Kent het niet tijdig opgeven en motiveren van getuigenverzoeken vanaf 1 juli 2014 een (nog hogere) strafvorderlijke prijs?

In mijn vorige bijdrage heb ik uitgebreid aandacht besteed aan de wijze waarop de Hoge Raad het verdedigingsbelang vanaf 1 juli 2014 lijkt te willen invullen. Ik gaf toen reeds aan dat de Hoge Raad in zijn arresten van 1 juli 2014 ook ten aanzien van andere aspecten meer dan slechts een overzicht heeft lijken te willen bieden van de stand van het recht. De Hoge Raad heeft de bestaande jurisprudentie willen herijken en die herijking zou over een aantal jaren wel eens als een trendbreuk kunnen worden gezien. Naast de scherpere toets van het verdedigingsbelang zouden andere trendbreuken kunnen liggen op hetgeen aan tijdigheid en motivering van de verzoeken verlangd wordt. Ook ten aanzien van de invulling van het noodzaakcriterium in relatie tot het aannemelijk maken van een alternatief scenario valt naar aanleiding van de nieuwe jurisprudentie van de Hoge Raad het nodige interessants te concluderen. Dat thema wil ik bewaren voor mijn (voorlopig) derde en laatste bijdrage over getuigenverzoeken de volgende maand. Nu enkele bespiegelingen rond de thema’s tijdigheid en motivering.

De eis van tijdigheid van getuigenverzoeken is in zekere zin reeds verwerkt in de regeling zoals deze in het Wetboek van Strafvordering is opgenomen. Het door de rechter te bezigen criterium is immers afhankelijk van het moment waarop het verzoek wordt gedaan. Daarbij is telkens een vast moment bepaald waarop het ‘lichtere’ verdedigingscriterium overgaat op het ‘zwaardere’ noodzakelijkheidscriterium. Afgezien van enkele wettelijke en jurisprudentiële nuances ligt dat kantelpunt in eerste aanleg 10 dagen voor de behandeling van de strafzaak. In hoger beroep geldt dat moment ook in het geval het openbaar ministerie in hoger beroep is gekomen. Indien het hoger beroep door de verdachte is ingesteld ligt het kantelpunt bij 14 dagen na het instellen van dat hoger beroep. De eis van motivering van getuigenverzoeken ligt ook besloten in het systeem. De verdediging zal immers het verdedigingsbelang moeten duiden of de noodzakelijkheid van het horen van een getuige aannemelijk moeten maken. Een koppeling tussen tijdigheid en motivering voor wat betreft het te bezigen criterium is vooralsnog niet gemaakt. Een tijdig gedaan en voldoende specifiek verzoek kan later worden gemotiveerd zonder dat het toepasselijke criterium wijzigt. Ook het overzichtsarrest ECLI:NL:HR:2014:1496 brengt geen wijziging in deze stand van het recht (zie r.o. 2.41).
Aan deze kantelpunten lijkt de Hoge Raad nu echter wel te hebben toegevoegd dat rechters bij de beoordeling van verzoeken – even welk criterium van toepassing is – de tijdigheid van die verzoeken kunnen betrekken, alsmede het moment en de wijze waarop dat verzoek is gemotiveerd.

Zo valt in het eerder aangehaald overzichtsarrest onder meer te lezen dat bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen het in cassatie uiteindelijk gaat om de vraag of de beslissing begrijpelijk is ‘in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen’. Voorts wijst de Hoge Raad erop dat van belang kan zijn ‘het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan’ (zie r.o. 2.76).

Wanneer we vervolgens kijken naar de arresten van de Hoge Raad van 1 juli 2014 waarin de rechtsregels uit het overzichtsarrest zijn toegepast, valt ten aanzien van het aspect van tijdigheid uit ECLI:NL:HR:2014:1567 af te leiden dat op een zeker moment van de verdediging mag worden gevergd voldoende specifiek aan te geven ten aanzien van welke punten – die niet eerder aan de orde hadden kunnen worden gesteld – bepaalde getuigen bevraagd zouden moeten worden.
In het verlengde daarvan wordt de verdediging in ECLI:NL:HR:2014:1688 en ECLI:NL:HR:2014:1615 mede afgerekend op het feit dat het verzoek pas ver in de procedure wordt gedaan. In een van die zaken speelt daarbij nadrukkelijk een rol dat de raadsman niet aannemelijk heeft gemaakt waarom hij de voor het oproepen van de verzochte getuige vereiste adresgegevens niet eerder kon verschaffen (zie voor een samenvatting van de arresten hieronder *).

