Tien antwoorden van de advocaat-generaal (deel 6)

Hieronder vindt u het zesde interview in de serie “Tien antwoorden van …”. De opzet is analoog aan “De tien geboden” in Trouw en de tekst bevat een tiental vaste vragen. Deze keer zijn de vragen gericht aan mr. Gerard J. de Haas, senior advocaat-generaal bij het ressortsparket, vestiging Arnhem-Leeuwarden en coördinator van het Expertisecentrum Bijzondere Penitentiaire Zaken.

Kort curriculum

1953 Leeuwarden
1973 Stedelijk Gymnasium Leeuwarden
1973/1979 privaatrecht en strafrecht Rijksuniversiteit Groningen
1974/1975 militaire dienst VN-bataljon Unifil
1979/1985 raio te Almelo; buitenstage in advocatuur
1985/1986 substituut-officier van justitie parket Zutphen
1986/1994 arrondissementsofficier van justitie parket Zutphen
1987/1989 cursuscoördinator strafrecht/algemeen SSR
1994/2002 officier van justitie eerste klasse parket Zwolle/Lelystad (management)
Vanaf 1999 pers-ovj/ag
2000 coördinerend ovj Kernteam Noord- en Oost Nederland/UMS
2002/2009 advocaat-generaal te Arnhem
2007/2011 vice voorzitter van de NVvR
Vanaf 2009 senior advocaat-generaal/coördinator Expertisecentrum Bijzondere Penitentiaire Zaken

Wie is uw leermeester?

Dat is zonder meer professor Th.W. van Veen. Eerst maar wat vertellen over deze aimabele hoogleraar. Professor Van Veen begon zijn loopbaan in de journalistiek, in 1948 bij het sociaaldemocratisch dagblad Het Vrije Volk, dat rond 1960 de grootste krant van Nederland werd. Van Veen was daarvan van 1961 tot 1968 hoofdredacteur. Na zijn vertrek werd hij benoemd tot hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen, waar hij in 1987 afscheid nam.
Als strafrechtjurist wordt Van Veen gerekend tot de school van de Groningse hoogleraar M.P. Vrij, later lid van de Hoge Raad, bij wie hij in zijn tijd bij Het Vrije Volk promoveerde op generale preventie. De titel van Van Veens promotie was: Straf als instrument. Vrij legde een accent op het strafrecht als instrument van een doelmatige criminele politiek. Deze benadering wordt wel gesteld tegenover de meer ethisch en gedragswetenschappelijk getinte Utrechtse school rond Pompe. Van Veen publiceerde in 1981(!) de bundel Strafrecht onder spanning, een noodkreet over de overbelasting van het justitiële apparaat. De noodkreet van een aantal raadsheren uit Leeuwarden was dus helemaal niets nieuws. Van Veen kwam in die bundel overigens tot de conclusie dat „wij alleen nieuwe strafbepalingen kunnen handhaven als wij bestaande regelingen opheffen”.
Van Veen werd een befaamd annotator van uitspraken van de Hoge Raad in de Nederlandse jurisprudentie. Twintig jaar had hij zitting in de Raad voor strafrechtstoepassing. In de tijd dat ik studeerde was het nog mogelijk nauwer contact te hebben met je hoogleraar dan later het geval zou zijn: hoorcolleges zouden in veehallen gegeven gaan worden. Wat mij in het bijzonder bij is gebleven is de bespreking van het arrest van de Hoge Raad in de zaak Digna van der Roest, een meisje dat in 1982 op gruwelijke wijze om het leven was gebracht. Van Veen legde uit waarom, na oplegging in eerste aanleg van levenslang, de veroordeling van T.P. en echtgenote H.P. door het hof tot een lange straf (achttien jaar) in combinatie met TBS met dwangverpleging, door de Hoge Raad in stand was gelaten. Professor Van Veen zou eens moeten weten dat ik T. P. nog geregeld langs zie komen in de Penitentiaire kamer voor de verlenging van zijn TBS.

Hoe organiseert u uw eigen werk?

In een nutshell waar het gaat om zittingen: Ik noteer in mijn agenda niet alleen de datum van de zitting, maar plan ook de tijd die ik denk nodig te hebben voor de voorbereiding daarvan. Ik probeer de zittingen tijdig te QuickScannen, zodat ik optimaal gebruik kan maken van de hulp en bijstand van de secretaris. Overigens worden lang niet alle zaken door de secretaris voorbewerkt. Soms kosten kleine zaken dus toch meer tijd. Bij een zitting met veel zaken begin ik niet met zaak één, maar met de laatste. Zo werk ik, indachtig mijn ervaring dat naarmate de zittingsdag vordert het moeilijker wordt je goed te blijven concentreren, van achteren naar voren. Zo weet ik zeker dat ik om 16.50 uur een zaak heb, die ik goed heb bestudeerd. Veel gebeurt digitaal, waarbij ik arceer en digitaal opmerkingen plaats. Ik heb bijzonder oog voor dingen die een zitting kunnen doen stranden (is er wel een bericht vordering handhaven benadeelde partij terug gekomen). Grote zaken vergen een andere aanpak. Daar zijn het tijdig scannen en het bedenken van voor de regiezitting van belang zijnde zaken met de secretaris een must. Een requisitoir in die zaken schrijf ik altijd uit. Ik probeer zoveel mogelijk mijn punten te beperken tot waar het in het voortbouwend appel over gaat. Als mij niet duidelijk is waarom er hoger beroep door de verdediging is ingesteld, bel ik de raadsman gewoon op. Ik correspondeer soms met de voorzitter over bijvoorbeeld de volgorde van het horen van de getuigen, maar zorg dan wel dat de mail altijd c.c. naar de verdediging gaat.
De avond voor de zitting probeer ik wat eerder naar bed te gaan en op de dag van de zitting neem ik een trein eerder. Waarom zijn raadslieden toch zo vaak vertraagd? Tot slot: mijn bef is wit en gestreken.

