Raadkameren moet in alle rust kunnen

Hoe gedetailleerd wil je het hebben? Dat is een van de vragen die rijzen naar aanleiding van de notitie Professionele Standaarden Strafrecht, die deze zomer in concept onder de gerechten is verspreid en in november op een strafrechtersdag wordt besproken. Wil je alleen maar bepalen dat strafrechters goed zijn opgeleid en ervoor zorgen dat ze van de ontwikkelingen op hun vakgebied op de hoogte zijn (regel 1.1)? Of is het ook nodig vast te leggen dat een dagdeel – exclusief raadkamertijd – 3,5 tot 4 zittingsuren kent (regel 13 onder 2.6)? En is dat dan een voorschrift van hetzelfde niveau als de regel dat beslissingen van rechters, ook waar het om beslissingen over voorlopige hechtenis gaat, inhoudelijk worden gemotiveerd (regel 6 onder 2.8)?
“De standaarden zijn primair bedoeld ter bevordering van de kwaliteit van het werk van de rechters waarop zij elkaar onderling kunnen aanspreken. […] De standaarden hebben vooralsnog (sic!) geen externe werking.” Deze ogenschijnlijk geruststellende preambule neemt niet weg dat de notitie van de onder verantwoordelijkheid van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) fungerende voorbereidingscommissie op een enkel onderdeel tot onrust onder rechters en secretarissen aanleiding heeft gegeven.

De notitie onderscheidt drie niveaus. Het eerste wordt gevormd door (tien) “open deuren”, het tweede is een verdere concretisering en onder niveau 3 schaart de commissie een aantal volgens haar waardevolle best practices van gerechten die aan de standaarden al een verdere invulling hebben gegeven. Met de “open deuren” zal niemand moeite hebben: strafrechters moeten goed zijn opgeleid, voor specifieke werkzaamheden gelden aanvullende eisen, rechters zijn verantwoordelijk voor de voortgang en afdoening van zaken en zij moeten beslissingen goed en begrijpelijk motiveren, om maar enkele voorbeelden te noemen.

Dat een zittingscombinatie uit oogpunt van ervaring en deskundigheid evenwichtig moet zijn samengesteld (1.3), hoort daar ook toe. Ik zou hieraan willen toevoegen dat dat overigens zonder aanzien des persoons geschiedt en dat het management geen bemoeienis met de samenstelling van combinaties voor bepaalde zaken of zittingen mag hebben. En verder zou een regel als “de zaak volgt rechter” beter onder niveau 1 dan, zoals nu, bij niveau 2 kunnen worden gezet.
Ook zou een enkele open deur minder vrijblijvend kunnen zijn. Zo staat onder 1.4 dat de rechter in de uitoefening van zijn werk logistiek en vakinhoudelijk wordt ondersteund. Wat mij betreft wordt dat “adequaat ondersteund”, zeker nu dit ook op niveau 2 niet voldoende concreet wordt gemaakt. Wie mijn eerdere verzuchtingen in deze kolommen heeft gelezen, zal begrijpen wat ik hiermee bedoel. Als het woord “adequaat” wordt toegevoegd, kunnen de rechters ook het management aanspreken.

De meeste regels op het tweede niveau zullen weinig discussie opleveren. Wel lijken sommige daarvan erg dirigistisch, als het om de werkwijze gaat. Zo staat onder 2.4 in regel 2 dat een zaak van een meervoudige kamer (MK) door een juridisch medewerker wordt voorbereid. Kan worden voorbereid zou beter zijn. (En vergelijkbare voorbeelden zijn in andere onderdelen te vinden.)

De hiervoor gesignaleerde onrust treft echter het hart van het werk van de rechter. Wie de praktijk van MK’s kent, weet dat ze lastig te plannen zijn. Ook al wordt voor een zaak een bepaalde hoeveelheid tijd uitgetrokken, gebeurtenissen op of kort voor de zitting kunnen ervoor zorgen dat van die planning weinig terecht komt. Niet zelden loopt een MK uit en duren zittingen tot – soms zelfs ver – in de avond. En dan moeten rechters en griffiers ook nog raadkameren!
De commissie die de notitie Professionele Standaarden Strafrecht heeft opgesteld, probeert dat in de kleine lettertjes te ondervangen. Bij de hiervoor genoemde regel “Een dagdeel kent 3,5 of 4 zittingsuren exclusief raadkamertijd” staat in een voetnoot: “In het geval van een ‘hele’ MK vindt het raadkameren plaats in de lunchpauze en na afloop.” Met andere woorden, rechters en griffiers moeten het meest belangrijke onderdeel van hun werk – het delibereren over en het bepalen van hun uitspraken en de motivering daarvan – tijdens de lunch en na afloop van hun zitting doen, ook als inmiddels de avond is ingetreden.

Hiermee geeft de commissie precies het verkeerde signaal en verraadt zij een overmaat aan invloed van managers, die meer op productiecijfers dan op kwaliteit lijken te letten. Juist als het om de kwaliteit gaat, zullen daarvoor voldoende tijd en rust moeten worden ingebouwd. Het kan dus niet zo zijn dat een MK-combinatie na een (vooral ook voor de griffier!) doorgaans inspannende ochtendzitting geen tijd voor een uitrustende lunchpauze mag nemen en dan ook nog een keer in de avond moet doorwerken om haar beslissingen en de motivering daarvan te formuleren. De praktijk leert dat in zo’n situatie de griffier op dagen na de zitting bij het concipiëren van de vonnissen voor allerlei niet besproken hindernissen komt te staan en deze maar moet oplossen.

Kortom, als wij echt kwaliteit willen leveren, zal het van tweeën één moeten zijn: ofwel MK’s worden zodanig geappointeerd dat rechters en griffiers op dezelfde dag nog binnen de daarvoor bestemde werktijd in alle rust kunnen raadkameren, ofwel daarvoor wordt op de volgende dag in het rooster ruimte ingebouwd. Alleen in alle rust komt de kwaliteit van het rechterswerk tot haar recht, niet tussen happen boterham of pizza door.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter rechtbank Amsterdam