Taal is o zo belangrijk

Taal is in de juristerij misschien wel het belangrijkste instrument. Mondeling of op schrift – advocaten, officieren van justitie en rechters moeten met woorden en zinnen hun standpunten en oordelen kenbaar maken. Zorgvuldig en duidelijk taalgebruik is daarbij essentieel. En dat geldt in misschien nog wel sterkere mate voor de voornaamste basis van ons werk: de wet.
Opvallend is dan ook hoe slordig wij vaak met onze taal omgaan en hoe weinig velen in ons vakgebied daarbij – kennelijk – stilstaan (of, erger, zich daarover druk maken). Nu is het soms misschien meer een kwestie van smaak. De één vindt langere zinnen mooi, waar de ander liever kort en bondig schrijft. Maar als wij met elkaar afspreken dat we archaïsche en wollige woorden zoveel mogelijk zullen vermijden, moeten wij ophouden met het gebruik van termen als “dien-tengevolge”, “desalniettemin”, “gebezigd”, “zulks”, “alwaar”, “doch”, “derhalve”, “alsmede”, “jegens” en “omtrent”, om een paar veel voorkomende voorbeelden te noemen.

Wij houden ook van overbodige woordjes: “er”, “om” en “dan” schrap ik dikwijls uit concepten. “In dit geval is er sprake van” wordt “in dit geval is sprake van”. Het woord “om” is voor een infinitief alleen op zijn plaats, als het “teneinde” of “met het doel / oogmerk” betekent. “Het is aan verdachte om het tegendeel aan te tonen” moet zijn “het is aan verdachte het tegendeel aan te tonen”. Dit laatste wordt helemaal duidelijk, als je de woorden achter elkaar zet: “met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen” is dubbelop voor “met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen”. En: “als ik thuis ben, dan ga ik eten” moet “als ik thuis ben, ga ik eten” luiden [1].
Overbodig is vaak ook het tussenvoegen van frases als “de rechtbank is van oor-deel” en “naar het oordeel van de rechtbank”. Als boven de tekst het kopje “Oor-deel van de rechtbank” staat, hoeft dat niet steeds te worden herhaald. Rondweg onjuist is verder de term “wettig en overtuigend”. In art. 338 Sv staat dat de rech-ter het bewijs slechts kan aannemen, als hij “door den inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen”. “Wettig en overtuigend” sugge-reert een nevenschikking die niet met deze bepaling overeenstemt. “De recht-bank acht wettig en overtuigend bewezen” moet dus “de rechtbank acht bewe-zen” luiden.

Verder zijn wij niet erg precies met werkwoordtijden. Wie een chronologische beschrijving van een reeks feiten in een vonnis leest, zal geregeld een wisselend gebruik van voltooid tegenwoordige en onvoltooid verleden tijd zien staan in plaats van een consequente toepassing van een van beide. (En soms kan de on-voltooid tegenwoordige tijd een levendig beeld scheppen.) Voorts hoort achter “nadat” steevast de voltooid (tegenwoordige of verleden) tijd te staan. Het is dus niet “nadat verdachte het slachtoffer neerschoot, ging hij op de vlucht”, maar “nadat verdachte het slachtoffer had neergeschoten, etc.”.
En waarom worden bij elkaar horende begrippen zo dikwijls uit elkaar getrok-ken? “In dat geval zal een vervangende hechtenis worden toegepast van 90 da-gen”, zie je staan. De toevoeging “van 90 dagen” hoort toch bij “hechtenis”? Waarom is het dus niet “in dat geval zal een vervangende hechtenis van 90 dagen worden toegepast”? Het lijkt op een angst voor het te veel van elkaar scheiden van hulpwerkwoord en hoofdwerkwoord, ook al is dat in de traditie van het Germaans taalgebruik de regel. (Duitsers doen dat veel beter.)

Ten slotte mijn favoriete bepaling uit de wet: art. 36f Sr. Volgens de meest recen-te versie van de rubriek Wet- en regelgeving van Overheid.nl luidt de eerste zin:

Aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld tot een straf of aan wie bij rechterlijke uitspraak een maatregel of een last als bedoeld in arti-kel 37 wordt opgelegd, of waarbij door de rechter bij de strafoplegging rekening is gehou-den met een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de ver-dachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht dan wel jegens wie een strafbeschikking wordt uitgevaardigd, kan de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer of diens nabestaanden in de zin van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De lengte van deze zin is al het eerste probleem. De wetgever raakt daardoor dan ook onmiddellijk verstrikt. Het woord “waarbij” (regel 3) lijkt inhoudelijk naar “rechterlijke uitspraak” (regel 1) te verwijzen, maar slaat taalkundig terug op “degene” (regel 1). Waarom wordt in regel 3 “door de rechter … rekening gehou-den” gezegd en niet “waarbij de rechter rekening houdt”? Dat is ongetwijfeld het gevolg van een besmettelijke ziekte waaraan veel Nederlanders lijden: het ge-bruik van passieve in plaats van actieve zinnen. (Hetzelfde geldt voor “door de verdachte is erkend” in regel 4-5.)
“Dan wel jegens wie” (regel 5) zal wel naar “degene” (regel 1) verwijzen. Maar als gevolg van het ontbreken van een komma (slordig interpunctiegebruik is een andere epidemie) wekt de wetgever de indruk dat deze woorden op “de verdach-te” uit dezelfde regel terugslaan. Kortom, het zou zinnig zijn, als iemand zich op het ministerie van Justitie met de leesbaarheid en taalkundige correctheid van wettelijke bepalingen zou gaan bezighouden.

Merkwaardig is dat in Wetboek-online een veel leesbaarder tekst staat:

Aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit wordt veroor-deeld dan wel jegens wie een strafbeschikking wordt uitgevaardigd, kan de ver-plichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer.

Maar wat is de status hiervan?

Willen Korthals Altes
Senior rechter rechtbank Amsterdam

Voetnoot
[1] En als je het heel netjes wilt doen, schrijf je “de rechtbank heeft uit de [in bijlage II opgenomen] bewijsmiddelen de overtuiging gekregen, dat …”