Wat is uw belangrijkste doel bij het requireren in een strafzaak?

Ik wil de rechters overtuigen van mijn visie op de bewijsvraag en de overige in van belang zijnde onderwerpen als bedoeld in de artt. 358 en 359 Strafvordering. Dat probeer ik te doen in ook voor de verdachte en de slachtoffers te begrijpen bewoordingen en met inachtneming van de verplichtingen voortvloeiend uit het EVRM.

Hoe ervaart u de opstelling van de zittende magistratuur?

Deze vraag generaal beantwoorden lijkt onmogelijk: zoveel rechters zoveel zinnen en dat is overigens maar goed ook want ik vind dat rechters geen grijze muizen mogen zijn. Toch kan ik in zijn algemeenheid zeggen dat ik zeer onder de indruk ben van de kennis en kunde van de rechters. Er bestaan nog wel grote verschillen tussen rechters als het gaat om communicatieve vaardigheden. De nieuwe generatie rechters (ik mocht jarenlang voor SSR-docent zijn in de cursus zittingsvaardigheden voor Rio’s en sectoroverstappers) heeft tijdens de cursus al veel in huis op dat gebied. Kennelijk op geselecteerd?

Hoe kan de raadsman tot een efficiëntere verdediging komen?

Iedereen heeft het druk, maar, advocaat, wacht nu eens niet tot het allerlaatst om je cliënt te bezoeken in het HvB. Plan dat nu eens tijdig in, zodat de akte van intrekking van het hoger beroep ook niet op een tijdstip komt dat vele magistraten en medewerkers zich bij de voorbereiding van de zaak al in het dossier hebben gestort. Zorg dat je memorie van grieven compleet en gedetailleerd is. Schroom niet het hof of de AG te benaderen als er tussentijds nieuwe punten van aandacht opkomen. Geef van tevoren aan of het een strafmaatappel is of niet. Overval het hof en de AG op een pro forma-zitting niet met allerlei verzoeken. Geef dat van tevoren aan en stuur dan tegelijkertijd de onderliggende stukken mee. Beperk je in hoger beroep in je pleidooi tot wat nieuw is en tot waar het daadwerkelijk om gaat en waar stellingen en weren in appel worden gehandhaafd: benoem samenvattend de passages uit de pleitnota in eerste aanleg en vraag het hof die passages als herhaald en ingelast te beschouwen. Beter een kort en kernachtig pleidooi dan een urenlang verhaal waar niemand meer naar luistert. Is er een alternatief scenario, zorg dan dat dit onderbouwd wordt met bijvoorbeeld getuigen die e.e.a. kunnen bevestigen.

Welk strafrechtelijk leerstuk intrigeert u het meest?

Ik zal –indachtig professor Van Veen- maar niet het leerstuk van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid noemen, al is het me onlangs gelukt om één keer in mijn leven daartoe met succes te requireren: portiers bij een dancing, waar heibel op de stoep was, hadden rigoureus ingegrepen door de herrieschoppers door middel van houdgrepen tot bedaren te brengen. Ondanks het feit dat het geweldsmonopolie bij de politie ligt was dat ingrijpen state of the art, naar portiersopleidingsbegrippen. Het (eigenlijk wel fors) ingrijpen stond ten dienste van het voorkomen van verdere escalatie, vandaar dus.
Wat mij intrigeert, zijn strafrechtelijke impasses. Die kom ik tegen in mijn specialisme: de TBS, maar ook in het gewone strafrecht bij de straftoemeting. Om met de TBS te beginnen. De casus van de jonge ongewenst verklaarde TBS-er. Hij kan niet resocialiseren en pogingen om dit in het land van herkomst te bewerkstelligen zijn op niets uitgelopen. Niet zelden zien we een dergelijke patiënt in de longstay verdwijnen. Ik vind dat huiveringwekkend. Een commuun voorbeeld? Een buitenlandse verdachte met een verblijfstatus staat terecht voor een openlijke geweldpleging. De verdediging bepleit een geheel voorwaardelijke straf, omdat anders zijn status daadwerkelijk in gevaar komt. De impasse: de rechter dient rekening te houden met alle omstandigheden van het geval. Bij rijden onder invloed is vaak het verliezen van een baan reden om de ontzegging voor deze ene keer nog maar weer eens voorwaardelijk op te leggen. De casus van de openlijke geweldpleger vraagt eigenlijk om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Moeten we blind zijn voor de normen van de IND en gewoon straffen vorderen en opleggen met letterlijk een blinddoek voor, of…

Hoe heeft u zich als magistraat ontwikkeld?

Ik ben mijn raio-tijd ingegaan met het idee om rechter te worden. Naarmate de stages in die periode verstreken vond ik, dat waar ik mee bezig was steeds nóg interessanter dan de rechtbankperiode: de hectiek van het OM, het Nobile Officium van de advocaat. Uiteindelijk koos ik voor het OM, en daar heb ik nimmer spijt van gehad.
Een ambt met soms de benen in de modder, afwisselend, maar ook in een organisatie zo hiërarchisch als de RK kerk. Een organisatie die altijd in verandering is. Panta Rhei is bij ons het devies. Ook een organisatie waar je je vleugels kunt uitslaan. In het bestuur van de NVvR: geen probleem. Werken bij SSR: kan ook. Je moet wel je mogelijkheden benutten. Onvergetelijk was mijn opdracht om op Bonaire onderzoek te doen naar de mogelijk onterechte veroordeling van twee verdachten, die vanwege een dubbele moord lange gevangenisstraffen hadden gekregen en van wie er een ook, naar later bleek: valselijk, had bekend. Met een klein politieteam en de heer en mevrouw Knoops als raadslieden, heb ik gedurende een klein jaar daar leiding aan mogen geven. Resultaat was een herziening en inmiddels vrijspraak van deze twee knapen. Dat maakt je nederig en waakzaam, misschien ook angstig tegelijk. Ik heb meer dan ooit het besef gekregen dat zaken kunnen kantelen. Je moet als magistratelijk OM-er uiteindelijk de guts in je lijf hebben om daar waar het moet vrijspraak te vragen. Soms tegen de stroom in. Soms in zaken die uitstijgen boven de criminaliteit van alledag.

Voelt u zich als staande magistratuur meer magistraat of ambtenaar?

Daar kan ik kort over zijn: ik voel me, zeker sinds ik in hoger beroep mijn vak uitoefen, absoluut meer magistraat.
Ik besef heel goed dat de strafzaken daar in laatste feitelijke instantie dienen. Een rode auto wordt bij de Hoge Raad niet meer blauw. Niettemin moet je als AG wel duidelijk een eigen standpunt innemen en niet gemakkelijk meewaaien met ’s raadsmans stellingen of een te verwachten standpunt van het hof. Je moet soms ook de grenzen van het recht opzoeken in hoger beroep. Maar uiteindelijk speelt ook hier je eigen overtuiging een bepalende rol. Ik ben wel gelukkig met de huidige wijze van benaderen van de bewijsvraag, waarbij het langslopen van de (alternatieve) scenario’s je eigenlijk dwingt te werken met een magistratelijke baret op.
Niet verder vertellen, maar ik voel me toch ook vaak ambtenaar, wanneer ik op mijn flexplek, met voor mij mijn mandje met schaar, paperclips en elastieken, uren achter de computer zit om declaraties in te dienen, vakantiedagen bij te houden, bezoek aan te melden, tijd te schrijven en zittingslijsten uit te draaien.

Ziet u uw inhoudelijke taak en de organisatie als gescheiden werelden?

Bij het OM zijn dat geen gescheiden werelden. In onze ressortelijke aanpak van zaken, waarin de AG centraal in de regie staat, kan het niet anders zijn dan dat die twee werelden bij elkaar komen. Natuurlijk is het zo dat veel top down wordt bepaald, maar altijd is er de mogelijkheid om daar inspraak in te hebben als individuele OM-er.
Je moet er alleen wel tijd voor vrij maken. Voorbeeld? Aan de medio juni gehouden “ontwerpsessies” voor het toekomstplan OM 2020, namen maar liefst 123 OM-ers uit de gehele organisatie deel.

Welke ontwikkeling binnen de magistratuur betreurt u het meest en welke ontwikkeling juicht u het meest toe?

Wat ik toejuich is de toenemende belangstelling voor een efficiënte afdoening van zaken. Overal in het land wordt geëxperimenteerd, maar ik denk dat het hof Arnhem-Leeuwarden met het uitproberen van vlotte doorstromingsmodellen zoals de proeftuin en A12 wel voorop loopt. Voor de rechter maar ook de OM-er is het de kunst om efficiënte afdoening van zaken gepaard te laten gaan met een altijd zorgvuldige afdoening. Die combinatie van vereisten om tot een rechtvaardige snelle afdoening van zaken te komen is misschien wel één van de nieuwe hoofdcompetenties van de magistraat.
Wat ik betreur is het te pas en te onpas in stelling brengen van het wapen van “de onafhankelijkheid” van de rechter. De rechters die tijdens het afgelopen WK zaten te kankeren over het gebrek aan vaardigheden van een Algerijnse scheidsrechter zijn misschien wel diezelfden die zich een paar jaar geleden zo verzetten tegen het voeren van evaluatiegesprekken met de sectorvoorzitter.