Tien antwoorden van de (voormalig) strafrechter (deel 5)

Hieronder vindt u het vijfde interview in de serie “Tien antwoorden van de strafrechter”. De opzet is analoog aan “De tien geboden” in Trouw en de tekst bevat een tiental vaste vragen. Deze keer wijken we enigszins af van het vaste format en zijn de tien vragen gericht aan voormalig strafrechter prof. mr. J.D.A. den Tonkelaar, thans civiele rechter bij de rechtbank Gelderland en hoogleraar Rechtspraak Radboud Universiteit Nijmegen.

Kort curriculum

1970-1975 studie notarieel recht RU Leiden
1976-1985 wetenschappelijk medewerker notarieel recht, RU Leiden
1979 promotie RU Leiden
1980 afstuderen Nederlands recht RU Leiden
1984 rechter-plaatsvervanger rechtbank Arnhem
1986-1991 rechter rechtbank Arnhem
1991-1995 vice-president rechtbank Zutphen
Vanaf 1995 achtereenvolgens vice-president, coördinerend vice-president en senior-rechter inhoudelijk rechtbank Arnhem/Oost-Nederland/Gelderland
Vanaf 2009 hoogleraar Rechtspraak Radboud Universiteit Nijmegen

Wie is uw leermeester?

Als ik over leermeesters spreek, noem ik er altijd twee uit de universitaire wereld: mijn promotor Martin-Jan van Mourik (destijds hoogleraar notarieel recht in Leiden) en Wim Kleyn (destijds hoogleraar burgerlijk recht in Leiden). De eerste heeft me geleerd hoe je met andermans te beoordelen schrijfsels om moet gaan en dat je nooit bang moet zijn de luis in de pels van je eigen beroepsgroep, waarvan je de kwaliteit wilt bewaken, te worden.
Van de tweede heb ik onder meer geleerd dat je het aan moet durven ook eens onbekende mensen voor een of andere taak, bijvoorbeeld een lezing houden, een artikel schrijven, uit te nodigen – omdat ze anders nooit zo bekend worden dat ze vanzelf wel uitgenodigd worden.
Toegespitst op het strafrecht in de praktijk: ik ben in de (toen enige) gedetineerdenkamer van de Arnhemse rechtbank opgeleid door Rutger Feith, een rechter van de oude stempel in die zin dat hij van nature tegenover iedereen beleefd was, ook tegenover verdachten. Laat ze in hun waarde, ga respectvol om met wat ze zeggen, luister goed, anders komt er geen gesprek tot stand. Procedural justice avant la lettre, dus.

Hoe organiseerde u destijds uw eigen werk in de strafafdeling en in hoeverre verschilt dat van de huidige organisatie van uw eigen werk in de civiele afdeling?

In de strafsector word je meer geleefd door de gang van de dossiers en de tredmolen van de zittingen dan bij het civiele werk. Het risico is dat je als civiel rechter je eigen achterstanden gaat kweken. Het is dus van belang dat te voorkomen en ook bij civiel werk die tredmolen van het lezen van dossiers, behandelen op zitting en zo snel mogelijk daarna het vonnis opschrijven, in beweging te houden.
En nooit doorgaan met een klus waarvoor je op dat moment niet geïnspireerd bent. Ga dan even iets anders doen, al is het gras maaien. Des te harder werk je daarna door. Op zittingen lukt dit natuurlijk niet. Daar is het zaak te zorgen dat je geestelijk en lichamelijk goed genoeg in je vel blijft zitten om het fris vol te houden. Wie veel strafrecht heeft gedaan zal overigens niet gauw klagen over de lengte van een civiele zitting.

Wat was uw belangrijkste doel bij het behandelen van de strafzaak en in hoeverre verschilt dat van uw huidige doel bij het behandelen van een civiele zaak?

Uiteindelijk denk ik dat het in beide soorten zaken om de waarheidsvinding draait. Er mag dan verschil zitten tussen het begrip waarheid in het civiele proces en de waarheid in het strafproces, maar als ik het zo samenvat, typeer ik mijn werk het best.

Hoe ervoer u destijds tijdens uw werk als strafrechter de opstelling van het openbaar ministerie?

Dat verschilde nogal per officier. Er bestonden verschillen in betrokkenheid en dossierkennis, maar ook in attitude. Deze varieerde van de houding van de officier die per se gelijk – dus veroordeeld – wilde krijgen tot de officier die de zaak woog zoals de rechtbank deed. Het eerste is te ongenuanceerd, uiteindelijk luister je dan bijna niet meer, maar als de officier ter zitting – ik heb het niet over de magistratelijke aanpak in het traject tot aan de zitting – te veel op de rechterstoel ging, was het moeilijk de weegschaal te hanteren. Die eist wel wat gewicht aan beide kanten om de rechter tot een goed oordeel te brengen.

Hoe kon de raadsman in uw ogen destijds tot een efficiëntere verdediging komen en wat zouden zij kunnen leren van de civiele advocatuur?

Wie ben ik dat ik advocaten zou beoordelen? Het is al moeilijk genoeg iets over het OM-gedeelte van onze eigen rechterlijke macht te schrijven.

Welk strafrechtelijk leerstuk intrigeerde u het meest?

In de tijd dat ik strafrechter was, kwam de aandacht – vooral dankzij een aantal zeer deskundige en volhardende advocaten – sterk op het formele strafrecht te liggen. Was de opsporing volgens de regels verlopen en voldeed het onderzoek ter terechtzitting wel aan de hoge eisen die eraan gesteld moeten worden? Het was interessant in die periode met het strafrecht bezig te zijn.
Het is ook nuttig geweest voor mijn verdere werkzaamheden. Het eerlijke proces bewaken is de taak die in onze handen gelegd is. Met alle verschillen die door de aard van de zaken gegeven worden, is een eerlijk proces in elke sector een eerlijk proces. Het is een van de redenen geweest om in onze werkgroepencyclus in Nijmegen art. 6 EVRM tot uitgangspunt te nemen en twaalf werkgroepen lang onderdeeltje voor onderdeeltje het eerlijke proces te belichten. Die werkgroepen zullen overigens een pendant krijgen in discussielunches binnen de rechtbank omdat je nooit genoeg met elkaar kunt denken en praten over dat waarborgen van een eerlijk proces.

Hoe heeft u zich als strafrechter en civiele rechter ontwikkeld en houdt u sinds u werkzaam bent in de civiele afdeling de strafrechtelijke ontwikkelingen nog steeds bij?

Het antwoord op het eerste deel van de vraag vloeit uit het voorgaande voort: ik zoek de – door de vorm van het proces inhoudelijk bepaalde – waarheid en probeer dat te doen in een eerlijk proces. Daarbij ben ik me steeds meer gaan realiseren dat het draait om wat volgens het Oude Testament de kerncompetentie van Salomo was: goed kunnen luisteren.

Ik ben er in sterk afnemende mate in geslaagd strafrechtelijke ontwikkelingen bij te houden. Gelukkig maak ik nu al een paar jaar deel uit van de Tremaredactie, waarin ik ook met de strafrechtelijke deelredactie moet kunnen meepraten. Ik leer daar veel van en kom er gelukkig weer een beetje in.

Voelt u zich als rechterlijk ambtenaar meer rechter of ambtenaar?

Wat salaris, vakantiedagen en pensioen betreft een ambtenaar, maar voor de inhoud van het werk – en ook daarbuiten; de beroepsethiek beperkt zich niet tot de muren van het Paleis van Justitie – uitsluitend rechter.

Ziet u het spreken van recht en de organisatie daarvan als gescheiden werelden?

Nee. De rechtspraak vindt plaats in een complexe samenleving en betreft een zeer groot aantal procedures. Het is onmogelijk de organisatie die nodig is om dat goed te laten plaatsvinden, van de rechtspraak zelf te scheiden.

Welke ontwikkeling binnen de rechterlijke organisatie betreurt u het meest en welke ontwikkeling juicht u het meest toe?

Ik juich het toe dat de rechtbanken – ook de hoven en bovendien rechtbanken en hoven samen – in de tijd dat ik rechter ben, uit hun status van afzonderlijke koninkrijkjes zijn afgedaald en over de inhoud en de aanpak van het werk intensief overleg voeren. We kunnen allemaal veel van elkaar leren en voor de buitenwereld onbegrijpelijke verschillen zullen daarmee verdwijnen. Dat moet wel geleidelijk gebeuren om te voorkomen dat het overleg het belang van de individuele zaak verdringt. Af en toe vrees ik dat dit laatste gebeurt, niet op de werkvloer, maar bijvoorbeeld in de LOV’s.