Het strafproces 1. Inleiding

De komende maanden zal ik vaker stilstaan bij het strafproces. Een oud publiek fenomeen waarin mensen in het openbaar berecht worden voor hun vermeende misdaden. De aanblik is vrij statisch. Het gesprokene tijdens de zitting is niet altijd goed te volgen en de inrichting van het proces en de verschillende betekenissen van de procesonderdelen zijn niet altijd helder. Dat verbaast niet omdat de omlijning en de inrichting van het strafproces verschuift. Veel hangt met elkaar samen en veranderingen van het ene onderdeel beïnvloeden het andere onderdeel van het proces.

Het is niet eenvoudig vast te stellen wat anno 2014 het strafproces inhoudt. Het is eenvoudiger te omlijnen wat het proces niet is.

1. De zittingzaal is niet (langer) het forum waar alle strafwaardig geachte en opgespoorde gedragingen worden berecht. Er zijn sinds de jaren zeventig vele buitengerechtelijke discoursen, zoals de afdoening door de politie en het openbaar ministerie en de administratiefrechtelijke handhaving van strafbare verkeersgedragingen zichtbaar maken.
2. Het strafproces beoogt van oudsher de burgers, de rechtsgenoten zoals dat wel mooi wordt genoemd, te demonstreren hoe het recht (uit)werkt. Het is de vraag of dat doel vaak wordt bereikt. De kleine berichtjes in de krant en andere media, de spaarzame bezoekers aan de strafzittingen, geven niet de indruk dat de strafrechter het grotere publiek bereikt, bindt en hun gedrag richt in de gewenste richting.
3. Ik heb de zitting wel eens de kathedraal van het recht genoemd. Een rechter is ingesteld op zittingen, daar werkt hij naar toe. Veel verdachten zullen dat kathedrale karakter ook wel ervaren. Velen valt het wachten in de cel op de berechting niet licht. Maar vormt het onderzoek ter zitting daadwerkelijk het hoogtepunt? Gaat het wel om onderzoek naar de waarheidsvinding langs billijke procedureregels? Vermoedelijk niet zoals de juridische en andersoortige goegemeente vermoedt: binnen een korte tijd daadwerkelijk onderzoek doen naar schuld en boete veronderstelt dat het niet om een klassiek onderzoek gaat.
4. Een zitting scharniert voor velen om het verhoor van verdachte(n) en getuigen, maar wat betekent dat verhoor volgens de vroegere en huidige vakbroeders en -zusters? Is dat verhoor wel volgens de state of the art en wat houdt die kunst in? Is er wel een ambachtelijke kunstvorm denkbaar die breed gedragen wordt? Ook hier kan de teleurstelling overheersen. Rechters, officieren van justitie en advocaten zijn niet de beste verhoorders. Vaak wordt van de hak op de tak gesprongen, zijn vragen te sturend of te richtingloos. Er wordt veel en vrijblijvend gesproken over ambachtelijke standaarden, maar over de state of the art rond verhoortechnieken wordt geen woord gesproken. Wat houdt het verhoor in en hoe moet dat, verhoren? Het lijkt mij niet het boeddhistisch luisteren naar de justitiabele zoals ik een gewaardeerde collega hoorde uitleggen. Het lijkt mij ook niet de ontmoeting van hart tot hart en van aangezicht tot aangezicht zoals dit vroeger wel eens werd uitgedrukt.
5. Voor de advocaat en het openbaar ministerie komt het er op aan om zodanig te pleiten of te requireren dat de strafrechter overtuigd raakt in de door de spreker gewenste richting. Wat is een goede pleiter en officier? Mag bij dat oordeel de retorica een rol spelen? Vaak worden door advocaten grote woorden gebruikt en spat de morele verontwaardiging van de gezichten af. Dat mag en kan nodig zijn, al was het maar om de verdachte het gevoel te geven dat de advocaat heeft gevochten als een leeuw. Een advocaat die krachtig en gloedvol pleit hoeft echter nog geen goede advocaat te zijn. Wat maakt een raadsman of officier goed, althans goed in het licht van een geslaagde zitting? En is de advocaat wel verplicht om een bijdrage aan een goed zittingsverloop te leveren? In ieder geval mag een advocaat met het oog op een tijdige berechting en met het oog op de belangen van slachtoffers en zelfs die van zijn eigen cliënt geen remmende invloed op het procesverloop hebben. In die zin vervullen openbaar ministerie en advocatuur geen leidende rol in de zitting.
6. Het is de vraag of dit punt niet naar voren getrokken moet worden, maar wat houdt het decorum van de zitting in? In de jaren zeventig pleitte de Rotterdamse hoogleraar Hoefnagels voor rondetafelgesprekken in plaats van de huidige statische opstelling van procespartijen. Die gedachte was maar een kort leven beschoren. Welke betekenis heeft de opstelling van het zaalmeubilair? En welke betekenis komt toe aan de opkomst en aftocht van het rechterlijk college en aan de spreekstijl en oogopslag van de rechter? Wie in rechterlijke gedragscodes of soortgelijke teksten probeert te achterhalen wat het rechterlijk decorum van het strafproces inhoudt komt uit bij omschrijvingen als rechterlijke waardigheid en een correcte bejegening van procespartijen. Deze woordkeuze verraadt louter open deuren, want zou er een serieuze jurist of beschouwer van het recht zijn die het tegendeel bepleit? Algemene begrippen als waardigheid en correctheid zeggen dus nog niet zoveel over wat het juiste decorum van het strafproces inhoudt.
7. Met de juiste retorica komen vooral advocaten tot nobele bespiegelingen over de bijkans heilige betekenis van het Wetboek van Strafvordering voor het onderzoek ter zitting. Op zich is het wettelijke houvast voor een rechter natuurlijk van het grootste belang, zijn natuurlijke bron, maar toch leert de Wet maar ten dele hoe het strafproces moet worden ingericht. De Wet behelst een omvangrijk pakket aan open normen die in de rechtspraktijk met enkele vingerwijzigingen van de cassatierechter moeten worden ingevuld. Zoals Knigge begin deze eeuw het huidige Wetboek van Strafvordering omschreef als een elastisch wetboek, bezit de Wet niet die sturende betekenis voor de inrichting van het strafproces die velen er om hen moverende retorische redenen aan toekennen. Wat betekent de Wet dan wel voor de betekenis van het strafproces?

