Het noodzakelijkheidscriterium vanaf 1 juli 2014: balanceren tussen niet vooringenomen (b)lijken en helder motiveren

Na bijdragen over het verdedigingsbelang en de doorwerking van tijdigheid en motivering van getuigenverzoeken bij de beoordeling daarvan, komt in deze voorlopige laatste bijdrage over getuigenverzoeken het noodzakelijkheidscriterium aan bod.

In het overzichtsarrest ECLI:NL:HR:2014:1496 vallen om te beginnen voor de hand liggende, maar daarmee niet minder belangrijke, overwegingen over het noodzakelijkheidscriterium te lezen: het criterium is gerelateerd aan de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak en dat betekent dat ‘bij de beoordeling van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om ambtshalve gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen, slechts van belang [is] of hij het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek’.

Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat, wanneer een verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium, dat verzoek kan worden afgewezen ‘op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken’. De Hoge Raad merkt daarbij uitdrukkelijk op dat van een aldus gemotiveerde afwijzing niet kan worden gezegd ‘dat die ervan blijk geeft dat de rechter op ontoelaatbare wijze is vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren’.

Hiermee lijkt de Hoge Raad feitenrechters enigszins te willen geruststellen over de reikwijdte van hun beslissing: er mag geoordeeld worden dat het dossier zoals dat er op dat moment ligt voldoende informatie bevat om te oordelen en voor zover daarmee vooruitgelopen zou worden op hetgeen verzochte getuigen zouden kunnen verklaren, is dat niet ontoelaatbaar. De Hoge Raad komt hiermee tegemoet aan de moeilijke positie waarin de strafrechter soms verkeert: een beslissing over getuigenverzoeken ligt, zeker bij getuigen die verzocht worden om een alternatief scenario aannemelijk te maken, niet ver af van een oordeel over de bewijsvraag. Vooral in een tijd waarin de angst voor de schijn van (ontoelaatbare) vooringenomenheid groot is, is een dergelijke geruststelling begrijpelijk.

In ECLI:NL:HR:2014:1559 als ECLI:NL:HR:2014:1568 werkt de Hoge Raad zijn jurisprudentie in casuïstische zin verder uit. De verschillende getuigenverzoeken in deze zaken strekten ertoe alternatieve scenario’s aannemelijk te maken (zie hieronder voor iets uitgebreidere samenvattingen van de beide arresten*).
Het verzoek in de eerste zaak strekte ertoe ondersteuning te verkrijgen voor de verklaringen van de verdachte en een andere getuige dat de bij verdachte aangetroffen gelden niet van misdrijf afkomstig waren. Het ging in die zaak in totaal om een contant geldbedrag van omgerekend 4,7 miljoen euro, in diverse valuta’s, onder meer bestaande uit 9000 briefjes van 500 euro en terwijl het grootste gedeelte (4.602.200 euro, 100.000 Deense Kronen en 8.500 Dollar) zich bevond in een sporttas die verdachte met zich droeg op de openbare weg.
In de tweede zaak strekte het verzoek ertoe middels het horen van een viertal getuigen (woonachtig in respectievelijk Zwitserland, Liechtenstein, Japan en Duitsland) de legale herkomst van een kleine 400.000 euro aan te tonen die verdachte namens een medeverdachte zou hebben witgewassen. De medeverdachte beschikte echter niet over legale inkomsten maar wel over inkomsten uit hasj- en hennephandel, was enkele malen veroordeeld terzake dergelijke feiten en had in dat verband nog een schuld van meerdere miljoenen euro’s aan de Nederlandse staat. Ten slotte waren de grote bedragen op verdachte wijze van de medeverdachte ontvangen en vervolgens weer aan hem doorgesluisd, te weten op een wijze waarop aan het zicht werd onttrokken van wie het geld afkomstig was en zonder rechtsgrond, terwijl een deel daarvan door verdachte aan de medeverdachte in contante bedragen van aanzienlijke omvang werden uitgekeerd in een auto op een parkeerplaats bij een restaurant of een autodealer.

In beide zaken wees het hof de verzoeken af en de Hoge Raad achtte dat oordeel telkens niet onbegrijpelijk. Niet onbelangrijk is dat het hof het daarbij minder moeilijk had omdat de verzoeken telkens voorwaardelijk waren gedaan indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen. Daarom kon het hof in het eindarrest eerst uitgebreid overwegen waarom het geen geloof hechtte aan het geschetste alternatieve scenario en op grond van die onaannemelijkheid bij eindarrest de verzoeken afwijzen. Dergelijk strafvorderlijk gemak bestaat echter niet wanneer over de noodzakelijkheid moet worden geoordeeld alvorens een beslissing moet worden gegeven over de bewijsvraag én dus ook over de aannemelijkheid van het alternatief scenario. En dan wreken zich de eisen die aan de strafrechter worden gesteld. Enerzijds mag hij geen blijk geven van vooringenomenheid en anderzijds wordt hij geacht zijn beslissing helder te motiveren.

De oplossing die de Hoge Raad creëert is dat de feitenrechter wordt opgedragen zich af te vragen of hij zich door het verhandelde ter terechtzitting al dan niet voldoende ingelicht acht. Is dat het geval dan kan op grond daarvan worden vastgesteld dat hem de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Daarbij hoeft de feitenrechter zich dus niet op voorhand uit te laten over de aannemelijkheid van een alternatief scenario (en daarmee hetgeen de verzochte getuigen zouden kunnen verklaren), maar slechts over de mate waarin hij zich voldoende ingelicht acht om daarover een beslissing te nemen.

Bevredigend is die oplossing allerminst. Formeel is er weliswaar geen sprake van vooringenomenheid, maar de goede verstaander leest erin dat de rechter bij afwijzing zijn oordeel over het alternatieve scenario wel al gevormd heeft. Tegelijkertijd moet de verdediging maar afwachten wat dat oordeel is en al helemaal wat de motivering van dat oordeel is. Dat valt immers pas te lezen in het eindarrest. Zolang het gevaar van wraking op de loer ligt, kan de feitenrechter namelijk niets meer zeggen dan hetgeen door de Hoge Raad wordt aangedragen. Dit wordt alleen anders wanneer de verdediging de feitenrechter uitdrukkelijk uitnodigt om meer te zeggen en vervolgens het instrument van wraking laat liggen. Vanuit verdedigingsoptiek lijkt mij het erg prettig om kennis te nemen van het voorlopige oordeel van de feitenrechter omtrent de aannemelijkheid van een alternatieve scenario en de motivering van dat oordeel. Dat kan immers goed benut worden in het pleidooi. Of feitenrechters die uitleg zullen geven is natuurlijk de vraag, maar als advocaat zou ik in ieder geval proberen de strafrechter daartoe te bewegen. Zoals het er nu voorligt, is de advocaat de enige die de impasse op dit punt zou kunnen doorbreken en de strafrechter tot meer van de door hun verlangde motivering op dit punt zou kunnen bewegen.

Rick Robroek
Stafjurist Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Limburg

