Herijking van het strafprocesrecht

Momenteel wordt in brede kring gediscussieerd over de vernieuwing van het Wetboek van Strafvordering. Een groot aantal ontwerpen is inmiddels in bespreking geweest. Principiële veranderingen zijn daarbij niet voorzien. Ik betreur dat ten zeerste. Er is namelijk alle aanleiding om die herziening eens fundamenteel te beschouwen en dan vooral tegen de achtergrond van de effectiviteit van het strafrecht. Daaraan worden in het kader van de vergroting van de veiligheid steeds schone woorden gewijd, maar de feiten spreken een andere taal. Die effectiviteit is namelijk de laatste jaren voortdurend verminderd zowel qua bereik als qua snelheid van handelen en dat bij sterk stijgende kosten.

Volgens velen zou de oorzaak daarvan vooral gelegen zijn in alsmaar toenemende eisen die aan de opsporing worden gesteld en de gedurige uitbreiding van de rechten van de verdachte. Laatstelijk bv. het in bepaalde gevallen toestaan van de raadsman bij het politieverhoor. Het procesrecht heeft het materiële recht daardoor als het ware overwoekerd: het strafrecht zit verstrikt in het onkruid van de strafvordering. (De kern van) het strafprocesrecht is zonder uitzondering van toepassing op alle misdrijven van het Wetboek van Strafrecht. Daardoor ontstaat in vele gevallen een fundamentele onevenwichtigheid tussen het gepleegde feit en de regels waaraan de afdoening daarvan is onderworpen. Dat wordt meer dan duidelijk als we kijken naar de aard van de zaken die de rechter (nog) afdoet en de sanctie die daarbij worden opgelegd. In samenhang bezien is “klein grut” daarvoor naar mijn mening de beste omschrijving.

In 2012 legde de rechter in totaal 122191 sancties op.111400 daarvan waren zogenaamde hoofdstraffen. In maar net 20% daarvan gaat het om een vrijheidsbenemende sanctie in het overgrote deel een gevangenisstraf. 60% daarvan is korter dan 3 maanden. In 2401 gevallen is de straf langer dan een jaar in bijna 900 gevallen langer dan 3 jaar.

Kijken we nog even naar de aard van de zaken die de rechter behandelt, dan blijkt eens te meer de geringheid der dingen. Ruim 95000 zaken, 11000 eenvoudige diefstallen, 3800 vernielingen, 13000 eenvoudige mishandelingen, 4500 bedreigingen, 10500 gevallen van rijden onder invloed en 2500 keer rijden zonder rijbewijs, 2800 keer softdrugs, in totaal ruim 47000 gevallen, oftewel bijna de helft van alle zaken, die op het eerste gezicht als eenvoudig kunnen worden gekwalificeerd; heel vervelende incidenten soms, onuitstaanbaar en soms met ingrijpende gevolgen maar geen feiten waar alle toeters en bellen van het strafprocesrecht hoeven te gaan rinkelen.

Om al die interventies te bewerkstelligen is bovendien veel tijd nodig. Een zaak bij de politierechter vergt gemiddeld 240 dagen; met het opsporingsonderzoek meegerekend zelfs een jaar.

Twee vragen dringen zich op.
1. Waarom speelt het strafrecht bij sommige vergrijpen überhaupt (nog) een rol? Neem nou de winkeldiefstal. Het bewijs daarvan is meestal eenvoudig. De winkelier houdt de verdachte vast tot de politie komt, hem meeneemt naar het bureau en hem daarna, soms lachend, ziet vertrekken. Waarom hier wel en bij het niet betalen van een rekening geen strafrecht? Daar moet toch een eenvoudiger oplossing voor te bedenken zijn.
Hetzelfde geldt voor dronken rijden waarbij geen schade of letsel is veroorzaakt en dat niet op grond van opvallend rijgedrag is vastgesteld. Waarom moet voor zo’n feit, waarvan het bewijs met behulp van de techniek vrijwel onomstotelijk kan worden vastgesteld het hele hebben en houden van het strafprocesrecht uit de kast worden gehaald? Ook daar moet iets anders voor zijn te vinden. Wellicht dat de Wet Mulder hier goede diensten kan bewijzen.

2. Waarom wordt de volle genade van het strafprocesrechtrecht zonder onderscheid over alle verdachten uitgestort ongeacht het type vergrijp, de vermoedelijk op te leggen sanctie en de prima vista kracht van het bewijs? Waarom ontwikkelen we niet een soort “(straf)procesrecht light” waarin het evenwicht tussen vergrijp, sanctie en bewijs enerzijds en behandeling anderzijds wordt hersteld, vanzelfsprekend ook in de opsporingsfase?

Voor het huidige strafprocesrecht, blijven dan wat mij betreft alleen die feiten over waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is en doorgaans ook daadwerkelijk wordt toegepast en die waarbij, naar in alle redelijkheid valt aan te nemen een vrijheid benemende sanctie zal worden opgelegd.

Het strafrecht moet zich weer gaan onderscheiden van andere sanctie- en gedragsbeïnvloeding stelsels zowel qua gedragingen waarmee het zich bezighoudt als qua sancties die worden opgelegd. Het moet af van het imago de zoveelste schakel te zijn in een keten van instanties die tracht het gedrag van jongeren te verbeteren en hen voor recidive te behoeden, door op maat gesneden strafjes uit te delen die veelal nauwelijks indruk maken. Het moet, zouden de gereformeerden zeggen zijn wereldgelijkvormigheid afleggen en weer het zoutend zout van de normhandhaving worden. Daar past geen eindeloos soebatten bij met een reeks van oplopende sancties die uiteindelijk ook tot vrijheidsbeneming leiden. Daar passen fundamentele keuzes bij die recht doen aan het feit dat het strafrecht “pijnlijk recht” of althans was.

En wat moet er dan met al die andere zaken gebeuren, zult U vragen. Die moeten behandeld worden onder de vigeur van een ander, eenvoudiger toe te passen procesrecht, dat de stroperigheid van het strafprocesrecht mist waardoor veel grotere hoeveelheden zaken sneller kunnen worden afgedaan. Ergens tussen Mulder en het huidige systeem in. Het OM zou daarbij de selectiefunctie kunnen vervullen en bepalen naar welk van de systemen een zaak wordt doorverwezen. Van die keuze is geen beroep mogelijk. Wel moet de “rechter”, laten we hem vooralsnog sanctierechter noemen, de mogelijkheid krijgen een zaak door te verwijzen naar de strafrechter als hij meent dat die facetten bevat die in de nieuwe procedure onvoldoende tot zijn recht komen.

Het is jammer dat de vernieuwing van het procesrecht zich niet met dit soort vragen bezighoudt. Een gemiste kans.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie