Vakinhoud voorop in landelijk overleg

Met de herziening van de gerechtelijke kaart per 1 januari 2013 en de daarmee gepaard gaande verkleining van het aantal gerechten zijn ook de traditionele sectoren in de diverse vakgebieden verdwenen. Nu bestaat, als we ons tot het strafrecht beperken, doorgaans alleen een afdeling Publiek, die strafrecht èn bestuursrecht omvat. Dat heeft op zijn beurt tot gevolg gehad dat moest worden nagedacht over een andere vorm van landelijk overleg tussen de vakmatig verwante (voormalige) sectoren.
Voorheen was dat in handen van de voorzitters van die sectoren en werd het overleg LOVS, oftewel Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren, genoemd. De afkorting is nog steeds dezelfde (LOVS), maar de V staat nu voor Vakinhoud. Een belangrijke vraag is dus wie de gerechten moeten afvaardigen, nu de sectorvoorzitter niet meer bestaat en het hoofd van de afdeling (als die al bestaat), anders dan de voormalige sectorvoorzitter, geen lid van het gerechtsbestuur is. Daarover is enige tijd geleden een Startnotitie Versterking positie landelijke overleggen vakinhoud verschenen. Deze wordt in deze maanden besproken en ook aan de achterban voorgelegd.

Wat zou die achterban van de inhoud van de Startnotitie kunnen vinden?

Het woord “vakinhoud” suggereert dat inhoud voorop staat. Dat is ook het uitgangspunt van de Startnotitie: “De kerntaak van de LOV’s is en blijft het coördineren van de juridische kwaliteit van vakinhoudelijke kwesties, waaronder rechtseenheid.” Daarnaast moet het overleg zich echter op gelijkwaardige wijze bezighouden met de landelijke afstemming en coördinatie van de werkprocessen in het primair proces en de kwalitatieve ondersteuning daarvan. Verder wordt de LOV’s een proactieve rol toebedeeld in het signaleren van wat bij rechters en in de maatschappij leeft en het verbinden daarvan aan landelijke ontwikkelingen.
Dat is nogal wat. Waar de sectorvoorzitter oude stijl, zeker in de wat kleinere rechtbanken, aan al deze aspecten aandacht kon besteden, is er in de nieuwe structuur niemand meer die ze allemaal in zijn pakket heeft. Voorzitters van afdelingen Publiek hebben daarvoor een te algemene en te leidinggevende functie en moeten ook aan bestuursrecht werken. De teamvoorzitters zijn veel tijd met regelen (rooster e.d.) kwijt en komen aan de inhoud niet goed toe. En kwaliteitscoördinatoren zullen het afstemmen van werkprocessen e.d. graag aan de managers overlaten. De startnotitie zegt eigenlijk niets over de bemensing van de LOV’s. De aandacht gaat meer uit naar organisatie, zichtbaarheid, communicatie en financiering. Dat is jammer, want daarmee wordt de noodzakelijke eerste stap overgeslagen.

Zou het niet voor de hand liggen de coördinatie van werkprocessen en “vakinhoud” uit elkaar te halen? Een vorm van inhoudelijke afstemming kennen we al bij de onder de Raad voor de rechtspraak ressorterende en uit individuele rechters bestaande Wetgevingsadviescommissies (WAC’s). Hun taak beperkt zich doorgaans echter tot advisering (op verzoek van de Raad) over voorgestelde regelgeving. Voor de rechtseenheid in het strafrecht zijn verder vooral de landelijke oriëntatiepunten specifiek van belang. Daarnaast moet aandacht worden besteed aan de kwaliteit van vonnissen in bredere zin. Daartoe behoren in het bijzonder de werkzaamheden in het kader van Promis, waarmee in de loop van de jaren allerlei werkgroepen bezig zijn geweest en die nog lang niet aan een afsluiting toe zijn.
Waar de afstemming van de werkprocessen op het niveau van teamvoorzitters – of eventueel afdelingsvoorzitters – zou kunnen plaatsvinden, moet bij coördinatie van inhoud en kwaliteit in de eerste plaats naar de kwaliteitscoördinatoren worden gekeken. Dit zijn rechters die vanwege hun inhoudelijke capaciteiten voor hun taak zijn aangesteld. De meeste gerechten zullen ze inmiddels wel hebben en bij een aantal wordt de kwaliteitscoördinator door anderen – bijv. stafjuristen – ondersteund. Ook de kenniscentra die bij de gerechtshoven zijn ondergebracht, kunnen bij dit alles een nuttige rol vervullen. Eventueel zouden de gerechtscoördinatoren Europees recht, die al een eigen overlegvorm kennen, erbij kunnen worden betrokken. Al deze rechters houden zich op hun gebied met de inhoud en de kwaliteit van de rechtspraak bezig.

Voordeel van deze splitsing in werkprocessen en inhoud is dat het landelijk overleg niet automatisch door managers zal worden bemand. In dat laatste schuilt immers het gevaar dat de aandacht voor de werkprocessen en de efficiency ten koste van de inhoud en de kwaliteit van de rechtspraak zal gaan. Ook al worden afdelings- en teamvoorzitters doorgaans uit rechters gerecruteerd, hun werk en belangstelling richten zich primair op het management en niet op de inhoud.
Als kwaliteitscoördinatoren bij het landelijk overleg over de vakinhoud een hoofdrol gaan spelen, zal vooral eens naar de landelijke oriëntatiepunten en het draagvlak daarvan moeten worden gekeken. Bij lang niet alle gerechten worden voorstellen voor het invoeren of aanpassen van oriëntatiepunten even grondig besproken. De vraag is ook of oriëntatiepunten altijd landelijk moeten en kunnen zijn. Regionale verschillen in strafmaat zijn niet bij voorbaat verwerpelijk, in het bijzonder niet als men kijkt naar situaties in de grote steden en die op het platteland.

Ten slotte kan in het LOVS Nieuwe Stijl worden besproken in welke mate rechters zich met advisering over wetgeving moeten inlaten, zeker als daarbij politieke elementen een rol spelen. Maar daarover is al eerder geblogd.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter Rechtbank Amsterdam