*
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1559
In deze zaak was sprake van een voorwaardelijk verzoek in de zin van het horen van een getuige indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen. Het verzoek strekt ertoe ondersteuning te verkrijgen voor de verklaringen van de verdachte en een andere getuige dat de bij verdachte aangetroffen gelden niet van misdrijf afkomstig waren (het ging om in totaal om een contant geldbedrag van omgerekend 4,7 miljoen euro, in diverse valuta’s, onder meer bestaande uit 9000 briefjes van 500 euro en terwijl het grootste gedeelte (4.602.200 euro, 100.000 Deense Kronen en 8.500 Dollar) zich bevond in een sporttas die verdachte met zich droeg op de openbare weg). Het hof verklaart echter wel bewezen dat de gelden van misdrijf afkomstig waren en motiveert waarom het geen geloof hecht aan de verklaringen van verdachte en de andere getuige en het daarin geschetste scenario.
Het getuigenverzoek wordt afgewezen omdat de verdediging pas bij pleidooi identificerende gegevens naar voren bracht, terwijl de verdachte daarvoor herhaaldelijk heeft nagelaten die gegevens te verschaffen. Het hof oordeelt dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn ‘om aan te nemen dat de betreffende persoon bestaat en bestond in en tijde van het door de verdediging gepresenteerde scenario dan wel daadwerkelijk de persoon is die in dit scenario wordt bedoeld’. Verder overweegt het hof dat het niet aannemelijk acht dat de verklaringen van verdachte en eerder genoemde andere getuige ‘voldoende aanknopingspunten hebben geboden voor politie en justitie om nadere gegevens van de getuige te achterhalen’.
De A-G bij de Hoge Raad concludeert tot vernietiging. In de eerste plaats schiet de motivering van het hof volgens hem tekort in het licht van de omstandigheden dat het tijdstip waarop een getuigenverzoek wordt gedaan volgens de A-G op zichzelf geen grond kan bieden voor de afwijzing van zo’n verzoek. Het kan wel gewicht in de schaal leggen bij het beoordelen van de noodzaak van een dergelijk verzoek, maar in welk opzicht het hof dat heeft gedaan heeft het hof volgens de A-G onvoldoende duidelijkheid geboden. De motivering schiet in zijn optiek daarnaast tekort omdat de verdediging de pleitnota van hoger beroep besluit met het opgeven van de precieze gegevens van de getuige, ‘waardoor toetsbare informatie beschikbaar kwam ter controle van het bestaan van deze persoon’.
De Hoge Raad laat de afwijzende beslissing echter in stand. Gelet op het niet onbegrijpelijk gemotiveerde oordeel dat het geen geloof hecht aan de door verdachte en de andere getuige afgelegde verklaringen en het daarin geschetste scenario, verstaat de Hoge Raad de afwijzing van het verzoek aldus dat het hof heeft geoordeeld dat de noodzaak tot het horen van de verzochte getuige niet is gebleken. Dat is de juiste maatstaf en dat oordeel is volgens de Hoge Raad – met een verwijzing naar het toetsingskader in cassatie – niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

HR 1 juli 2014 ECLI:NL:HR:2014:1568
In deze zaak was verzocht tot het horen van een viertal getuigen (woonachtig in respectievelijk Zwitserland, Liechtenstein, Japan en Duitsland) indien het hof tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde witwassen van 192.334,83 en 184.400,– euro zou komen. Deze getuigen zouden kunnen verklaren over de legale herkomst van het geld dat verdachte zou hebben witgewassen voor een medeverdachte. Het hof acht echter op voorhand niet aannemelijk dat het geld een legale herkomst kon hebben: de medeverdachte beschikte namelijk niet over legale inkomsten maar wel over inkomsten uit hasj- en hennephandel, de medeverdachte was enkele malen veroordeeld terzake die feiten en had in dat verband nog een schuld van meerdere miljoenen euro’s aan de Nederlandse staat, het ging om grote bedragen die op verdachte wijze van de medeverdachte werden ontvangen en aan hem werden doorgesluisd: onder meer op een wijze waarop aan het zicht werd onttrokken van wie het geld afkomstig was en zonder rechtsgrond, terwijl een deel daarvan door verdachte aan de medeverdachte in contante bedragen van aanzienlijke omvang werden uitgekeerd in een auto op een parkeerplaats bij een restaurant of een autodealer. De verzoeken worden dan ook afgewezen. Het hof acht het horen van de genoemde personen als getuigen niet noodzakelijk, omdat er geen begin van aannemelijkheid bestaat voor de stelling dat er sprake zou zijn van inkomsten van de medeverdachte uit door de raadsman bedoelde legitieme activiteiten.
De A-G bij de Hoge Raad vindt de motivering van het hof tekortschieten. In het bijzonder overweegt de A-G daartoe dat de medeverdachte vanwege zijn miljoenenschuld er veel aan gelegen kan zijn geweest om inkomsten – ook legale – voor de Nederlandse staat verborgen te houden. Dat het geld afkomstig is van de betreffende medeverdachte, dwingt volgens de A-G nog niet tot de conclusie dat het geld afkomstig was van enig misdrijf. ‘De door de verdediging geschetste gang van zaken is weliswaar onwaarschijnlijk, maar naar mijn mening niet in die mate dat deze versie zonder meer terzijde kan worden gesteld’, aldus de A-G.
De Hoge Raad gaat hier wederom niet in mee. Met een verwijzing naar het toetsingskader in cassatie overweegt de Hoge Raad dat hij daarbij in aanmerking heeft genomen ‘hetgeen de verdediging ter motivering aan de verzoeken ten grondslag heeft gelegd alsmede hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de onaannemelijkheid van de stelling van de verdediging dat sprake zou kunnen zijn van uit legale activiteiten verkregen inkomsten van [medeverdachte]’.