak. De tweede grote omslag zal zijn dat elke rechter zich een verantwoordelijke ambachtsman en ambachtsvrouw zal moeten leren voelen binnen de strakkere en van bovenaf opgelegde kwaliteitsstandaarden. Die nog steeds immense rechterlijke vrijheid is een groot goed dat we moeten koesteren, met hoofd en hart, maar bovenal met de nodige rationele, intellectuele en ongeëmotioneerde distantie.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Voetnoot
[1] Deze eenvoudig te traceren vragen formuleerde ik in het blog verder als volgt: “Hoe bevordert de Raad voor de Rechtspraak de benodigde snelheid van rechtspreken? Waaruit blijkt dat dit thema door de Raad tijdens de verantwoordingsgesprekken met de lokale gerechtsbesturen wordt geëxploreerd en hoe keert dit terug in de landelijke en lokale berichtgeving, belegd met uitvoeringsgerichte en toetsbare plannen? Welke kwaliteitsnormen zijn voor dit thema vastgesteld, hoe zijn deze verankerd, welke prestatieafspraken zijn er ontwikkeld en hoe worden deze geborgd via de lokale verantwoordingsprocessen? Hoe gaan de afdelingsvoorzitters met deze urgentie om, hoe wordt een en ander besproken met rechters en medewerkers? Hoe vormt dit thema onderdeel van de feedbackcultuur? Bespreken rechters met elkaar en de leiding de ontijdigheid van rechtspreken, het veelvuldig schorsen van onderzoek? Vormt dit thema onderdeel van de functioneringsgesprekken en leidt een tragere werkwijze tot vergrote aandacht voor het individuele functioneren van de betrokkene? Hoe wordt de rechter of medewerker die consequent met achterstanden kampt begeleid? Heeft een en ander consequenties voor het promotiebeleid, het wel of niet (mogen) behandelen van grote zaken? In welk opzicht vormen rechters en medewerkers een lerende gemeenschap die dit thema met zelfkritiek en de benodigde innovatie en creativiteit ter hand nemen? In hoeverre zijn er best practices die recht doen aan de couleur locale en waar veel rechters en medewerkers begrijpelijkerwijs zo sterk aan hechten? Welke praktische oplossingsrichtingen heeft het gerecht in kwestie gekozen? Welke problemen hebben de gesprekspartners in het gerecht ondervonden bij het ontwikkelen en onderhouden van de eventuele best practices rond de onderlinge solidariteit, de aanspreekbaarheid van elkaar en de leiding, de afwezige of aanwezige samenwerking met elkaar en met de leiding etc? In hoeverre vormt het thema van tijdigheid een onderdeel van de selectiecriteria bij de aanwas van nieuwe rechters en medewerkers? Hoe wordt dit thema vertaald in juridische opleidingen en andere scholingsactiviteiten? Wordt bij rechters en medewerkers die moeite hebben met de werklast omgezien naar hun individuele juridische taakopvattingen en andersoortige wijze van werken die mogelijk in de weg staan aan een tijdige(r) afdoening van zaken? Is de rechter gericht op zijn eigen beeld van een goede taakvervulling of op de samenspraak met de andere leden van de werkgemeenschap? Kan de rechter of medewerker zich daaraan overgeven en daarin opgaan of blijft hij op zichzelf, ook ten aanzien van de bredere maatschappelijke verbinding die de rechtspraak met de samenleving is aangegaan om meer onverwijld recht te doen op de aan ons voorgelegde juridische conflicten? Welke bijdrage levert de rechter of medewerker aan het gemeenschappelijk rechtspraakgevoel, dat niemand voor zichzelf rechtspreekt en werkt, maar ten behoeve van een groter geheel waaraan hij of zij dienstbaar kan zijn? Welk beleid heeft de landelijke en lokale leiding van de rechtspraak ingezet om deze versnelling van rechtspraak bij de rechters te katalyseren?”