Het strafproces. 2. Het strafproces als teruglopend publiekrechtelijk discours

Inleiding: strafzittingen voor zaken die ertoe doen
De cijfers zijn bekend. Was er in 2010 nog sprake van 250.000 strafzaken, waarvan er ruim 130.000 door de strafrechter werden berecht, anno 2015 spreekt de strafrechter recht in ongeveer 90.000 strafdossiers, de rest wordt afgedaan door het openbaar ministerie via ZSM etc. Bij de gerechtshoven gaat het om 90 procent relatief eenvoudige zaken die in eerste aanleg behandeld zijn door de politierechter. Aan deze constateringen kan sinds kort het fenomeen van de flutzaken worden toegevoegd. In het bijzonder Buruma heeft de lans gebroken over het stijgende aantal aangiften door politie en andere ambtsdragers die zich beledigd voelen door hun clientèle die hen woorden toevoegen als ‘kankerlijers’. Zijn diskwalificatie heeft positieve weerklank opgeroepen. Wie kan zich niet de situatie voor de geest halen dat een bekeuring voor een kapot achterlichtje tot de verzuchting leidt: ‘man, ga boeven vangen!’ Deze en soortgelijke opvattingen behelzen een pleidooi voor berechting van zaken die ertoe doen en voor een buitengerechtelijke afdoening van zaken die er (kennelijk) minder toe doen. Vanuit deze optiek bezit het opschrift van deze opinie een positieve connotatie: we bewaren het strafproces voor de zaken die er toe doen om in de openbaarheid behandeld te worden.

Terugloop van de strafzitting als publiek verantwoordingsforum
Wie het strafproces als de publieke verantwoordingsplaats ziet waar de terechtstaande en niet terechtstaande burgers het recht wordt getoond en de richting wordt gewezen, heeft ook oog voor de tegenovergestelde benadering.
De berechting van series delicten is buiten het klassieke afdoeningsforum geplaatst omdat het via de rechter te langzaam ging. Het meest bekende voorbeeld is dat van de verkeersovertredingen. Eind jaren tachtig was de deregulering van verkeersregels een van de zeer weinige geslaagde dereguleringsoperaties van de kabinetten Lubbers, stoelend op de ideeën van de commissies Roethof en Geelhoed. Deze deregulering (180 verkeersregels naar ongeveer 90) werd geflankeerd met een andere handhaving. De politieagent kreeg naast zijn gewone strafrechtelijke pet ook een administratiefrechtelijke pet. De handhaving van verkeersregels werd in het administratieve recht geplaatst, mede omdat de gewone rechterlijke procedure met maximaal drie rechterlijke instanties, tot een trage afdoening leidde. Er waren legio verdachten die consequent een rechtsmiddel instelden om de geldboete te ontlopen. Toch is deze administratiefrechtelijke handhaving van nog steeds strafrechtelijke voorschriften een nog steeds wonderlijke move. Vanaf het eerste Motor- en Rijwielreglement werden verkeersregels bagatellen genoemd, politiebepalingen. Tot de overtreding iemand het leven kost, dan is tot op heden de roep om strengere straffen niet van de lucht en komen er drie rechters aan te pas. Een openbaar publiek proces wanneer het uitkomt.

Deze ontwikkeling stond en staat niet op zichzelf. Sinds lange tijd kunnen delicten zelfstandig worden afgedaan door de politie en een verdergaande ontwikkeling doet zich nu voor met de delicten die het openbaar ministerie zelfstandig kan ‘berechten’ en afdoen met een strafbeschikking. De procedure die zich hiervoor in toenemend tempo moet lenen is die van ZSM. Het openbaar ministerie besteedt veel zorg aan deze afdoening en betrekt daarbij alle betrokken organisaties, zoals de politie, de reclassering en de raad voor de kinderbescherming. Deze zorg, mede inzettend op een rechterlijk beslissingsniveau, kan echter niet verhelen dat ZSM geen rechterlijke openbare procedure is met bijbehorende rechtsbijstand.

Het valt te begrijpen dat de wetgever omzag naar makkelijker procedures die de stroefheid van de klassieke berechtingsmachine omzeilde. In die zin is het aan de strafrechtelijke procedures, de ruime toepassing van het stelsel van rechtsmiddelen alsmede het optreden van de strafrechter te danken dat de klassieke strafrechtelijke afdoening op zijn retour is geraakt.
Maar terug naar de hoofdvraag: is de afkalving, de terugtred van de strafrechter, positief te noemen nu ‘slechts’ de zwaardere strafzaken voor berechting overblijven? Die terugtred is in ieder geval een gegeven en het is winst als rechters in de zaken die ze wel doen hun rol niet bagatelliseren. Daardoor ontstaat minder de dubbele moraal van enerzijds kritiek hebben op het op een zijspoor zetten van de rechter en anderzijds delicten die wel aan de rechter worden voorgelegd te zeer bagatelliseren.

Rechtspraak als normdemonstrerend discours in grote én kleine zaken
Rechtspraak kan zijn rechtsstatelijke plaats binnen de trias politica niet ontlopen. Als de wetgever meent dat de ogenschijnlijk kleinere delicten strengere handhaving verdienen kan de rechter die crimineel-politieke opvatting niet negeren. Nog eens terug naar het voorbeeld van de kapotte fietsachterlichtjes en de recentere aangiftebereidheid van de politie terzake beledigingen als kankerlijers, etc.
Veel verkeersdeelnemers maken een eigen inschatting van wat veilig is en niet en volgen niet die van de verkeerswetgever. Aan dat verkeerde inschattingsvermogen hebben we na de Tweede Wereldoorlog meer dan 100.000 doden te danken. Aan de gegroeide bejegening van de politie, ambulancepersoneel en andere diensverleners is mede het publieke verval van omgangsnormen te danken. De wat oubollig aandoende oproepen van politici als Van Agt en Balkenende tot een ethisch reveil laten het probleem onverlet dat burgers zich wild ergeren aan de gegroeide omgangsvormen in het publieke domein, maar dat burgers voor zichzelf andere normen aanleggen. We zien dat in de declaratiesfeer en bij vele andere domeinen waar het gedogen hoogtij vierde. Wat er ook zij van deze politieke oproepen, als deze delicten niet meer aan de strafrechter worden voorgelegd, niet langer in het publieke discours van de strafzitting worden besproken, rechterlijke normdemonstratie buiten beeld raakt, dan is het niet verwonderlijk dat de rol van de strafrechter in het publieke domein naar de achtergrond wordt gedrongen en beperkt wordt tot moord, doodslag en andere high impact crime. Kijkend naar de Verenigde Staten, voor veel van mijn medejuristen geen aantrekkelijk voorland, valt op dat de normhandhaving in het verkeer en in de bejegening van publieke dienstverleners, grondiger is aangepakt en beter is ingebed in de samenleving. Zo ver zijn we in Nederland niet. Van tramreizigers, politici tot rechters aan de borreltafel wordt de dubbele moraal aangehangen die mijn overdenking van vandaag doordesemt: strengere handhaving is onzin versus de lichtere praat over het ergerlijke normverval. Mijn punt is tweeledig. Zolang we wettelijke voorschriften hebben dienen deze vanuit generaal-preventieve optiek gehandhaafd te worden. Zolang het publieke domein verruwt dienen de rechters de relevante wettelijke voorschriften niet te bagatelliseren. De rechter spreekt niet meer in de poorten van de stad recht maar in zittingzalen waarin nauwelijks meer publiek, al dan niet letterlijk van de straat, aanwezig is. Maar wil de rechter zijn klassieke richtende taak vervullen, dan zijn juist de kleinere delicten van groot belang voor de klassieke normdemonstratie. Om die reden zouden verdachten weer vaker bij de uitspraak moeten zijn en zou de rechter weer het juiste verbale en non-verbale decorum in acht moeten nemen. De rechter wordt door zijn medeburgers nog steeds zeer hoog geacht, hij draagt het zwaard uit de beeldspraak niet tevergeefs en zijn werk en zijn uitspraken in de kleinere zaken die overblijven zijn maatschappelijk van groot gewicht.
Ik bepleit niet een terugkeer van de verkeersregels in het strafrecht, ik bepleit geen afschaffing van ZSM en andere buitengerechtelijke afdoeningsmodaliteiten. Ik ben geen luchtfietser, ik houd een positief pleidooi om het geringe restant aan strafzaken dat nog aan de strafrechter wordt voorgelegd, te koesteren en in die berechting een publiekrechtelijke voortrekkersrol te vervullen. De rechter is de enige conflictbeslechter die in het openbaar rechtspreekt en de burgerij normatief de weg kan wijzen. Benut die rol dan met verve en bagatelliseer die rol niet. Elke zaak en zitting telt om het gezag van de strafrechter te behouden en te versterken!

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Deel 1 in deze serie bijdragen over het strafproces is hier te vinden.