Daarmee wordt het moment waarop het verzoek wordt gedaan niet alleen van belang voor het toepasselijke criterium, maar gaat het ook bij toepassing van het criterium zelf een rol spelen. Het moment waarop het verzoek wordt gemotiveerd krijgt bovendien ook een plaats in het beoordelingsschema terwijl voorheen slechts relevant was het moment waarop het verzoek was gedaan. Of dat gemotiveerd was of niet, deed er niet toe. Vervolgens geldt hoe later het verzoek wordt gedaan en hoe later het verzoek wordt gemotiveerd, des te zwaarder de eisen zijn die daaraan gesteld kunnen worden (uiteraard slechts indien het verzoek en de motivering daarvan niet eerder gedaan had kunnen worden). Het criterium hoeft daarbij weliswaar niet te wijzigen, maar bij beantwoording van de vraag of aan het criterium is voldaan mogen de tijdigheid van het verzoek en de tijdigheid van de motivering wel worden betrokken. Daarmee zien we de strafvorderlijke trechter zoals we die kennen in het kader van het voortbouwend appel (en in wezen ook bij de beoordeling van aanhoudingsverzoeken, zie bijvoorbeeld: HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2145, NJ 2010, 176, m.nt. Schalken) ook terug bij getuigenverzoeken. Hoe verder het proces is gevorderd, hoe meer er van de verdediging wordt verwacht.

Ondanks dat de jurisprudentie van de Hoge Raad betrekking heeft op het klassieke stramien waarin verzoeken ter zitting worden gedaan, valt niet in te zien waarom uit die jurisprudentie niet ook conclusies te trekken zijn over de meer moderne manieren waarop het strafproces vooral in de voorfase steeds meer vorm wordt gegeven. Ik denk dan vooral aan de pro-actieve werkwijze die ondertussen landelijk breed wordt toegepast en waarin in een vroeg stadium door rechtbank of gerechtshof onderzoekswensen bij de verdediging worden opgevraagd zodat daarop voorafgaand aan de terechtzitting door de voorzitter kan worden beslist. Het is jammer dat de Hoge Raad daar geen overwegingen aan wijdt omdat een dergelijke vorm van pro-activiteit onvermijdelijk lijkt in de Verkeerstorens die thans in oprichting zijn en in sommige gerechten (zoals het Arnhems-Leeuwarder gerechtshof) al volop draaien. Ondanks het uitblijven van uitdrukkelijke overwegingen op dit punt mag worden aangenomen dat in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van de klassieke procesvoering ook bij meer moderne vormen tijdigheid van verzoek en motivering betrokken mogen worden bij de beoordeling van getuigenverzoeken. Het niet of niet tijdig voldoen aan een verzoek in de voorfase onderzoekswensen op te geven, danwel deze nader te motiveren of anderszins van belang geachte informatie te verschaffen, kan dan maken dat de verdediging op een zeker moment de mogelijkheid wordt onthouden getuigen te horen. Vertraging lijkt met de nieuwe jurisprudentie van de Hoge Raad dus een nog hogere strafvorderlijke prijs te krijgen dan het enkel wijzigen van het te bezigen criterium, terwijl aan het niet tijdig motiveren voor het eerst een strafvorderlijk prijskaartje gehangen wordt.

Rick Robroek
Stafjurist Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Limburg

*
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1567
In deze zaak kreeg de verdediging daags voor de behandeling van de zaak bij het hof de beschikking over een aantal processen-verbaal van verhoren van getuigen bij de rechter-commissaris in de nog steeds in eerste aanleg aanhangige zaak tegen de medeverdachte van verdachte. Indien de stukken gevoegd worden (en dat worden ze) verzoekt de verdediging tot het (zelf) horen van enkele van die getuigen. De onderbouwing van dat verzoek gaat gepaard met de mededeling dat de motivering niet nauwkeuriger kan in verband met de late toezending van de RC-verhoren. Het hof wijst het verzoek af aan de hand van het noodzaakcriterium. Daarbij houdt het hof, gelet op de late inzending van de RC-verhoren, rekening met het verdedigingsbelang. De A-G bij de Hoge Raad is van oordeel dat het tegen de afwijzing ingediende cassatiemiddel niet slaagt. Ook de Hoge Raad laat de afwijzende beslissing in stand en overweegt daartoe – met een verwijzing naar bovenomschreven toetsingskader in cassatie – dat:
1. het hof rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de verdediging eerst daags voor de terechtzitting in hoger beroep de beschikking heeft gekregen over de processen-verbaal;
2. het hof heeft vastgesteld dat de verdediging niet voldoende specifiek heeft aangegeven ten aanzien van welke punten – die niet eerder aan de orde hadden kunnen worden gesteld – zij hen als getuige nader wenste te bevragen;
3. de verdediging haar verzoek ten aanzien van drie van de vijf bedoelde personen niet nader heeft gemotiveerd en dat de verdediging haar verzoek ten aanzien van twee personen slechts heeft onderbouwd door te verwijzen naar omstandigheden waarover deze getuigen zich al hadden uitgelaten in eerdere, reeds langer tot het dossier behorende schriftelijke verklaringen.

HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1688/1615
In twee op 8 juli 2014 uitgesproken zaken was ten slotte door de verdediging telkens verzocht een persoon te horen van wie gesteld werd dat deze ‘Boyke’ heette. Deze ‘Boyke’ was door de verdachte en zijn medeverdachte in hun verhoren opgeworpen als de persoon die verantwoordelijk was voor de invoer van containers waarin drugs bleken te zitten. Verdachte en medeverdachte ontkennen iets met die containers te maken te hebben.
In eerstgenoemde zaak (2014:1688) was op een eerder zitting het verzoek tot het horen van de persoon van wie gesteld werd dat deze ‘Boyke’ zou zijn voorwaardelijk toegewezen in die zin dat het openbaar ministerie eerst werd opgedragen onderzoek te laten doen naar een door de raadsman overgelegd Belgisch adres alsmede te onderzoeken of de betreffende persoon op een ander adres in België verbleef. Dit onderzoek leverde niets op. Vlak voor de vervolgzitting deelt de raadsman van de verdachte mede dat hij nieuwe adresgegevens heeft achterhaald van de persoon die ‘Boyke’ zou zijn. Op de vervolgzitting noemt de raadsman voorts de naam van de vrouw waarmee die persoon op dat adres zou verblijven, de basisschool waarnaar de kinderen van deze persoon zouden gaan en het merk en het kenteken van de auto waarin die persoon zou rijden. De raadsman verzoekt, gelet op al deze concrete gegevens, de betreffende persoon te horen, maar het hof wijst dat verzoek af omdat het de noodzaak daartoe niet aanwezig acht.
In de ander zaak (2014:1615) sluit de raadsman van de verdachte zich aan bij het verzoek van de raadsman van de medeverdachte. Het hof wijst ook dat verzoek af omdat het de noodzaak daartoe niet aanwezig acht.
De A-G bij de Hoge Raad komt tot de conclusie dat de motivering van het hof in beide zaken tekort schiet, maar de Hoge Raad laat de afwijzende beslissingen van het hof in stand.
Daartoe wordt in de eerste zaak (2014:1688) overwogen dat
1. de raadsman op de (derde) terechtzitting heeft aangevoerd dat in de loop van de procedure duidelijk is geworden dat de persoon die hij wenst te horen ‘Boyke’ is die eerder in diverse verklaringen een rol speelt;
2. onvoldoende onderbouwd is dat die persoon de eerdergenoemde ‘Boyke’ zou zijn;
3. het enkele feit dat hij mogelijk eveneens bij de feiten betrokken was en mede aanwezig was bij besprekingen ter zake, onvoldoende is om de noodzaak tot zijn oproeping aan te nemen.

Met een verwijzing naar het hiervoor kort weergegeven toetsingskader in cassatie acht de Hoge Raad, ‘mede gelet op het stadium waarin het verzoek is gedaan en in aanmerking genomen dat de raadsman niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de vereiste adresgegevens niet eerder kon verschaffen’, de afwijzing niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
In de tweede zaak wordt in aanmerking genomen dat:
1. de raadsman zich op de (vijfde) terechtzitting slechts heeft aangesloten bij een verzoek van de raadsman van de medeverdachte om de getuige te horen;
2. de raadsman zich met betrekking tot de identiteit van de getuige heeft aangevoerd dat er nu concrete informatie is dat die ‘Boyke’ (de bijnaam van iemand die in het dossier voorkomt) wel degelijk bestaat, zonder deze stelling nader te onderbouwen;
3. het hof heeft overwogen dat de raadsman niet heeft gemotiveerd dat en waarom de getuige van wie de oproeping wordt verzocht de persoon zou zijn die door de verdachte in zijn verhoren als ‘Boyke’ is aangeduid.

Met een verwijzing naar het hiervoor kort weergegeven toetsingskader in cassatie acht de Hoge Raad, ‘mede gelet op het stadium waarin het verzoek is gedaan’, ook deze afwijzing niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Een gedachte over “Kent het niet tijdig opgeven en motiveren van getuigenverzoeken vanaf 1 juli 2014 een (nog hogere) strafvorderlijke prijs?

  1. Pingback: ‘Kent het niet tijdig opgeven en motiveren van getuigenverzoeken vanaf 1 juli 2014 een (nog hogere) strafvorderlijke prijs?’ ← BijzonderStrafrecht.nl

Reacties zijn gesloten.