Bovendien is het gelet op alle veranderingen in en rond het strafproces een poging waard om aan het eind vooruit te blikken op de toekomst van het strafproces. Bij wijze van voorbeeld kan worden gedacht aan veranderingen door de mogelijkheden van digitale technieken. Het omzetten van tekst op papier naar tekst op een beeldscherm is ‘slechts’ een eerste stap op de weg naar die complete vernieuwing. Als de digitalisering, zoals het gebruik van beeldmateriaal, helpt om de juridische werkelijkheid dichter bij de realiteit te brengen, de feitenvaststelling is immers de basis voor al hetgeen wat volgt, is dat dan een weg naar verbetering van de rechterlijke beslissing? Wat betekenen deze nieuwe mogelijkheden voor de (voorbereiding van de) behandeling (bv het pleidooi: van retorica naar video of een combinatie?) van de strafzaak ter zitting? Hoe bewaakt de rechter in dat strafproces het beginsel van equality of arms?

Veel indrukken van het strafproces zijn schijn, maar veel schijnsel maakt nog geen licht. Het aantal strafprocessen vermindert in razendsnel tempo en strafwaardig gedrag wordt elders gecorrigeerd. De klassieke normdemonstratie, het verhoor van verdachten en getuigen, het gestipuleerde procesdecorum, weinig is meer wat het vroeger leek. Daarmee heb ik nog geen woord geschreven over de betekenis en (in)richting van het strafproces in het komende tijdsgewricht. Het vorenstaande was een kleurloze tekst over wat de terechtzitting niet (meer) is. In de komende maanden hoop ik de ontkenningen te flankeren met meer realistische en uiteraard positieve juridische sfeertekeningen.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden